Hanya Yanagihara in Amsterdam © Merlijn Domernik / ANP

In het dankwoord van haar nieuwe roman benadrukt Hanya Yanagihara hoezeer ze het getroffen heeft met degenen die haar nooit hebben gevraagd compromissen te sluiten, en die mét haar zo vurig hebben gestreden voor dit boek. Misschien zijn het beleefde formuleringen – er worden ongeveer zeshonderd mensen bedankt –, maar mij troffen ze. Op een andere manier dan haar grote doorbraakboek Een klein leven dat was, is Naar het paradijs namelijk compromisloos, en wel op zo’n manier dat ik me afvraag of het nog een compliment te noemen is.

Het is niet dat het opnieuw een forse roman is, van om en nabij zevenhonderd pagina’s. En ook niet dat het opnieuw een afdaling is in een wereld van geweld, offers en tranen. Wat het wél is? Ik sluit niet uit dat ik een overgevoeligheid aan het ontwikkelen ben voor de tijd waarin we leven. En dat Yanagihara wat dat betreft kennelijk een snaar weet te raken met Naar het paradijs, dat zich in het slotdeel ontpopt tot een uiterst grimmig en zeer nabij toekomstvisioen.

Het is al weer zes jaar geleden dat Een klein leven verscheen, love at first read voor velen, en voor bijna net zo velen een abject gebeuren, emoporno, edelkitsch, getver. Mijn shirt was nat van de tranen toen ik het uit had, en alleen al omdat je dat niet zo vaak gebeurt als volwassen lezer was ik onder de indruk van boek en schrijfster. Ik zat vooraan in de Vondelkerk toen ze destijds werd geïnterviewd door schrijver Auke Hulst. Ze zei iets waaraan ik terug moest denken bij het lezen van Naar het paradijs: ze wilde schrijven over iemand die niet meer beter wordt. Waarom? Omdat we er altijd maar vanuit gaan dat iemand verlost kan worden van zijn trauma’s. Terwijl een trauma een inwendig tikkende tijdbom is die hoe dan ook op een dag afgaat, zo zei ze. Want: ‘The trauma is the thing that wants to live.’

Het is niet echt een zonnig beeld, maar in Een klein leven kreeg ze het voor elkaar om duisternis en licht naast elkaar te laten bestaan. Via het portret van een New Yorkse vriendengroep door de jaren heen kon ze steeds scherper inzoomen op het lijden van een van hen, de geheimzinnige advocaat Jude St. Francis. Het had wel iets van een sprookje, zoals Yanagihara zijn levenspad volgde, met drie goede mannelijke feeën in de gedaante van empathische, loyale vrienden die hem wilden helpen hem te verlossen van zijn zelfdestructieve neigingen. Hoe groter hun liefde, hoe onverslaanbaarder de demonen voor Jude werden. Anders dan in een sprookje wachtte er geen verlossing na alle doorstane beproevingen. Een klein leven bleek dan ook een drama, opgetuigd rondom grote levenskwesties: wat het is om mens te zijn, wat het betekent om te leven, of er zoiets bestaat als belangeloze liefde en of je een ander kunt behoeden voor misstappen dan wel beschermen tegen zichzelf.

De beschermbehoefte staat opnieuw centraal in Naar het paradijs, zij het op een veel grotere schaal. De roman bestaat uit drie delen, het eerste speelt zich af in New York 1893, het tweede deels in New York en op Hawaï, 1993, en het slotdeel weer honderd jaar later, 2093, New York. Met dit achteromkijken en vooruitblikken schaart Yanagihara zich in de traditie van dystopische romans als 1984 van George Orwell en The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood. Het is een literair genre waarin satire en kritiek, analyse en overdrijving hand in hand gaan om een waarschuwende boodschap af te geven over waar het naartoe gaat met de wereld als het tij niet gekeerd wordt. Het huiveringwekkende van geslaagde dystopieën is dat hoe duidelijk gedateerd ook het directe angstobject van een schrijver is – bij Orwell was het de terreur in de ussr onder Stalin, bij Atwood de opkomst van een fundamentalistische beweging in de jaren zeventig in de VS – decennia later de angst moeiteloos geëxtrapoleerd kan worden naar het dan heersende heden. Zowel Orwell als Atwood toont zich met terugwerkende kracht visionair. Zonder dat ze in concreto weet konden hebben van Poetin in het Kremlin en Trump in het Witte Huis schetsten ze de realiteit van terreur, racisme, vrouwenhaat en homofobie die zij met zich mee zouden brengen. Huiveringwekkend, als gezegd, maar niet verstikkend, niet helemáál inktzwart, al was het maar omdat er de troost van het geschrevene is, de stem van de subversieve geest, de kracht van de roman.

