De laatste tonen van ’t Was aan de Costa del Sol stierven weg en – tingelingeling – Marcel van Roosmalen betrad het podium. Hij maakte grapjes over de dorpen en steden die hij samen met fotograaf Jan Dirk van der Burg en BN’er Roelof de Vries had aangedaan tijdens de tour die op deze avond in De Kleine Komedie in Amsterdam werd afgesloten. Goor, Uden, Veghel, dat soort plekken. Plekken die worden bewoond door mensen die niet heel veel verschillen van de mensen die op deze avond af zijn gekomen. Mannen die eruitzien alsof ze onder lichte dwang door hun vrouw zijn meegenomen naar de Replay-store. Vrouwen die eruitzien alsof ze zijn meegenomen naar de favoriete Theo Janssen-biograaf van hun man.

Het was een februari-avond en storm Dennis raasde over het land. Over de vreemde ziekte die in andere delen van de wereld naar verluidt rap om zich heen greep werden hier te lande nog vooral grapjes gemaakt – al klonk er inmiddels hier en daar onmiskenbaar een bezorgde ondertoon in door.

Dit is Nederland heette de voorstelling en de avond was aangekondigd als la grande finale, het eindverslag van wat bij tijd en wijle, aan de gezichten te zien, een dodelijk saaie safari door het land moest zijn geweest – op zoek naar lokale eigenaardigheden en ‘de Nederlandse volksaard’. Van Roosmalen vergeleek iets – was het de complete tour? – met gehakt dat op een zomerse dag in de biobak was gemieterd. Dat was ‘ook al heel snel niet meer om aan te zien’. Over het Nederland dat ze hadden aangetroffen, het Nederland waar in de lokale boekhandel ‘alle delen van De zeven zussen gelijktijdig in de top-tien staan’, zei de columnist: ‘Zet het allemaal eens op een rijtje, probeer het maar eens te relativeren – dat lukt dus niet.’

Er zal niemand in de zaal hebben gezeten die in de veronderstelling verkeerde dat Van Roosmalen zich positief had willen laten verrassen. Hij is tenslotte het vleesgeworden onbehagen, iemand voor wie het leven, als hij zich er niet op had ingesteld, een voortdurende onaangename verrassing zou zijn – een niet-aflatende bevestiging van wat toch al werd vermoed: de hel, dat zijn de anderen. Vooral in Wormer.

Exit Van Roosmalen. Enter Van der Burg.

Het polderboeddhisme in Nederweert, Sint Willebrord, Bunschoten, Woensdrecht, Herwijnen, Didam, Purmerend, Almere, Heerhugowaard en Arnhem © Jan Dirk van der Burg

De fotograaf was op dat moment in opdracht van het Nederlands Fotomuseum en Foam aan het werk als ‘Fotograaf des Vaderlands’. Het beeld van Nederland dat oprijst uit de foto’s die hij het publiek voorschotelt is in grote lijnen vergelijkbaar met dat wat de columnist eerder opdiende: het is niet om aan te zien. De fotograaf is altijd op zoek naar dingen die opvallen in al hun onopvallendheid en zijn Nederland is een oersaai rariteitenkabinet. Zo saai dat het van de weeromstuit af en toe onbedaarlijk grappig wordt. We blijken een land te zijn dat zichzelf een weg naar onderscheidenheid shopt bij de Xenos en de Ikea. Een land vol kliko-dockingstations en palmbomen in onderhoudsarme voortuinen, een land vol bomen in metershoge bloempotten in de publieke ruimte, een land waar treurige mannen op de huishoudbeurs de buit van hun vrouw bewaken, een land waar ontelbaar veel gefiguurzaagde letters in het raamkozijn naast de deur bevestigen dat dit huis inderdaad iemands HOME is en waar zo mogelijk nog meer boeddhabeelden tuinen ontsieren. Van der Burg vertelde dat die boeddhaficering van de Nederlandse voortuin waarschijnlijk te herleiden viel naar een aflevering van het tv-programma Eigen huis & tuin. Nico, Rob of Irene, ik ben vergeten wie, had een dealtje gesloten met een sponsor die de beeldjes importeerde en er nog een hoop had liggen.

