Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Een boom denkt om te beginnen aan zichzelf’

‘Heb uw naaste lief als uzelf’, kreeg de kleine Martin van zijn katholieke moeder ingelepeld. Het zei hem niets, met een kopstuk van de communistische staatspolitie als buurman. Pas als volwassen man, onder een bloeiende lindeboom, ging het hem dagen.

Medium met 20tekst 20imgp8345

Wanneer hoorde u voor het eerst van naastenliefde?

‘Met een filosoof als echtgenoot liet mijn moeder diepzinnigheden graag aan mijn vader over. Alleen als ze uit de bijbel citeerde voelde ze zich superieur. Dat deed ze zo nu en dan, uit de bijbel citeren, om me voor zelfoverschatting te behoeden. Natuurlijk vond ik mezelf fantastisch. Ik moest wel. Wij waren de paria’s onder het regime. Credits kregen we alleen van mensen die ook paria’s waren. Van andere vijanden van het volk, zoals de communisten ons soort mensen noemde. Wij hadden alleen onszelf om ons aan op te trekken. Om niet te verzuipen in het politieke moeras moesten we ons opblazen als kikkers. Ook mijn wijze vader deed het, om er zogenaamd boven te staan.

Als mijn vader en ik weer eens zaten te pochen over mijn tennisoverwinningen zuchtte mijn moeder boven het pruttelende avondeten dat ook uit slechts aardappelen kon bestaan: “Páví rodina”, Pauwenfamilie. Zo stond het dan niet precies in de bijbel, maar nederigheid werd van een christen wel vereist, had ik van mijn moeder al snel begrepen. Zo zag ik volgens haar ook regelmatig de splinter in andermans oog terwijl ik de balk in het mijne over het hoofd zag. En natuurlijk: “Miluj svého blizního jako sebe samého.” Het rijmt ook nog in het Tsjechisch: heb uw naaste lief als uzelf.

Daar heb ik me dus tegen verzet. Als mijn zestien uur per dag ploeterende moeder het zei, bedekte ik haar gezicht meteen onder de kusjes en voegde eraan toe: “Maminko, je wilt toch niet dat ik net zo veel van kameraad Svatúnková houd als van jou?” De kameraad was onze buurvrouw, de echtgenote van een kopstuk van de Tsjechoslowaakse geheime dienst. Een schoft die zich gelukkig een paar jaar later een kogel door zijn kop joeg. “Dat komt omdat je van hem hield als van jezelf”, plaagde ik mijn moeder. “Die liefde knaagde aan zijn geweten, wanneer hij zijn daden overzag. Door zijn geweten wakker te schudden heb je hem in wezen vermoord.”

Bij zijn begrafenis, waar onze familie voltallig bij aanwezig was, was ik het die van alle aanwezigen het meest hartverscheurend huilde. Trots was ik op dat nummer, in het besef dat ik daarmee het straatcomité, dat over het gedrag van onze familie moest rapporteren, in verwarring bracht. Om te kunnen huilen dacht ik aan een ware vriend, meneer Urban, die in de uraniummijnen crepeerde op dat moment. Naastenliefde voor je beul voelen op het moment dat het gas uit de douchekop komt, of als iemand klaar staat je keel door te snijden omdat je de koranverzen niet uit je hoofd kent, lijkt me een hele opgave. Daar moet je waarschijnlijk verlicht voor zijn.’

Bespeur ik irritatie? Boosheid?

‘Ja, ik ben regelmatig boos op mezelf. Sporadisch op anderen, dat heb ik afgeleerd. “Jongeman, wilt u daar bij de boom plassen en niet hier tegen m’n deur?” of “Let op met je scooter, je rijdt die oude dame bijna dood”, ik zeg het niet meer. En ik ben helaas niet de enige. Die oude vrouw moet maar een busje spray in haar handtasje meedragen en daarmee rondspuiten als het haar te gortig wordt. Of misschien mag ze straks een pistool. Amerika is ons voorbeeld en waanzin bestrijd je nu eenmaal met waanzin, dat vindt men daar onvermijdelijk.’

Dat meent u toch niet?

‘Natuurlijk zou ik liever in een maatschappij leven waarin waanzin slechts bij uitzondering voorkomt. Maar dat is een maatschappij die de oorzaken aanpakt en niet slechts de symptomen bestrijdt. Die maatschappij krijgen we wellicht na de Derde Wereldoorlog. Wie overblijft zal zich hopelijk bezinnen. Zo niet, dan blijft er op den duur niets en niemand meer over.’