Huiveringwekkend, maar niet verstikkend, niet helemáál inktzwart, al was het omdat er de troost van het geschrevene is

Met Yanagihara’s dystopie heb ik het moeilijker; Naar het paradijs is zowel raadselachtiger als drammeriger dan deze twee grote voorbeelden. Met het eerste deel, dat zich dus eind negentiende eeuw afspeelt, betreden we een wereld die in zijn kabbelende sentimentaliteit en op de loer liggende pathos zo weggelopen lijkt uit een roman van Henry James of Louis Couperus. De rijke bankiersfamilie Bingham, met Hawaïaanse wortels, bewoont een van de statige huizen aan Washington Square. Zoon David, ‘mijnheer David’ voor butler Adams, maakt iedere dag voor het avondeten een wandelingetje door het park. Hij is een kwetsbare figuur, zo wordt al meteen duidelijk uit het beschermende gedrag van zijn grootvader met wie hij samen in dat huis woont. In het eerste hoofdstuk wordt de nalatenschap onder de drie kleinkinderen geregeld, met als verrassend verhaalelement dat – zonder dat dit verder wordt benadrukt of uitgelegd – iedereen homo is. Het lijkt wel historische sciencefiction, geïllustreerd door de getekende kaart van Amerika die voorin staat. New York behoort tot ‘de vrije staten’, waarin naar later blijkt ‘mensen zoals wij’, zoals de grootvader het uitdrukt, hun leven kunnen leiden. In andere delen van het land, zoals ‘de koloniën’, maar ook ‘het westen’ waartoe Californië behoort, zijn zij veroordeeld tot de illegaliteit, de terreur van de straat en de staat.

David Bingham is een gevoelige jongen die niet goed voor zichzelf kan zorgen, en ook niet echt op zijn plaats is in het familiebedrijf. Hij lijdt aan ‘toevallen’, misschien te wijten aan een ongelukkige jeugdliefde, al zegt de hardnekkigheid waarmee hij zich bleef vastklampen aan die jongen ook al iets over zijn pathologisch melancholieke gestel. Het beste en veiligste wat zijn grootvader voor hem kan bedenken is hem uithuwelijken aan een oudere weduwnaar, Charles Griffith, die op Hawaï een florerende bonthandel drijft. Een tijdje lijkt het erop dat David zich schikt in dit scenario, tot hij hoofd en lichaam op hol laat brengen door de snoodaard Edward. Deze verleidt hem – en zijn geld, in de vorm van een koffer vol goudstaven – te volgen naar gevaarlijk gebied buiten de grenzen van veilig New York, hem inblazend dat daar het paradijs op hen wacht.

Dit eerste deel is een roman op zich, betoverend en meeslepend in zijn ouderwetse vertelkracht. Doe het niet, wil je schreeuwen als bij een poppenkastvoorstelling, maar daar gaat hij, met open ogen het ongeluk tegemoet. ‘Het leek wel of hij betoverd was’, schrijft Yanagihara, ‘en of hij, toen hij zich daarvan bewust werd, ervoor koos zich niet te verzetten, maar zich eraan over te geven, de wereld die hij meende te kennen te verruilen voor een andere, en dat allemaal omdat hij wilde proberen niet de mens te zijn die hij in werkelijkheid was, maar de mens die hij in zijn dromen was.’

Het tweede deel, getiteld ‘Lipo-wao-nahele’, zich deels afspelend op Hawaï, is in feite een variant op dit drama. Dezelfde namen keren terug, David Bingham, Charles Griffith, ook is er weer een bediende die Adams heet, er is het huis aan Washington Square, maar we zijn een eeuw verder. De twintigste-eeuwse David, jongste bediende op een advocatenkantoor, is pragmatisch ingesteld en trekt in bij zijn superieur, de oudere Charles die veel van zijn vrienden heeft verloren aan ‘de ziekte’ die verder niet bij naam genoemd hoeft te worden. Wat zal meespelen bij Davids afzien van een wilder leven is het lot van zijn vader op Hawaï. Van deze Kawika Bingham, officieel behorend tot de koninklijke familie van Hawaï die in de praktijk van de Amerikaanse kolonisatie geen bestaansrecht heeft, krijgen we het levensverhaal te horen via een lange brief die hij aan zijn zoon schrijft. Ten koste van zichzelf en zijn zoon, tot grote ongerustheid van Davids grootmoeder, laat hij zich voor het ideologische karretje spannen van weer een Edward, die op het allerdroogste en ruwste stukje van Hawaï het paradijs denkt te kunnen ontginnen. Opnieuw: een meeslepend en aangrijpend klein leven.

