Wijd open ogen: Stukken over kunst en kijkplezier

Een blik van verstandhouding

Gijsbert van der Wal, Wijd open ogen, € 32,50

In oktober vorig jaar maakte de gerenommeerde criticus David Hickey, schrijver voor Rolling Stone, Art News, Art in America, Artforum en Vanity Fair, bekend dat hij het bijltje erbij neergooit. De wereld van de hedendaagse kunst, zei hij (tegen The Observer), is in zichzelf gekeerd, verkalkt, gecorrumpeerd door te veel geld, geobsedeerd door celebrity en niet door kwaliteit.

Het niveau van het discours is dat van een Batman-comic. Kunstredacteuren en critici zijn verworden tot een hofhouding. Het enige wat zij doen is rondwandelen door het paleis en advies geven aan hedgefundmanagers met meer geld dan verstand. Hickey: ‘It’s nasty and it’s stupid. I’m an intellectual and I don’t care if I’m not invited to the party. I quit.’

Hij is de enige niet. Kunstcritici hebben het lastig. Het systeem dat Hickey schetst is machtig, en het aanbod is enorm. Voor je het weet kijk je alleen met je oren en praat je uit onzekerheid of gemakzucht de curatoren na, en schrijf je op dat ‘de kunstenaar onderzoek doet naar noties van… in een dialoog met…’, enzovoort. Humbug, maar je kunt je er bijna niet aan onttrekken. Je kunt proberen, net als de beschouwer van de politiek, een principiële afstand tot het onderwerp te bewaren, maar het is tegelijkertijd onmogelijk een goede schrijver over kunst en kunstenaars te zijn zónder dat je kunstenaars ook persoonlijk leert kennen, en je leven laat verrijken (of verpesten) door hun werk. Dus: stel je je naast de kunstenaar op, of tegenover het kunstwerk? Kijk je naar het uitgangspunt of het resultaat?

De kunsthistoricus en criticus Gijsbert van der Wal, schrijvend voor NRC Handelsblad en sprekend op De Avonden (vpro) huldigt de eerste opvatting. Hij staat graag naast de kunstenaars. Hij praat met ze, koopt en leent werk van ze, sterker nog, hij laat zich portretteren, en schrijft daarover. Hij bevriendt ze. Hij schrijft inleidingen in hun catalogi. Hij is deel van hun werkzame leven, en zij zijn deel van het zijne.

Zijn vele stukken en radiogesprekken van de laatste jaren zijn bewerkt tot een losjes georganiseerd boek dat het best te beschrijven is als een rondgang door zijn leven en een pleidooi voor ‘rustig kijken’. Hij bestrijkt de hele kunstgeschiedenis – het personenregister verraadt flinke eruditie – maar er zijn een paar grote favorieten onder: Rembrandt, Arie Schippers, Hockney, Willem den Ouden, Caspar David Friedrich, Vincent van Gogh, Lucian Freud. Monter stelt Van der Wal zich naast deze makers op. Als ze nog leven gaat hij uitgebreid en herhaaldelijk met ze praten en boterhammen eten, en als ze dood zijn spreekt hij met ze door intens naar het eigenlijke schilderwerk te kijken. Dat alles gebeurt zonder journalistieke beperkingen of academisch ontzag, en gelijk heeft-ie. Kunstenaars hebben een talent en ze kunnen daar heel wat mee, dankzij lange oefening en wijze leraren, maar het zijn niet zomaar betere mensen dan u of ik. Hun gevoelsleven mag intenser zijn, maar meestal is het dat eigenlijk helemaal niet – een schilderij maken is vooral het geduldig zoeken naar de beste oplossing voor een probleem. Kortom: de interactie tussen de criticus-kijker en de kunstenaar is in Van der Wals praktijk geheel vrij en vindt plaats op basis van een kameraadschappelijke attitude. Hij laat zich niet verstrikken door het kussen van ‘wetenschappelijke’ literatuur en filosofie dat de kunsten maar al te vaak als een dikke laag schimmel omvat en dat die gewone interactie verduistert, niet verheldert.

