Interview Tom Lanoye, monsterschrijver

«Een boek voor de wanhopigen van geest, iets heel schoons»

In zijn ‹Monster›-trilogie ontleedt Tom Lanoye het Vlaanderen van eind twintigste eeuw. Ook in het laatste deel, ‹Boze tongen›, houdt de schrijver de vinger aan de pols van de maatschappij: «Ik gebruik monsterlijkheid als een katalysator om een veel grotere crisis en een veel ruimer gevoel van onbehagen duidelijk te maken.»

Boze tongen (Prometheus) is het sluitstuk van de België-trilogie die Tom Lanoye vijf jaar geleden opzette met Het goddelijke monster en drie jaar geleden uitbreidde met Zwarte tranen. De geestige, scherpe roman openbaart in een apocalyptische finale het louterende lot van Katrien Deschryver, argeloze verwekster van rampen. Na de ongewilde moord op haar man verspreidt haar drama zich, als de pest, en treft haar hele familie en hun tapijtimperium, en zelfs haar uiteenvallende land in het hart van Europa. In de Monster-boeken toont Lanoye een verbijsterende travelling langs het Vlaanderen van het eind van de twintigste eeuw; de trilogie is als een soap in een regie van Quentin Tarantino.

Behalve een romanproject rondt Boze tongen ook een tien jaar omspannende trilogie van trilogieën af: de drie Monster-boeken, de driedelige Shakespeare-bewerking Ten oorlog! en drie columnboeken — Doen!, Maten en gewichten en Tekst en uitleg. In die tien jaar ging het opvallend vaak over monsters.

Tom Lanoye: «Ik gebruik monsterlijkheid als een katalysator om een veel grotere crisis en een veel ruimer gevoel van onbehagen duidelijk te maken. In Mamma Medea botsen culturen en vermaalt de passie een huwelijk. Ten oorlog! gaat over mensen die ten onder gaan omdat ze macht uitoefenen: de kroon verplettert de persoon. In de Monster-trilogie wordt de essentie van de persoon verpletterd door het beeld: Katrien voelt zich niks waard, maar is zo knap dat iedereen zijn wensdromen en fantasieën op haar projecteert. In de eerste twee delen ontsnapt Katrien aan de illusie van een eigen leven, een eigen stem, een eigen persona. Die komt bij de verminking; pas als monster wordt ze mens.

De neergang van het menselijk lichaam is sowieso een tragikomedie: ouder worden, aftakelen, sterven. Daar komt nog de tragi komedie bovenop van de tweespalt tussen liefde en seks, plus die van de onmogelijkheid tot echte communicatie. Over die drie tragikomedies gaan de Monster-boeken, én vooral over deze tijd, die wordt geplaagd door versplintering op alle vlakken.»

Sinds zijn debuut houdt Tom Lanoye de vinger aan de pols van de maatschappij. In 1988 luidt het in een interview met Humo: «Ik wil schrijven uit mezelf, mezelf in deze tijd, en over deze tijd wil ik zoveel mogelijk in mijn werk naar binnen halen.» Vijf jaar later verklaart Lanoye aan het literaire tijdschrift Yang dat de vragen «wat zit in mij, wat is deze tijd waarin ik moet leven» hem interesseren en dat zijn boeken ontstaan op «de kruising van die twee rechten: ikzelf en de maatschappij». Hier toont Lanoye zich erg verwant met Louis Paul Boon. In 1948 noemde die in Front de romanschrijver een seismograaf: «De kunstenaar is de tolk die uitspreekt wat alle anderen hebben gedacht maar niet in woorden vermochten te brengen. De kunstenaar is de seismograaf die iedere menselijke en maatschappelijke trilling neerschrijft.» Net als Boon wil Lanoye in zijn boeken plaats maken voor het geritsel in de ziel van zijn tijdgenoten en voor een kritische analyse van de wereld-van-vandaag.