Bent u pessimistisch?

‘Ik was het al toen het glas half vol was. Nu het glas zo goed als leeg is, is wie nog optimistisch blijft een gevaarlijke idioot. Jihadisten zijn optimistisch. Die menen het antwoord te hebben op de westerse decadentie.’

‘Als de nachtegaal de lente al lang had aangekondigd, liep ik nog altijd voor gek met een wintermuts’

Wat moeten we dan?

‘Inzien dat zelfmoord even erg is als moord. Ik betreur zowel de slachtoffers als de daders, de kamikazes. Wij zijn zo langzamerhand allemaal, over de hele wereld, kamikaze. Daar werd in Parijs net nog een klimaatconferentie aan gewijd. Of neem nou de miljoen Nederlanders die tegen een burn-out aan zitten. Wat we daaraan moeten doen? Een rijdende trein kun je niet repareren. Eerst moet hij tot stilstand komen. In die zin, onbedoeld, bewijzen de jihadisten ons wellicht een dienst.’

Vroeger was alles beter, nu u 67 bent?

‘Zeker niet. Waanzin was er altijd, maar de wapens konden minder. Met de Tweede Wereldoorlog leek de limiet te zijn bereikt. Die oorlog vroeg om bezinning. Maar in plaats daarvan zijn we als razenden aan de wederopbouw begonnen en is het moment van bezinning ongemerkt voorbij gegaan. Wij kregen het druk-druk-druk. Het is nooit meer gestopt. Nu hebben we een burn-out, maar aan bezinning zijn we nog steeds niet toegekomen. Onze geest en ziel houden ons niet bezig. “Wat wil je later worden?” “Hoeveel verdient het?” vragen we de laatste zeventig jaar aan elkaar. Mochten we door een enorme schok nog een kans krijgen op bezinning, dan hoop ik dat we die aangrijpen. Dat liefde werkelijk een thema wordt, in plaats van alle vuiligheid die in naam van dat meest misbruikte woord opborrelt.’

Dat is waar ook, terug naar naastenliefde.

‘Als u maar niet denkt dat ik Moeder Teresa zeg, of liefdadigheid. Ik zeg lindeboom. Boven het graf van mijn ouders drong in één keer tot me door wat naastenliefde is. Het was zo’n twee jaar na de val van de Muur. Ik mocht weer regelmatig terug naar mijn vaderland en daar stond ik dan met m’n herinneringen boven het graf van mijn ouders. Het was stil om me heen, op het gezoem van de bijen na. De lindeboom was in bloei, zijn geur verspreidde zich over het kerkhofje waar mijn ouders rusten. Het ligt net buiten Praag, midden in de korenvelden, bij een Romaans kerkje. Ook ik werd steeds stiller en stiller en kleiner en kleiner…’

Ga door.

‘Op de kraamafdeling van de Praagse kliniek Bubenec noemden ze mij “vader”. Zo groot was ik naast mijn collega-baby’s. Mijn moeder straalde. Maar de dienstdoende arts brak haar trots toen hij zei: “Moedertje, voorzichtig met vader. Hoe groter de baby, des te kwetsbaarder. Ze gaan bij het minste of geringste uit als een nachtkaars.”

Die opmerking wierp een schaduw over mijn jeugd. Als andere kinderen met korte mouwen naar buiten mochten, moest ik een trui aan. Als de nachtegaal na zijn terugkeer uit warme landen in Praag de lente al lang had aangekondigd, liep ik nog altijd voor gek met een wintermuts. Maar op een dag maakte mijn moeder het echt te bont. Op het buurtvoetbalveldje brak ik net door de vijandelijke defensie toen mijn moeder mij de weg naar het lege doel versperde. Trefzeker stak ze haar hand onder mijn doorzwete hemd en riep: “Naar huis!” Alle aanzien dat ik bij mijn leeftijdgenootjes in de loop der jaren had verworven was in één keer weg. Van natuurlijke leider was ik gedegradeerd tot moederskindje.

Ik was acht en van mij hoefde het niet meer. Tijdens de gebruikelijke zondagse familielunch raakte ik het eten niet aan. Mijn moeder legde haar hand op mijn voorhoofd: geen verhoging. Ze begreep er werkelijk niets van. Mijn vader voelde mijn geestesgesteldheid messcherp aan. Terwijl mijn oudere broers gulzig mijn lievelingsgerecht svícková onderling verdeelden, sprak hij plechtig tot mij: “Martin, je bent geen kind meer. Vandaag ga jíj het bier halen.”