Aan het einde van de show werden de drie mannen geïnterviewd. De journaliste die voor de gelegenheid was meegekomen uit Wormer probeerde er wat van te maken, maar de mannen gaven niet thuis. Wat ze nou precies hadden ontdekt tijdens hun reis door Nederland? Dat er overal in dit land gigantische theaters staan. Ja maar wat hadden ze ontdekt over de Nederlandse volksaard? Dat Nederlanders zichzelf overal bijzonder vinden, zonder het te zijn, deed De Vries een voorzichtige poging. Maar, voegde hij eraan toe: ‘Ook dat de meeste mensen deugen.’ ‘Daar sluit ik me bij aan’, zei Van Roosmalen – en als hij het ironisch bedoelde vergat hij voor één keer dat duidelijk te laten blijken, want het klonk zowaar bijna oprecht.

Uit de boxen schalde ‘Nananananana, nanana/ Atje voor de sfeer, voor de sfeer/ Atje voor de sfeer’. De avond zat erop. De mensen op de rij voor me neurieden mee terwijl ze hun jas aantrokken.

Palmbomen Linkerpagina: met de klok mee: Apeldoorn (boven), Berghem. Rechterpagina: Apeldoorn, Nederweert, Helmond, Nijmegen, Nieuwegein, Best, Roermond, Sint-Michielsgestel. © Jan Dirk van der Burg

Ik was om onduidelijke redenen gefascineerd geraakt door de Nederlandse obsessie met Nederland, en vooral hoe die soms zo typisch Nederlands kon toeschijnen, door hoe het idee dat Nederland een verhaal nodig had soms het verhaal leek te zijn dat Nederland nodig had en door het essentialistische verlangen dat op de een of andere manier opsteeg uit alle dingen – rapporten, tv-programma’s, dichtbundels, romans, kinderboeken, theatershows en zelfs nog te bouwen musea – die expliciet er op uit waren, met een flinke dosis ironie of juist volledig gespeend daarvan, iets uitputtends en definitiefs te zeggen over het geheel van alles wat, om met Wittgenstein te spreken, in deze contreien het geval is. Ik was vooral geïnteresseerd geraakt in hoe we ons er telkens weer toe laten verleiden een imaginair geheel te construeren uit de fragmenten van onze particuliere ervaring. Maar dat alles verdween in een lade toen de wereld een paar weken later piepend en krakend tot stilstand kwam.

Dit jaar verscheen Typisch Nederland, waarmee Jan Dirk van der Burg zijn termijn als Fotograaf des Vaderlands afsloot. De Volkskrant nam het een paar weken geleden op in zijn top-tien van beste fotoboeken van het jaar.

Van der Burg schrijft dat hij zelf niet per se op zoek was naar iets heel stelligs, al werd hij er wel voortdurend naar gevraagd. ‘Voor wie verwacht dat dit boek de Vaderlandse Volksaard eens en voor altijd zal ontrafelen: helaas. Ik heb Nederland de afgelopen jaren helemaal plat gefotografeerd, maar ben bang dat het volksaard-mysterie alleen maar groter is geworden.’ Het enige waar hij in zijn boek misschien mee afrekent, zegt hij, is ‘de veronderstelling dat Nederland zo’n “normaal” land is’.

De foto die het omslag siert is direct de meest uitgesproken lullige van het hele stel. Een man in groene werkkleding houdt zich met een van zijn geschoeide handen vast aan het cabinedeurtje van een klein karretje met twee zoeklichten boven het raam en een slurf aan de voorzijde. De man is even uit zijn hondenpoepzuiger gestapt en ogenschijnlijk meteen in de poep gaan staan. Hij kijkt met een zekere gelatenheid naar de zool van zijn gekantelde schoen.

Typisch Nederlands? Dat karretje? Misschien wel, ja. En ook dat gevoel van ‘moet net mij weer overkomen’ heeft op de een of andere manier iets herkenbaars. Domme pech die al gauw als onrecht wordt ervaren?

‘Achttien loempia’s? Hadjû nog sâhs erbè wille hebbe?’