Tom Lanoye: «De grote mythen van de Belgische politiek van de laatste vijftien à twintig jaar zijn in de Monster-boeken verwerkt. Maar ik heb ervoor willen zorgen dat de blik van de lezer niet beperkt blijft tot de actualiteit, zodat de boeken ook door niet-ingewijden en ook over twintig jaar nog gelezen kunnen worden. Ik heb een soort niemandsland opgezocht tussen een roman pur sang en een sleutelroman. Geen enkel personage valt dan ook volledig samen met iemand uit de werkelijkheid.

Het was niet de bedoeling letterlijk uit te leggen hoe België in elkaar zit, ik wilde eerder een klimaat voelbaar maken. Deze boeken zijn geen bijsluiter bij een land, eerder een soundtrack bij een land. De werkelijkheid is wrakhout, en dat gebruik ik vrijelijk. Als mensen zich willen herkennen in personages mag dat van mij, maar dat is niet de bedoeling. Ik ben me van geen kwaad bewust (lacht). Waarom kennen wij in een land dat zo’n overspannen relatie met de werkelijkheid heeft zo weinig faction, vermenging van feit en fictie? In Amerika worden waarheid en verdichting wel vaker in hetzelfde stramien gebruikt, kijk maar naar de boeken van Don DeLillo, James Ellroy en Jonathan Franzen, naar The Godfather, naar een aantal films van Oliver Stone, naar The Sopranos…»

Ook de schrijver heeft wrakhout geleverd voor de recyclagemachine die zijn roman trilogie is. Het goddelijke monster sneert naar zijn bestseller Kartonnen dozen («tranerige zelfbekentenissen van de bruinwerkers die zich de laatste tijd op de schone letteren wierpen zoals maden op een biefstuk»), Zwarte tranen bevat een streng zelfportret («die kleine ronde fluitketel met zijn bril die meer op de tv kwam dan dat hij boeken schreef»).

Tom Lanoye: «Als ik dat zo bij elkaar hoor, denk ik er sterk aan mezelf een proces wegens smaad aan te doen. Zeker als de verkoop niet mocht vlotten (lacht). Ook via mijn personages geef ik mezelf bloot en val ik mezelf aan. Zo maak ik het mezelf bijvoorbeeld niet al te makkelijk als ik het janettenmilieu in een aantal van zijn extreemste vormen beschrijf. Ik zie niet in waarom ik in redelijk harde boeken plots mild zou worden als het over janetten gaat. Het ontbreekt de janetterij aan enige zelfkritiek en zelfrelativering. Ik moet ook geregeld Herman Brusselmans verdedigen. Op hun taas getrapte nichten komen wel eens bij mij klagen dat Herman zo homofoob is. Maar Herman is gewoon foob tout court. Ik zou me beledigd voelen als hij op alles en iedereen zou schelden maar niet op de janetten.»

Hoe selecteer je uit het overweldigende materiaal dat de werkelijkheid je dagelijks aanreikt?

«Ik weet uiteraard waar het heen moet en volg vanuit dat perspectief het nieuws. Af en toe hebben zich merkwaardige toevallig heden voorgedaan. De werkelijkheid leek te gebeuren om mijn fantasie te bevestigen. Ik had niet voorzien dat de Twin Towers zouden verdwijnen, maar ze komen wél al uitgebreid aan bod in de eerste twee delen. Die passages kun je niet lezen zonder aan de aanslagen te denken. Dat zijn de perfide gelukkige momenten van een schrijver.»

«De dichter is een ziener», menen Apollinaire en Claus.

«Deze trilogie gaat over beeldengekte en beeldenstrijd. Als ik met de symbolen van de belgitude aan de slag ga — het Atomium, de chocoladen zeepaardjes, de Gilles van Binche — kan ik toch moeilijk over New York schrijven zonder ’t over de Twin Towers te hebben? Die torens zijn trouwens in the first place uitgeschakeld omdat het zichtbare symbolen zijn in een maatschappij die beeldengek is.