Van der Wal is in die zin een naïef, een holy fool. Hij heeft een ontvankelijkheid die het mogelijk maakt dat hij zich in een schilderij verliest. Hij treedt binnen in de andere wereld van het werk, een verdwijntruc noemt hij het: ‘(…) uitwaaien in het geschilderde uitzicht, omhoog of omlaag lopen met de wind op je trommel­vliezen. Als het opklaart gaan we op de kademuur zitten kijken hoe de zon op de golfjes klettert.’ Hij ziet het strandgezicht dat Jan Hendrik Weissenbruch maakte en hij paart dat aan het genoegen dat hij zelf aan een strandwandeling beleeft. Daarin zit de essentie van zijn relatie met de kunst: ‘De schilder en de museum­bezoeker zijn het eens, ze kijken met dezelfde blik, die dus als een blik van verstandhouding gaat werken. Ze zijn niet alleen.’

Deze innige verstandhouding, de blijmoedige ontvankelijkheid en de voorkeur voor bescheiden, wijze, ambachtelijk briljante kunstenaars als Willem den Ouden of Wendelien Schönfeld, zijn verraderlijk. Van der Wal lijkt een opvatting van cultuur uit te drukken die zich verre wil houden van de ingewikkelde toestanden in de hedendaagse kunst, de ‘gebakken lucht’, ‘die vermoeiende kunst die een dialoog aangaat of eigenlijk een onderzoek is’. Hij is naar eigen zeggen een polderjongen, geworteld in het Waallandschap bij Zaltbommel en Neerijnen en dus herkent hij zich in de wolkenluchten ‘en dat modderige of glinsterende gras’ van de Haagse School. Hij mag, bij een schilderij van Anton Mauve, graag een beetje mopperen op de veranderde wereld: ‘Waar Mauve’s polderweg liep, ligt nu misschien een Vinex-wijk. (…) In de tussentijd zijn er vliegtuigen uitgevonden, concentratiekampen, Disneylanden en meubelboulevards. Kinderen heten Desley en Chayenne in plaats van Ot en Sien. (…) Vrouwen van een jaar of veertig verven hun hoofdhaar in de kleur van rode kool.’ Je proeft daar Carmiggelt, Nescio, een vleugje Komrij, en op de achtergrond hoor je Het dorp van Wim Sonneveld. Hier lijkt een conservatieve provinciaal aan het woord, van het slag ChristenUnie: gezond, verstandig maar met een broertje dood aan de moderne tijd, Oost-Indisch doof en ziende blind voor het woeden van de wereld in de grote steden.

En dat is niet zo. Het gemopper is bijzaak. Het relaas van Wijd open ogen is verraderlijk, juist in zijn eenvoud en oprechtheid, juist in het ontbreken van de zeurende ironie die zo veel van het ‘moderne’ leven beheerst. Van der Wal etaleert een levensgevoel, en daarmee een visie op de kunst, dat een ontroerende en onvoorwaardelijke natuurlijkheid bezit, en een schaamteloze liefde voor de werkelijkheid. Hij beschrijft op zijn laatste pagina het ontembare geluk dat de herkenning van de schoonheid van zijn omgeving hem biedt: ‘Kijk nou toch wat een wonder, die zon op het douchegordijn, de spiegel, de vensterbank en het koffiezetapparaat. Dat licht op alle muren en meubels in het huis. Buiten, in de straten en het park, ruikt het naar brandhout en herfstbladeren en regeert de helderheid. Zie de zon schijnt door de bomen.’ Nescio’s Bavink kon dat allemaal niet bevatten, op den duur, en hij werd er mal van. Bij Van der Wal is dat risico gering. Geen zweverigheid, geen meta­fysica: ‘Wie zit er nou nog om licht aan het einde van een tunnel verlegen als hij het licht aan het einde van de dag heeft?’

In antwoord op Hickey’s tirade schreef de bbc-criticus Will Gompertz dat hij hoopte op een doorbraak van het systeem, net als in Parijs in de negentiende eeuw, toen in de Salon de kunst door bureaucraten en conservatieven bevroren was, tot de Impressionisten een nieuw systeem forceerden, dat leidde tot ‘a whole new way of looking at things’. Welnee, zou Van der Wal zeggen, d’r hoeft helemaal niks gebroken te worden. Die ‘whole new way of looking at things’, die bestaat al lang. Het is ‘the old way of looking at things’.


Gijsbert van der Wal
Wijd open ogen: Stukken over kunst en kijkplezier
De Bezige Bij, 386 blz., € 32,50