Een boek van horen zeggen

Edda: De liederen uit de Codex Regius en verwante manuscripten. Vertaald uit het Oudijslands en van aantekeningen voorzien door Marcel Otten; ingeleid door Kees Samplonius. Uitgeverij Ambo, 464 blz., \f79,-
De jury, bestaande uit Graa Boomsma, Yves van Kempen, Jacq Vogelaar en Xandra Schutte, koos de Edda tot boek van de maand januari. De andere kandidaten waren:

Marcel Bealu, Onpersoonlijk avontuur (vertaald door Jeanne Holierhoek, uitgeverij Coppens & Frenks, 93 blz., \f34,50). Een surrealistisch ondergangsverhaal waarin de hoofdfiguur er onbewust voor zorgt dat ieder mens in zijn omgeving een in vuur en water wegzinkend eiland wordt.
Marguerite Yourcenar, Fantasie in blauw (vertaald door Jenny Tuin, uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, 85 blz., geb. \f39,90, pap. \f24,90). De drie vroege verhalen van de schrijfster werden pas vijf jaar na haar dood gebundeld. Nu lezen ze als vingeroefeningen die vooruit wijzen naar haar imposante oeuvre.
Maurice Sceve, Delie. Beeld van allerhoogste deugd (vertaling en nawoord Robert de Does, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 160 blz., \f59,90). Wie Delie is mag een raadsel blijven, in elk geval danken we aan haar een serie intrigerende gedichten van tien regels, in 1544 door Maurice Sceve van Lyon gepubliceerd. Honderd daarvan zijn op voorbeeldige wijze vertaald en ingeleid door Robert de Does.
VERRAST WORDEN door een eeuwenoude tekst met naam in de literatuurgeschiedenis, zoiets gebeurt zelden. Meestal zit die faam juist in de weg. Het noodlot van klassieke werken is dat ze vaak genoemd maar weinig gelezen worden. Je komt immers gemakkelijk toe met de vele slagwoorden en superlatieven die er ooit over zijn uitgestort in reeksen studies en commentaren. Er spontaan op reageren is nauwelijks meer mogelijk.
De Edda is een voorbeeld van zo'n werk. Ik had er regelmatig over, nooit in gelezen. Nieuwsgierigheid naar de mij niet zo erg bekende Germaanse godenwereld bracht me ertoe het karwei nu maar eens te klaren. Lezend, bladerend en terugbladerend werd ik steeds enthousiaster over deze bonte verzameling balladen, verzen, (klaag)liederen, visioenen en voorspellingen uit het hoge Noorden, overgeleverd uit de Codex Regius die in 1643 door Bryniolf Sveinsson, bisschop van Skaholt, werd ontdekt. Allemaal teksten die vanaf het jaar duizend zijn ontstaan en die algemeen beschouwd worden als belangrijke laatbloeiers uit de Oudgermaanse poezie.
Er is wel enig geduld nodig om thuis te raken in de vervaarlijke wereld van Goden, Reuzen, Dwergen, Trollen, Heksen en Walkuren die huis houdt rondom de wereldboom Yggdrasil, de es in het middelpunt van het heelal die onder zijn wortels de bron der wijsheid, het dodenrijk Hel en vele kwaadaardige slangen beschutting biedt. Waar de listige eenoog Odin vanaf de Hoge Transen de wereld gemakkelijk overziet en een fascinerende beschrijving geeft van het ‘goudheldere Walhalla’ met omgeving (in Het lied van De Gemaskerde), kwam ik aanvankelijk ogen tekort om me op dit even bizarre als bijzondere rijk te orienteren. Maar waar me dat op eigen kracht niet lukte, waren de aantekeningen achter in het mooi in band uitgegeven boek uitstekende reisleiders.
DE EDDA IS van oorsprong een boek van horen zeggen: de woorden zijn eerst over de tong gegaan voordat ze op papier kwamen. Het zijn dus teksten bedoeld voor toehoorders, tenminste de poezie die in de Codex Regius voorkomt. Want - zo legt Kees Samplonius in zijn gedegen inleiding uit - er is niet een Edda, er zijn er feitelijk twee. De ene is het werk van geschiedschrijver en literator Snorri Sturluson (1178-1241). Die bevat behalve een systematische beschrijving van de Noordgermaanse mythologie ook een glossarium van traditionele beelden uit de IJslandse poezie. Het boek was wellicht bedoeld als handboek voor skalden, dichters met een persoonlijke ambitie die de rapsodische volksdichters aan het verdringen waren. Dit boekwerk wordt ook wel 'de Proza-Edda’ genoemd, ter onderscheiding van de losse verzameling liederen over goden en helden uit de heroische voor-christelijke tijd die in oude handschriften is overgeleverd en waarvan de Codex Regius een bundeling is. De benaming Edda is in de loop der eeuwen langzaam in de richting van deze poezie opgeschoven. Wat tegenwoordig Edda heet, is dus niet een samenhangend en afgerond werk, maar in feite een poetisch genre.
Met het orale karakter van deze poezie hangt ook de markante en deze teksten kenmerkende beeldspraak samen: de 'kenning’. Kenningen zijn samengestelde omschrijvingen van het type 'schip van de woestijn’. Borges rekende deze soms raadselachtige cliches met een geamuseerde knipoog naar de lezer tot 'de kilste dwalingen waarvan de literatuurgeschiedenissen gewagen’. De IJslandse skalden wisten ze later op velerlei manieren te varieren en construeerden er heel wat met een hoge graad van ingewikkeldheid. En wel omdat ze onderdeel waren van een spel tussen de dichter en de toehoorders, met de ontraadseling ervan als inzet. Naast deze kenningen wijzen ook de dialogen, de vele herhalingen van dichtregels die de teksten een vaak ritueel karakter geven, de scheldkanonnades en velerlei reeksen opsommingen op voordracht.