Vrij komisch vond ik dat in de nasleep van 11 september in Nederland ineens paniek ontstond; men vreesde dat terroristen de tunnels onder het IJ viseerden. Het leger rukte uit, wat sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer gebeurd was. Dat leek me compleet krankjorum, de daders zijn immers zuivere beeldenstormers: ze hebben twee iconen neergemaaid, zoals ze eerder in Afghanistan twee boeddhabeelden hebben neergehaald. De tunnels onder het IJ waren volgens mij niet bepaald target number one.»

De seismograaf Lanoye zocht ook een literaire aanpak die bij deze tijd paste. Vanaf het prille begin mengde hij allerlei soorten stijlen en genres door elkaar en graaide hij zonder enig onderscheid in het materiaal en de referentiekaders die zowel de zogenaamd hogere als de zogenaamd lagere cultuur hem aanreikte. Zo heeft de Monster-trilogie, waarin een familie centraal staat, de structuur van een soap. Het gedicht «Programma» uit de bundel Hanestaart duidt die genre- en stijlvermenging: «Geef mij dan maar het favoriete/ snoepgoed uit mijn jeugd. De/ toverbal. Je zuigt en zuigt/ maar, telkens komen er andere/ kleuren te voorschijn en voor/ je ’t weet, heb je helemaal/ niets meer. Dát is het, vind/ ik. Zoiets. Ongeveer.»

Tom Lanoye: «Ik heb geluk dat ik in deze tijd leef en met die verscheidenheid aan de slag kan. Het ligt in mijn temperament zoveel mogelijk genres en stijlen te beoefenen. Ik zie deze trilogie als pop-art — dat past bij België én bij mij. Ik ben van de Expo-generatie, Belgische babyboomers, geboren in 1958, jaar van de Wereldtentoonstelling in Brussel. Wij hebben de massacultuur zien opkomen. Veel schrijvers doen alsof tv een tijdelijk fenomeen is, ik wend dankbaar de vormontdekkingen en de dramaturgie van tv en film aan.

De trilogie wordt ook boek na boek literairder. De passage over de tantes in Frankrijk varieert bijvoorbeeld op Celibaat van Gerard Walschap, met Katrien als een omkering van het Heerken en Lucien als een mannelijke versie van Lucie uit dat boek. Ik wil me amuseren als ik aan het schrijven ben. Zo heb ik het personage van Hannah Gramadil gelicht uit Tales of the City van Armistead Maupin, niet toevallig iemand met een band met Andy Warhol. Maar dat mag allemaal het verhaal niet in de weg staan. Ik wilde het verhaal celebreren, bewijzen dat alle zever over de dood van het verhaal onterecht is. Als we een tijdje geen grote verhalen gekregen hebben, wil dat alleen zeggen dat de grote vertellers óf dood waren, óf zich lieten intimideren.

Elk van mijn personages zoekt een breder kader, een groter verhaal en verliest steeds meer in die zoektocht. Telkens weer loopt een ontsnapping met een sisser af. Ze vinden het grote verhaal niet, maar dat op zich is dan wel een fucking groot verhaal. Er is momenteel een zeer grote onzekerheid over het wat het verhaal van deze tijd zou kunnen zijn, daar weten ze in Nederland over mee te spreken. Het poldermodel zorgde jarenlang voor een vreedzame status-quo. Maar dat is nu weg, ik hoor politieke discussies oplaaien waar wij in Vlaanderen vijftien jaar geleden al komaf mee hadden gemaakt. Er is terug een zoektocht naar een groot verhaal, naar een grote allesomvattende uitleg.»

Over die serieuze lading van je werk heeft men, vooral in Nederland, massaal heen gelezen. Beneemt je zucht naar entertainment misschien het zicht op de rest?

Tom Lanoye: «Wat moet ik doen? Een bijsluiter bij mijn boeken stoppen? Ze zijn nu al zo dik!

