Een bom in atlanta

Alfred Kossmann beschreef in NRC Handelsblad hoe een opdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunst tot het schrijven van een biografie over Victor van Vriesland verzandde. Om te resulteren in een roman waarmee hij een prestigieuze literatuurprijs won. De openingsscene van Kossmanns stukje kende ik uit ervaring. Telefoon. ‘Met Fens.’ Veel komt die naam niet voor, maar wanneer iemand mij belt met de aanhef ‘Willem-Alexander’, geloof ik ook geen moment met de kroonprins van doen te hebben. Dus nam ik niet aan in gesprek te zijn met de befaamde hooggeleerde.

Een hagelslagmerk, flitste door mijn brein, en toen sprake bleek van een schrijfopdracht der gemeente dacht ik, als in een quiz, aan ‘ambtenaar kunstzaken’. Dit alles was secondenwerk want de aarzeling 'ja’ te zeggen werd gerespecteerd maar ook gepareerd met suggesties hoe het karwei aan te pakken, suggesties die, gegeven in Wie van de drie, de ware Fens onmiddellijk zouden verraden. Ik accepteerde. Het essay moest handelen over 'verleden, heden en toekomst van de televisie’. In verband met die toekomst werd me verzocht een ideale zender te beschrijven die als naam zou dragen (tevens gesuggereerde werktitel) Het vijfde net. Nee, dit alles speelde niet in de jaren zeventig; nog maar vier jaar geleden telden we drie publieke zenders en een commerciele en zo kon 'vijf’ nog staan voor een mooie droom. Toen ik, zomer '92, aan mijn missie begon (Ellen van Langen won goud, ik fietste rond Gorredijk en peinsde me suf over een opzet) plaatste ik gehoorzaam die titel op wat het voorblad moest worden. De kop was er tenminste af. Nu alleen nog een essay.
Dat het, vier jaar later, nog altijd niet klaar is, heeft vele oorzaken. Naast de weidsheid van de opdracht (schrijf maar eens een verhandeling over 'het gedrukte woord’, 'goed en kwaad’ of 'het menselijk bestaan’) speelde onder meer mee dat wat ik vandaag over de stand van zaken schreef, morgen blijkens het ochtendblad achterhaald was. Deed de Nederlandse televisie het veertig jaar met een, later twee netten, in vijf jaar kwamen er tien bij. Drie, vier en vijf zijn onder die namen bekend, SBS en Veronica vochten om plaats 6, Euro noemde zich 7, Arcade leverde een popzender en eentje voor befaamde series uit vervlogen tijden. Elke regio heeft minstens een eigen kanaal (Amsterdam telt er twee) en Staatsen en Postema gaan ons hand in hand voor, de eenentwintigste eeuw in, met een zender die eindelijk eens positief over sport zal berichten. Dus fiets ik deze zomer rond Ravenstein, terwijl de Holland Acht goud wint, een bom in Atlanta twee slachtoffers maakt, en ik me suf peins over het essay. Dat steeds meer het karakter krijgt van 'het schuurtje’ uit Pinters The Caretaker, dat door de hoofdpersoon eerst gebouwd moet worden voor hij de puinzooi van z'n leven aan kan pakken. Dat schuurtje kwam er nooit. Even denk ik erover me neer te leggen bij verzanding. En een novelle te schrijven over een mannetje dat worstelt met een televisie-essay. En daarmee Ako en Libris te winnen. Maar Kooi is geen Kossmann. Dus tob ik door met een essay dat inmiddels Het dertiende net moet heten.