De Edda leidt je een wereld binnen vol rauwe en ongecompliceerde verbeeldingskracht. De taal die erin gebruikt wordt is op de man af, verhult niets en doorloopt allerlei registers: van snaaks tot oerbot, van verheven tot lapidair bondig. Handelingen voltrekken zich flitsend; begrijpelijk, want deze poezie verhaalt over een bestaan waarin het leven maar al te vaak een kwestie is van eten of gegeten worden. Met begrip of overleg kom je dan niet ver. De onderlinge verhoudingen zijn lang niet altijd vreedzaam en in de heldenliederen zelfs uitgesproken wreed. Er bestaat een sociale hierarchie tussen de goden onderling, de Asen, de Wanen (die van oorsprong aardgoden zijn) en de Reuzen. Om er zich in staande te houden gebruikt de ene de list (Odin), de ander, Thor, zijn brute kracht.
GELET OP HUN inhoud zijn de gedichten gemakkelijk in twee groepen op te splitsen. De aardigste verrassingen hebben de mythologische leerdichten in petto. Dat goden wel eens een steek laten vallen was me uit de Griekse mythologie wel bekend, maar ik heb nooit geweten dat het gezelschap rond Odin en de zijnen zo weinig voorbeeldig was. Dat zuipt en schranst, scheldt, tiert, vloekt, vervloekt en gaat vreemd dat het een lieve lust is. En er zitten vermakelijke exemplaren bij.
Vooral Odins zoon, Thor, heeft mijn hart gestolen, de lobbesachtige krachtpatser, God van de donder en verdelger van het Reuzengebroed, die zich in een hilarische scheldscene door zijn eigen vader in de luren laat leggen wanneer die met zijn vrouw Sif wil slapen. Thor schrikt er niet voor terug om zich in een bruidsjapon te hijsen en naar het land van de Reuzen af te reizen om daar zijn legendarische hamer Mjollnir terug te halen die hem was ontstolen. Of om de bierketel onder de klauwen van een leger veelkoppige monsters weg te slepen, zodat de goden zich weer onbekommerd kunnen bedrinken.
Ook de sluwe, boosaardige, ietwat achterbakse Loki mag er zijn, de Ase die vitriool spuit en tweedracht zaait in het godenrijk door ieder zijn of haar hitsigheid, geilheid en perversiteiten in te peperen, totdat Thor hem het zwijgen oplegt door met zijn machtige moker te dreigen.
Absoluut hoogtepunt uit het deel dat de Noordgermaanse goden beschrijft, is 'Het visioen van de zieneres’. Voor de Edda geldt dat er in den beginne het beeld was en dat daarin het einde van hun rijk al is voorspeld. In duizelingwekkende vaart vertelt een Reuzendochter over zaken als de ordening van het heelal, de schepping van Dwerg en Mens, het gevecht van de goden met reuzen, wolven en de wereldslang met als uiteindelijk resultaat de verduistering van de aarde en haar ondergang in vuur. Aan het eind krijgt deze profetie een injectie van christelijk-eschatologische aard wanneer na de godenschemering een heils-tijdperk wordt voorzien onder aanvoering van de lichtgod Baldr, die duidelijk trekken van Christus heeft. Hij is de beste der goden, vrij van fouten, rijk aan deugden en niet in staat tot geweld.
Temperen sprookjesmotieven, burleske passages, hilarische toestanden en magische gebeurtenissen het geweld in de godenverhalen, in de nog bijna barbaarse heldenliederen wordt alles bloedige ernst. Geografische benamingen als Keiheide en Het Sombere Woud typeren de sfeer die rond figuren als Helgi, Sigurd, Gudrun en Brynhild hangt. Bloeddorst, wraak en bloedwraak, wapengekletter, driften, wrok, bedrog en gespierde taal beheersen de levens van deze woestelingen, die op onsterfelijke roem uit zijn. Maar heldendaad en heldendood liggen nogal eens dicht bij elkaar, zodat ze meestal tragisch ten onder gaan. Alleen in een enkele monoloog van de hartstochtelijke Brynhild (de Brunhild uit het Nibelungenlied) smelt het oude erts van het heldendicht enigszins en klinkt er een gevoeliger toon op.
VOOR MARCEL OTTEN moet de vertaling een krachttoer zijn geweest. Ze is uitstekend leesbaar, mede dankzij twee ingrepen die specialisten hem misschien niet in dank zullen afnemen maar die de liederen wel dichter naar deze tijd halen. Hij verving de oorspronkelijke versbouw door modern proza. Verder zocht hij voor bijnamen van goden, dierennamen, namen van bovennatuurlijke wezens en bijfiguren uit de heldenliederen Nederlandse equivalenten. En dat levert dan weer poezie op, zoals uit deze opsomming van een deel van Odins bijnamen blijkt: 'De Ware, De Veranderlijke, De Vorser, Legerlust en Stoker, Zonderoog en Vlammenoog, Verberger en Booswerker, De Vermomde en De Gemaskerde, Verleider en Zeer Wijs. Gehuld In De Hoed, Hangbaard, Zegevader, Opstoker, Alvader, Walvader, Strijdruiter, God Van De Last.’