Als ik kunst maak, moet die in de allereerste plaats entertainen, maar tegelijk schiet ik wel door het entertainment heen. Een ander soort kunst is mogelijk — ik ga er zelfs naar kijken, maar het interesseert me niet die te maken. Toen De Bezige Bij jaren geleden de campagne Ik schrijf niet voor Jan Lul lanceerde, wilde Jules Deelder niet meedoen, onder het motto: «Ik schrijf óók voor Jan Lul». Mijn gedacht! Ik zou ook iedereen in de schouwburgen willen krijgen, en zelfs niet alleen voor stukken van mij.»

Hoe komt het volgens jou dat ‹Het goddelijke monster› en ‹Zwarte tranen› in Nederland zo slecht ontvangen zijn?

«Om te beginnen valt dat wel mee met die slechte ontvangst, en blijven de boeken zelf lopen, vooral in het theatermilieu. Gerard-Jan Rijnders en Titus Muizelaar kennen de eerste twee delen bijna van buiten. Maar het verschil in ontvangst is inderdaad opvallend. Misschien staan de boeken literair te ver af van wat en hoe er in Nederland doorgaans geschreven wordt. Ik heb echt het gevoel dat schrijvers in Vlaanderen tegenwoordig vrijer zijn en meer durven dan in Nederland, waar het klassieke en het degelijke nog altijd regeren — op een aantal lofwaardige uitzonderingen na.

Ik haat het unisono in de letteren, ik leef juist bij de gratie van de stijlbreuk, de genrevermenging, zeg maar: de literaire polyfonie. Ieder personage heeft zijn eigen stijl, zijn eigen idioom, zijn eigen klankkleur. Niet alleen in wat hij zegt maar ook in wat over hem wordt meegedeeld. Elke figuur heeft als het ware ‹zijn› of ‹haar› hoofdstuk, en in het laatste hoofdstuk schieten al die stemmen nog eens dooreen. Voor wie houdt van een rustig kabbelende uniforme stijl is dat schrikken. Ik ga in tegen het gangbare beeld van een schrijver in Nederland en wek daardoor wel eens woede. Die woede is dezelfde als die van Volkert van der G. — ook iemand die alles binnen de lijntjes wilde houden en vond dat iemand afgestraft moet worden als hij een totaal ander wereldbeeld heeft, een enorme vrijheid uitstraalt en zegt dat er geen regeltjes zijn.

Of misschien snapten Nederlanders niet elk detail, en dachten ze daarom dat die boeken alleen voor Belgische lezers bedoeld waren. Mij heeft zoiets nooit belet om heel Nederlandse boeken te lezen, van Van der Heijden, Van Dis of Grunberg. Ik vind het sowieso erg dat Nederland en Vlaanderen steeds verder uit elkaar lijken te groeien. We weten, door film en tv, op den duur meer af van de binnenstad van Seattle dan van elkaar. En sorry, hoor, vooral Nederlanders weten niks van Vlaanderen. Een paar weken geleden moest ik op de radio uitleggen wie de strijdende partijen waren in de Eerste Wereldoorlog, en hoe die in godsnaam in België waren beland!

De begrafenis van Pim Fortuyn was in Vlaamse ogen duidelijk een kruising tussen de begrafenis van Koning Boudewijn en de Witte Mars. Toch heb ik niet één Nederlands stuk gelezen waarin op die parallellen gewezen wordt. Dat is doodjammer, want zo ontzeggen de Nederlanders zich een instrument om te ontleden wat er aan het gebeuren is. Ze zouden kunnen inzien dat die gebeurtenissen kaderen in de tijd, dat de fenomenen die zich voordoen lang niet zo uniek zijn als ze denken en dus ook lang niet zo bedreigend zijn.»

Denk je dat ‹Boze tongen› na de gebeurtenissen in Nederland anders ontvangen zal worden?