Met het gebruik van terugkerende namen lijkt Yanagihara ergens anders op uit dan op het leggen van ‘echte’ generationele verbintenissen. Het gaat er denk ik – ik weet het niet zeker, dit is deel van het raadselachtige van deze roman – meer om om zowel de willekeurigheid van levens als terugkerende patronen te laten zien, en een droefgeestig deterministisch web te spinnen van hen die zorgen en hen die verzorgd moeten worden. Er zijn gewoon mensen, denk aan Jude in Een klein leven, die niet zijn opgewassen tegen het leven, en van wie misbruik wordt gemaakt door types die de zwakte ruiken en zich vermommen als helpers. In Naar het paradijs is het ook nog eens dit: er zijn mensen die hun gevoel van zelfbehoud zomaar uit handen kunnen geven als iemand langs komt die hen lijkt te kunnen doen ontsnappen aan hun bestemming.

‘Het virus onthulde wie we werkelijk waren, het legde de fabeltjes bloot die we allemaal over ons leven hadden verzonnen’

Als een aaneenschakeling van huizen, zo typeert ze die beschrijving van de menselijke keten halverwege het tweede deel heel mooi, waarbij je telkens een deur doorgaat en in een replica van het voorgaande terechtkomt, waar weer twee mensen iets te eten klaarmaken, elkaar liefhebben, waarin je iedereen uit verleden en toekomst kunt aantreffen, gesprekken voerend, vrienden begroetend, waar je deuren telkens achter je sluit, tot je bij de laatste deur komt waarvan je aarzelt die open te doen.

Die dan toch onverbiddelijk opengaat in het derde en dikste deel, ‘Zone acht’ getiteld, naar een van de wijken waarin het New York van 2093 is opgedeeld. Lang is onduidelijk of in dit deel het vertelperspectief opnieuw mannelijk is; het lukt Yanagihara sowieso een hele dikke roman te schrijven waarin aloude ankers als kleur, gender en seksuele voorkeur zijn losgelaten en waarin het verwachtingspatroon van de lezer telkens wordt opgeschud. Weer is er het huis aan Washington Square waar een grootvader woont met zijn kleinkind dat kost wat kost moet worden beschermd, geestelijk en fysiek aangetast als het is door een van de virussen die de samenleving wereldwijd heeft getroffen.

Via brieven, decennia ervoor geschreven door deze man - natuurlijk heet hij Charles, zoon David is de vader van het kind dat toch een dochter blijkt te zijn, Charlie - krijgen we alles te horen over hoe de wereld wordt tot wat die is. Wat ooit een vrije staat was, is nu een totalitaire samenleving. Een pandemische nachtmerrie is het, het ene virus volgt het ander op, mensen kunnen niet meer naar buiten zonder beschermende kledij, ook omdat het ondraaglijk heet is geworden, er zijn kampen waarin de zieken worden verzameld om te sterven. En nu vat ik het heel kort samen.

Met de inzet van zijn eigen leven probeert de grootvader zijn kleinkind te laten ontvoeren naar de vrije wereld die buiten Amerika zou moeten bestaan, een mogelijk paradijs. Of het lukt? Yanagihara beschrijft tot in detail de toastjes die worden geserveerd bij gelegenheden, het vlees dat clandestien aan Washington Square wordt gegrild, de geur van de thee die op kringelt uit de kopjes, maar zicht op het lot dat haar personages wacht gunt ze ons niet. In geen van de drie delen, maar in het slotdeel is dat open einde het lastigst te verdragen. We mogen het zelf bedenken.

In Naar het paradijs creëert de schrijfster tot in detail de overtreffende trap van onze actuele realiteit: een samenleving op slot, geteisterd door een onbeheersbaar virus en een dito klimaat. Je zou kunnen zeggen dat het een daad van engagement is, een roman te schrijven waarin alles wat zich aan onheilspellends nú aan ons opdringt op een inventieve manier resoneert. Yanagihara heeft haar research gedaan en haar verbeelding ingezet, maar het resultaat is een boordevolle gifbeker. Wat niet helpt is dat haar vermogen je mee te laten voelen met haar personages haar in het slotdeel in de steek laat. Het perspectief van de ‘bijzondere’ Charlie is dat van een klein kind, te naïef om echt boeiend te worden. De briefvorm lijkt een noodsprong, er moet veel te veel worden uitgelegd, en er sluipt een vervelend moralisme in het verhaal. ‘Het virus onthulde wie we werkelijk waren, het legde de fabeltjes bloot die we allemaal over ons leven hadden verzonnen.’

Vriendschap, liefde, alles verbleekt bij ieders eigen drang om te overleven, afgezien van die paar mensen met ‘een groter hart’, bereid een ander te helpen. Die eindeloze holle expliciteringen van de menselijke natuur – ‘Dat we in leven zijn gebleven, komt niet doordat we beter zijn dan we dachten, maar juist slechter.’ – werpen een schaduw over het intieme drama in de voorafgaande delen. De roman is een traktaat geworden. Kennelijk was er iets wat ze kost wat kost kwijt wilde, maar ik ben bang dat dat niet veel anders is dan – plotspoiler! - dat we eraan gaan.