Verschrikt keek mijn moeder mijn vader aan. Heel even had ze de aanvechting om hem tegen te spreken, maar ze zag ervan af. Gelaten haalde ze de stenen bierkruik uit de kast, spoelde hem om en vulde hem met koud water. “Pas voor de deur van de kroeg het water eruit gooien”, zei ze, “want vader houdt van stevig schuim. En laat hem niet vallen, die kruik, want hij is nog van opa geweest.” Alsof ik het niet wist. “En let op het kleingeld dat je terugkrijgt.” Maar ik had de huisdeur al achter me dicht getrokken. De 421 kinderstappen die ons huis van de kroeg “Bij de drie lindebomen” scheidden…’

‘Langdurig bekeek ik mezelf in de spiegel van de badkamer en wist: liefde is geen angst, liefde is vertrouwen’

Ah! Daar hebben we de lindeboom weer.

‘Ja precies. Wat ik zeggen wilde: ik liep op een manier die ik pas veel later in de spaghettiwesterns van Sergio Leone terugzag. Ik was, bedacht ik later, de revolverheld die een stadje naderde waarvan de inwoners hem zich nog lang zouden heugen. Voor de deur begoot ik de wortels van de eeuwenoude lindebomen en zei bij wijze van generale repetitie: “Twee liter Smíchov!” Ik pakte de klink van de deur beet, drukte hem naar beneden en duwde vervolgens uit alle macht tegen de deur. Hij was van massief eikenhout, ik moest zelfs mijn knie gebruiken. Enigszins uit balans viel ik een rumoerige ruimte binnen. Ik herstelde me en bleef even staan om me te oriënteren. Mijn ogen raakten al gauw gewend aan de lichte mist van rook en ik zag contouren van mannen aan tafeltjes, één met hun pul. “Een goede zondagmiddag, heren”, galmde ik uit volle borst en ik bleef nog altijd staan of ik antwoord verwachtte. Het geroezemoes verstomde enigszins en een enkeling draaide zich naar mij om: “Is dat niet de kleine Simek?”

Vastberaden liep ik op de bar af, tilde de stenen kruik boven mijn hoofd en zette hem neer. “Twee liter Smíchov, kastelein”, zei ik luid en duidelijk.

“Zoals meneer wenst.”

Weer buiten wist ik: rennen. Vaders schuim mag niet inzakken. Halverwege stuitte ik op een jongetje met wie ik om het leiderschap van de buurt wedijverde. Hij liep aan de hand van zijn ouders. Dit was mijn kans. Ik bleef staan, nam een ferme teug uit de bierkruik en zei: “Naar de dierentuin zeker. Aapjes kijken.” Mijn rivaal sloeg zijn ogen neer. Ik had gewonnen.

Thuis mocht ik van vader het wisselgeld houden. Maar de schuimsnor boven mijn mond moest ik van moeder onmiddellijk gaan afwassen. Langdurig bekeek ik mezelf in de spiegel van de badkamer en wist: liefde is geen angst, liefde is vertrouwen.’

En de naastenliefde, zijn we die vergeten?

‘Ja, inderdaad. Op het kerkhof. De lindeboom in bloei die gratis en voor niets zijn geur verspreidde in alle windrichtingen. Een paar jaar later kwam ik in Calabrië een man tegen, een heel aardse man, die dag in, dag uit op het land werkte met de vanzelfsprekendheid en het plezier van een spelend kind. Zijn land gaf hem meer dan hij met zijn familie kon opmaken. Onderweg naar huis stopte hij iedereen die hij tegenkwam wat toe. Sla, eieren, vijgen, courgettes, wat het seizoen bracht. Of hij liet het bij de deur, als je niet thuis was. Hij hielp wie geen kracht had, of zich geen raad wist, hij maakte wie tobberig was aan het lachen, stak wie verdriet had een hart onder de riem. Drie keer, vier keer per week zaten we bij hem op het land. Om te koken, zingen, plezier te maken. Iedere keer in een andere samenstelling, met wie langskwam.

Zijn land lag bij de bron waar het hele dorp water kwam halen. Als iemand over politiek of geloof begon, zei Bruno “Mangia!”, “Eet!” Hij wist dat het de thema’s zijn die voor tweespalt zorgen. Als er een bosbrand was, voerde hij de mannen aan bij het blussen. Als het de tijd van de paddenstoelen of kastanjes was, ging hij met jongeren de bossen in om ze voor oudjes die slecht ter been waren te rapen. Bruno heeft zoveel van de natuur geleerd dat ze hem daarom “il professore” noemden, dacht ik. Hij was zelf een boom. Wás helaas, want sinds 2013 is il professore niet meer. Als ik en de dorpelingen elkaar bij de bron tegenkomen, zuchten we diep en draaien we onze rug naar het verlaten terrein van Bruno. Het dorp is zijn lindeboom kwijt.’