Tom Lanoye: «Ik ben benieuwd. Er heerst in elk geval een andere geestesgesteldheid in Nederland: er wordt tegenwoordig gediscussieerd over de werkelijkheid, de verdraaiing van de werkelijkheid en welk effect die heeft op mensen. Tot voor de opkomst van Pim Fortuyn spraken mijn Nederlandse vrienden meestal academisch over politiek. Ik had het gevoel dat Nederland onder een grote stolp leefde en dat de écht grote items — migratie en wat dat met de politiek doet; de economische grootschaligheid van Europa en de gevolgen ervan op lokaal vlak — gewoon werden ontkend door de uitvinders en de beheerders van het poldermodel. Ze leefden in de waan dat die grote politieke stormen aan hen voorbij zouden gaan en dat die dus niet echt ingrijpend waren. Dat is nu helemaal anders; ik spreek met mijn Nederlandse vrienden nog bijna uitsluitend over politiek. En nog wel over die van hen, in plaats van over die van ons.

Merkwaardig genoeg heb ik zes jaar geleden een gevangene bedacht die na een grote ramp geen woord zegt. Volkert van der G. is een soort Katrien Deschryver: een scherm waarop iedereen met stellige zekerheid zijn mening over een moord kan projecteren. Van der G. is een crimineel — er is geen ander woord voor — maar wel een postmoderne crimineel: hij gebruikt de stilte en laat die — al dan niet bewust — door iedereen invullen. Dat is vreselijk kwalijk. Als ik zou mogen kiezen — voor zover je dat soort intellectuele spelletjes mag spelen — kies ik nog voor het Belgische monster, Dutroux, die informatie blijft spuien en daardoor óók de waarheid toedekt. Door zich helemaal tegenovergesteld te gedragen, bereiken beiden hetzelfde: echte communicatie wordt onmogelijk, de frustratie groeit. Maar ook die parallel wordt niet opgemerkt, in Nederland bericht men enkel grijnzend dat het proces van Dutroux weer eens uitgesteld is.»

Het is natuurlijk niet leuk als gidsland parallellen op te moeten merken met het Italië van het Noorden.

«Stilaan kunnen de Nederlanders toch niet anders meer, onlangs is weer een gigantische bouwfraude aan het licht gekomen. Sinds enige tijd vindt zelfs de idee ingang dat die schandalen iets uitdrukken van een gemeenschap in een bepaalde periode. Dàt is precies waar het me in mijn Monster-trilogie ook om gaat. Dat doet me vermoeden dat Boze tongen op meer begrip zal kunnen rekenen dan Het goddelijke monster en Zwarte tranen.»

Troost je je met de gedachte dat je in Duitsland, voor je toneelwerk, op handen gedragen wordt?

«Geen kwaad woord over de Duitsers! Ze zijn geweldig, eigenlijk zijn ze gewoon aan herstelbetalingen bezig, in mijn persoon weliswaar — figuurlijk gesproken ben ik dan ook een jood (lacht). Maar het is allemaal ook bijzonder relatief: een van de actrices uit Schlachten, de Duitse versie van Ten oorlog!, is me met blinkende oogjes komen vertellen dat ik in I.M. voorkwam — Connie Palmen had met dat boek een gigantische hit in het hele Duitse taalgebied. Plots stond ik heel hoog in haar achting; dat ik Schlachten geschreven had, verzonk in het niets bij die vermelding in I.M.»

Tom Lanoye is geen schrijver die boven zijn boeken zweeft en monkelend het ijdele gekonkel van de mens gadeslaat. He’s one of us, de seismografie van de laat-twintigste-eeuwse ziel gaat niet voorbij aan de eigen schrijversziel. «Ieder beest bidt op zijn manier» luidt het aan een column ontleende motto van Het goddelijke monster. De Deschryvers doen dat niet bepaald (meer) volgens de voorschriften van hun geloof; de schrijver van hun drama bidt door een roman te schrijven, daarin begrip te tonen voor alle personages en zichzelf op die manier een net zo kwetsbare inwoner te tonen van «dit oord van peis en vree, dat plagen zal kennen, moord en verval, en rampen zonder tal».

In 1997 sprak Lanoye in zijn Boon-lezing voor het eerst over de Monster-trilogie: «iets heel kunstigs, iets lichtvoetigs, iets dat troost verschaft aan de machtelozen zoals ik, een boek voor de wanhopigen van geest, iets heel schoons».