Onweerstaanbaar als omslagbeeld, denk ik, maar zeker niet representatief voor het werk van Van der Burg, waarin de humor – die telkens weer ontstaat uit een vreemde mix van herkenning en een vreemde variant op leedvermaak, waarin het draait om de wansmaak van een ander – er minder dik bovenop ligt. Van der Burg speurt, zoals hij het zelf zegt, ‘binnen al die normaliteit naar het uitzonderlijke’ en hoopt dat de kijker wordt geraakt door iets wat hij omschrijft als ‘de verwondering binnen de herkenning’.

Heeft het zin om te beschrijven wat Van der Burg allemaal fotografeerde? De donkergroene ptt-buitenbus van Friso Kramer laat hem niet los. Net als de manier waarop het ding de neiging heeft in heggen te verdwijnen. (Wat het ding misschien nog typischer maakt voor het Nederland van de afgelopen vijftig jaar is dat het niet alleen minder loopwerk voor postbodes betekende, maar vooral ook minder postbodes: er werden met de gratis beschikbare bus 360 arbeidsplaatsen wegbezuinigd.)

Van der Burg ziet overal de manieren waarop mensen hun lelijke afvalbakken proberen te camoufleren. (Heel veel stickers. En het wordt er eigenlijk zelden of nooit beter op.) Hij ziet hoeveel mannen hun caravan wassen. En hoeveel er onkruid van de stoep verwijderen. Hij ziet al die jammerlijke classicistische uitspattingen op industrieterreinen en in voortuintjes. Hij ziet hoe er overal rode lopers worden uitgerold voor de meest prozaïsche winkels. Hij ziet de plastic tuintjes die rond de vuilcontainer worden opgesteld in de hoop mensen ervan te weerhouden hun zakken ernaast te zetten. Hij ziet onvoorstelbaar veel palmbomen. Het mediterrane levensgevoel dat voor een prikkie is aangeschaft bij Intratuin.

HOME-letter en Boeddha-gebruik.VLNR: Heemskerk, Almere, Almere, Ridderkerk. © Jan Dirk van der Burg

Eerder dit jaar hingen Van der Burgs foto’s in de kelder van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, kleine afdrukken in series bij elkaar. Te klein om echt effect te sorteren, zo leek het. Maar dat gebrek werd ruimschoots gecompenseerd door de drie gigantische schermen die elders in de ruimte stonden opgesteld. En dit was ook waar het publiek zich verzamelde. De video-opstelling, waarin de beelden elkaar in een onregelmatig tempo afwisselden, had iets hypnotiserends. Vooral ook omdat er op onverwachte momenten geluidsfragmenten onder de foto’s waren gemonteerd. Opeens hoorde je de mens achter het onderhoudsarme voortuintje.

In de zaal werd voortdurend gegrinnikt. Om de foto’s, maar ook om wat de mensen zeiden. Om het Haagse accent dat bij een van de loempiakramen bleek te horen: ‘Achttien stuks? Hadjû nog sâhs erbè wille hebbe?’ Om hoe absurd weinig mensen te zeggen hebben als ze wordt gevraagd waarom ze in vredesnaam een betonnen Boeddha in hun voortuin hebben. Wat de mannen zeggen is dit: ‘Een leukigheid, meer is het niet, joh.’ ‘Ja, ik heb hem ooit eens voor mijn vrouw gekocht en toen ook neergezet. Want die is nogal op Boeddha’s. Het hele huis staat vol met Boeddha’s, en dat soort dingen.’ ‘Die is van mijn vrouw.’ ‘Dat is een opdracht van mijn vrouw geweest. En dan doet ge maar gewoon mee, hè, nou ja, ik vind het ook wel geinig.’ ‘Een Boeddha? Heb ik een Boeddha in de voortuin? O ja, dat klopt. Doet me helemaal niks. Dat heb me vrouw ooit neergezet maar ik heb helemaal niks met Boeddha’s.’ Wat de vrouwen zeggen is dit: ‘Af en toe een kaarsje ervoor zetten voor een overledene, dat soort dingen.’ ‘Mijn relatie was net uit en toen kreeg ik een Boeddha.’ ‘Ze zeggen: je mag hem niet zelf kopen, maar ik heb hem zelf gekocht.’