Waar denkt u aan?

‘Aan wat het geheim van Bruno was.’

‘Zijn liefde, vreugde, kracht, stroomden. Er was genoeg voor iedereen, en daar werd hij weer sterker en blijer van’

En?

‘Misschien dat hij geen ander verlangen of doel had dan leven en werken op een plek waar hij van hield. Met de mensen die er waren, met de seizoenen, en het zou me niet verbazen als hij nu blij is dat hij de humus is voor de bloemetjes die op zijn graf groeien. Bruno was, hoorde ik na zijn dood, twintig jaar werkelijk een professore, een leraar, geweest in Noord-Italië. Maar op een dag, toen hij voor een paar dagen over was naar zijn geboortedorp, belde hij dat hij niet meer terugkwam. Wie weet zag hij die keer voor het eerst pas echt goed een amandel- , sinaasappel- of kersenboom bloeien. Bewustwording is een kwestie van een seconde. Daar kun je niet aan werken. Het is een blikseminslag bij heldere hemel. Zoals wanneer het licht aan gaat.’

Wat is er trouwens mis met moeder Teresa en liefdadigheid?

‘Wat Bruno deed was geen liefdadigheid. Het was Bruno. Hij probeerde daarmee geen plaatsje in het paradijs te boeken. Hij had geen doelen, zoals ik al zei. Geen verborgen agenda. Zijn liefde, vreugde, kracht, stroomden. Zomaar. Er was genoeg voor iedereen, en daar werd hij weer sterker, blijer en liefdevoller van. Hij was geen heilige, hij was menselijk. Hij streefde geen perfectie na. Hij eiste die niet van zichzelf, noch van zijn omgeving. Hij accepteerde zichzelf en alle anderen zoals ze waren.’

En dat is bijzonder.

‘Dat is heel bijzonder. Want religie en politiek houden ons heiligen en idealen voor. En zo groeit in ons het schuldgevoel. We voldoen niet. Beginnen aan voornemens, accepteren onszelf niet, houden niet van onszelf. Van jezelf houden, te beginnen met ons lichaam, zien religies als zonde. We moeten van anderen houden, maar hoe doe je dat, als we onszelf afwijzen? Hoe kunnen we dan liefde geven?

Een boom denkt om te beginnen aan zichzelf. Zijn wortels concurreren met andere wortels om voedingsstoffen naar binnen te halen. Alleen zo kan hij tot boom worden, om eerst de geur van zijn bloesem en dan zijn vruchten te schenken. Mensen zijn vaak dorre takken vol mooie idealen en voornemens die gedoemd zijn idealen en voornemens te blijven. Dat leidt tot frustraties. Zo werkt conditionering, niet de natuur. Zoals Socrates zei: leer uzelf kennen, al het andere is van minder belang. Dat kan ik als tenniscoach beamen. Hou mensen geen perfectie voor. Dat leidt tot na-apen en uiteindelijk tot neuroses. Niet één tennisser is perfect.’

Dus hoe dan?

‘Laten we proberen van onszelf te houden en onszelf noch anderen te veroordelen. Zodra we onszelf accepteren zullen kerken, moskeeën, priesters, imams en politici verdwijnen.’

Is dat een ideaal?

‘Nee, geen idealen! Niet steeds alles naar de toekomst verschuiven. Wij, allemaal, leven hier en nu, waar dan ook ter wereld. Met onszelf. We kunnen nu meteen beginnen. Iedereen kan tot bloei komen, iedereen is uniek.’

Maar gaat het dan niet ten koste van een ander?

‘Smoesjes. De kleine Johan Cruijff heeft toen hij tegen de muur in Betondorp stond te ballen ook wel eens een ruit aan diggelen geschoten. En graspollen uit de aarde getrapt. Maar hij heeft ook zijn leven lang vreugde, schoonheid, speelsheid, fair play uitgedragen. Iedereen kan Johan Cruijff zijn. Bruno was het, en Cruijff is Bruno.’

En u?

‘Ik ben blij dat de laatste woorden van mijn moeder op haar sterfbed waren: “Blijf zoals je bent.” En dat terwijl ze haar leven lang heeft geschaafd aan mijn zielenheil.’