Tom Lanoye: «Het heeft bloed, zweet en tranen gekost, maar het is zoiets geworden (lacht). Die uitspraak heeft natuurlijk een licht ironische toets, maar zo zegt men in sommige gevallen nu eenmaal het makkelijkst de waarheid. Het is toch een mooi uitgangspunt voor een boek in deze moeilijke tijden?»

Wilde je troost bieden?

«Iemand moest het doen. Het is immers nefast voor de gezondheid van dit land dat het proces van Dutroux zo lang uitblijft. Een geslaagd proces is immers een goed theaterstuk van de hand van Arthur Miller waarin voor het publiek, voor alle actoren en voor de beschuldigde alle mogelijke elementen samengebracht worden, het verhaal gereconstrueerd wordt en er aan het eind een loutering is. Daarom zou het een grote ramp zijn als Volkert van der G. sterft vóór zijn proces. Ik vind dat de Nederlandse gemeenschap het recht heeft hem aan de baxter, desnoods met foie-gras, te leggen. Nederland wacht op loutering, zoals ook ons land een loutering in de zaak-Dutroux onderhand érg nodig heeft.»

Zou het niet louterend werken als ‹Boze tongen› komaf maakte met alle losse verhaaldraadjes?

«Die losse draadjes maken het boek juist sterker. De trilogie heeft de vorm van een soap, maar de meeste soaps hebben geen impact omdat ze elk verhaaldraadje heel gedetailleerd afwerken. De series die ik bewonder — The Sopranos, Twin Peaks, The Singing Detective — houden aan het eind iets raadselachtigs. Of lees De Vlaschaard van Stijn Streuvels: vader slaat zoon neer, het komt tot een confrontatie aan diens ziekbed, maar het blijft een raadsel of de zoon sterft.

Ik mag hopen dat het mysterie na de laatste bladzijde blijft hangen, liefst nog enige tijd. Het móet onduidelijk blijven wat er in de slotscène exact gezegd wordt, de trilogie móet eindigen met een frustratie — dat is immers de kern van de zaak: het besef nooit de volle waarheid te zullen kennen is het frustrerende basisgevoel dat elke Belg aan de afgelopen twintig jaar overhoudt. Dat wil ik laten voelen, niet door zoals in een column de dynamiek van het complotdenken bloot te leggen, maar door ’m 1300 bladzijden lang te laten functioneren. Om die galm, die echo was het me te doen.»

Zorg je daarom in je trilogie zelf maar voor een loutering middels een Grieks koor van gestorvenen?

«De essentie van elk afscheidsritueel — een missa solemna, maar net zo goed een samengeraapt ritueel van een aantal ongelovigen — is: vorm geven aan verdriet. Literatuur is een collectieve vorm voor een collectieve opschudding.

Het gaat uiteindelijk toch om mensen die allemaal al staan te sterven van het moment dat ze geboren zijn. Ik vind niet dat je kunt schrijven over het leven in een bepaalde tijd en gemeenschap zonder de dood van de mensen uit die gemeenschap erbij te verzinnen. Aan het eind is het koor aangegroeid tot zeven verschillende stemmen, die het leven en de dood, België, zichzelf en alles waar ze voor gestaan hebben becommentariëren. Het is waarschijnlijk een heel oude truc, maar hij werkt verdomd goed: hij biedt de kans alle grote conflicten ten top te drijven — vadermoord, broedermoord, zustermoord, zelfmoord — en lekker vet te ensceneren in een heerlijk stukje theater.

De doden moesten ook blijven leven omdat de trilogie een soap is: in soaps vallen personages weg, om nadien doodleuk toch weer te komen meespelen, ook al zijn ze doodgeschoten — het Bobby Ewing-syndroom, zeg maar. Ik wilde mijn personages ook bijhouden, zij het op een minder platte manier.»

Tom Lanoye

Boze tongen

Uitg. Prometheus, 439 blz., € 19,95