Er werd gegrinnikt om de sportscholen die zijn gevestigd naast fastfoodrestaurants en om de gigantische huisnummers die gevels ontsieren. Om de absurde namen die mensen hun huis geven. (‘Op zich heb ik ook wel wat met de naam… Carpe Diem… Pluk de Dag… lukt me zelf niet altijd maar… ik doe me best’.) Om ‘Slagerij Slager’ en om ‘Bakkerij Bakkertje’. En natuurlijk ook om ‘Bakkerij Slager’ en ‘Bakker, uw slager’.

Naast me stonden twee oudere vrouwen te tut-tut-tutten bij iedere volledig betegelde tuin die ze zagen. ‘Grappig’, zei een man achter me iedere paar minuten. ‘Leuk, hè’, antwoordde zijn vrouw telkens weer, ter bevestiging. Bij de versierde kliko’s mompelde iemand in de donkere ruimte hardop: ‘Die is ook leuk…’

Hardop gelachen werd er toen de gevels met vlinders in beeld kwamen en een opgewekte stem zei: ‘Ik kwam hier wonen en toen kwam d’r een man hier aan de deur: mevrouw wat heb u een mooie vlinders. Ja, de Eksjen!’ Toen de tientallen foto’s met identieke gefiguurzaagde HOME-letters in het raamkozijn voorbij kwamen, zei een stem: ‘Dan zie ik zoiets en dan denk ik: ja, dat heeft niet iedereen volgens mij, dan koop ik dat. Want wat iedereen heeft dat vind ik niet leuk, hè?’

Aan welk verlangen beantwoorden de foto’s van Van der Burg? Ik dacht aan snackbar De Smulhoek en naaiatelier De Gouden Schaar, aan de oranje brievenbussen die uit het straatbeeld verdwijnen en aan de raamhorren die je nog maar zelden ziet. Had het iets met nostalgie te maken? Of ging het toch vooral om de distinctiedrift die niemand vreemd is? Was het toch gewoon een onweerstaanbare uitnodiging tot snobisme? Het leek van foto tot foto te kunnen verschillen.

Dat van die nostalgie, dat leek me bij nader inzien toch niet helemaal juist. Het deed sterker denken aan een ander verlangen, een verlangen dat met nostalgie samenhangt maar er toch wezenlijk van verschilt. Een verlangen ook dat ongetwijfeld universeel is maar intussen toch ook zo Nederlands aandoet: het verlangen naar ongecompliceerdheid. Zoals de frase ‘toen was geluk heel gewoon’ eigenlijk niet echt gaat over een verlangen naar vroeger maar over een verlangen naar overzichtelijkheid. Het Nederland dat we door de lens van Jan Dirk van der Burg zien is een Nederland dat van de scherpe randjes van het nu is ontdaan. Een apolitiek land dat niet al decennia obsessief bezig is met de eigen verscheurdheid. Een land van gewone huizen waar gewone levens worden geleid. Een land van kleine gebaren en gebruiken en van mensen die vergeefs proberen zich een beetje te onderscheiden.

Van der Burg is zich bewust van de beperkingen van zijn methode. Of liever: van de onvermijdelijke subjectiviteit van zijn blik. Van hoe particulier zijn ontvankelijkheid als fotograaf is, de ontvankelijkheid die bepaalt of hij in de werkelijkheid die hij aantreft wel of geen foto herkent.

‘Wellicht zie ik in al deze taferelen een goed foto-onderwerp, omdat ik ze ook zo vaak heb bekeken. Ik ben opgegroeid in Zoetermeer en je zou met terugwerkende kracht ook kunnen zeggen dat alle onderwerpen in Typisch Nederland ook ‘Typisch Zoetermeer’ zijn. Het kijken door de lens van mijn eigen herinnering is iets waar ik geen weerstand aan kan bieden.’

We kunnen onszelf nooit achterlaten. En we kunnen het niet laten een imaginair geheel te creëren uit de fragmenten van onze eigen ervaring. We kunnen jarenlang het hele land doorkruisen in een Fiat Panda, maar dan nog zullen we de wereld zien niet zoals zij is, maar zoals wij zelf zijn. Ook dat is natuurlijk een universele conditie. Maar wel weer een die soms zo typisch, typisch Nederlands kan toeschijnen.

Jan Dirk van der Burg – Typisch Nederland (2022) verscheen bij Nai010 Uitgevers