Een bossie vlooien

OP HAAR WC hangt het gedicht ‘Bijziend’ van Annie M.G. Schmidt. ‘De wereld, waar ik door loop zonder bril/ Bestaat alleen uit vlekken en uit vegen.’ In 1990 kreeg Miep Diekmann (1925) te horen dat ze binnen drie jaar blind zou kunnen zijn. ‘Van de ene op andere dag ben ik gestopt met werken. Alles uit mijn handen laten vallen. Ik had drie boeken in mijn hoofd, maar ik heb de schrijfmachine niet meer aangeraakt. Om mijn ogen te sparen. Waarschijnlijk heb ik het daaraan te danken dat ik nog steeds kan zien, zij het heel slecht. Ik had jarenlang roofbouw op mezelf gepleegd. Het viel niet mee zo radicaal een punt te zetten, maar mijn oudste zoon die psycholoog is heeft me hier heel goed in geholpen.’ Maar kon u dan niet…? Direct een wegwuivend gebaar. ‘Jaaa, dat roept dan iedereen, dat ik mijn boeken kan dicteren en uit laten typen. Maar het is geen werk voor een secretaresse!’

Ze is levendig en fel, haar nagels zijn lang en zilver gelakt, ze heeft een goudkleurige broek aan en rookt de ene sigaret na de andere. Niet iemand die je op haar lauweren ziet rusten. ‘Een bossie vlooien’ zoals ze dat vroeger al was: een kind dat als het stilzat nog bewoog. Ongelooflijk veel geschreven, gedaan, gereisd, en nu geëerd met een grote overzichtstentoonstelling van haar leven en werk in het Haagse Letterkundig Museum. 'Ach, denk ik nu, de wereld draait ook wel door zonder wéér een boek van Miep Diekmann. Ik heb mijn klassiekers al geschreven. En ik heb genoeg gereisd.’
HAAR EERSTE grote succes was De boten van Brakkeput (1956). Een jeugdboek dat opviel, allereerst omdat het verhaal zich op Curaçao afspeelde zonder dat dat nu ook meteen het thema was, maar ook vanwege zijn realistische toonzetting. Er was geen moraal, geen clou, alleen een avontuur verteld vanuit het perspectief van de twaalfjarige Matthijs. 'Het is in een heleboel kranten als een roman besproken, want we hadden er geen leeftijdsopgave in gezet.’ Miep Diekmann was de eerste die het schemergebied tussen kinderboeken en volwassen literatuur betrad, wat een tijdlang voor verwarring bleef zorgen.
Marijn bij de Lorredraaiers (1965), haar grote roman over de slavenhandel in de zeventiende eeuw, beoordeelde men als 'gevaarlijk’, want kinderen zouden de beschreven gebeurtenissen nog niet op de juiste manier kunnen interpreteren. De dagen van Olim (1971) was om heel andere redenen een gevaarlijk boek en werd door sommige bibliotheken zelfs in de ban gedaan. 'Het heeft tien jaar geduurd voordat het boek doordrong. Op middelbare scholen mocht ik er niet eens uit voorlezen. Dan ging ik die klas binnen en zei: ze hebben me verteld dat jullie zo stom zijn dat ik beter niet uit dat boek kan voorlezen, maar dat wil ik wel even testen!’
De boeken van Miep Diekmann gaan over grote dingen, zonder dat ze vervelend maatschappelijk relevant zijn. 'Je kunt je tienerlezers niet lastigvallen met van die rottige pamfletten, wat op een gegeven moment zo'n mode werd in Nederland. Hoppekee, dan is het dít over drugs en dan is het dát over de Derde Wereld en dan kreeg je allemaal van die larmoyante boodschappenboeken.’
CURAÇAO SPEELT een belangrijke rol in haar oeuvre, terwijl ze er maar korte tijd gewoond heeft: van haar negende tot haar dertiende. 'In die puberteit leef je met een dubbele intensiteit. Dat zijn echte tropenjaren. Mijn zusje dat twee jaar jonger is, zegt dat ze de Antillen uit mijn boeken heeft leren kennen. Ik snap het niet, zei ze, heb jij dat allemaal meegemaakt? Het is natuurlijk ook een kwestie van openstaan.’ Aan de strenge opvoeding van haar vader, die beroepsmilitair was, heeft ze het volgens haar te danken dat ze schrijver is geworden. 'Die man haalde de toppen uit je.’ Zijn uitgangspunt was: wat een jongen kan, kan een meid ook. Ingegeven door het feit dat hij alleen maar dochters kreeg. 'Hij leerde ons vechten. Meesporten met de militairen. En waarschuwde ons: als je wat overkomt, ga niet gillen want dat wordt je dood. Ik wilde naar de HBS, want ik was goed in wiskunde, maar mijn vader zei: je gaat naar het gymnasium, dan doe je maar bèta. Want hij had geen gymnasium en dus moest ík gymnasium doen. Tranen met tuiten en proberen te saboteren, maar ik kreeg geen poot aan de grond. En achteraf zeg ik: wat is het goed geweest voor mijn vak.’
De dagen van Olim is autobiografisch. Josje is in gevecht met alles en iedereen: de nonnen op school, haar strenge vader en mondaine moeder. Ze ontdekt haar lichaam, maar anderen ook. Als ze wordt aangerand door een van de mariniers, die vaak bij hen thuis over de vloer komt, wordt ze niet geloofd. In een vluchtpoging springt ze van het dak. Dertig jaar later keert ze terug naar Curaçao en ziet ze mensen en plekken terug.
Het authentieke karakter van De dagen van Olim wordt nog versterkt door de foto’s en kranteknipsels die erin zijn opgenomen. 'Ik moet een loeder van een kind geweest zijn. Van de scholen waar ik op zat, kan ik me het beste de gangen herinneren waar ik altijd voor straf stond. Ik sprak later een van de nonnen uit die orde, die Olim had gelezen en die zei: “O, het is zo waar.” Zeker in die tropen had het katholicisme een bepaalde fun. Je zondigt, je gaat biechten en dan kun je weer opnieuw beginnen. Mijn vader was bekeerling, een heel strenge katholiek. Mijn moeder is katholiek geworden, als tegenprestatie voor het feit dat mijn vader die post op Curaçao zou aanvaarden. Ik kon niet zo goed met mijn moeder overweg. Ze was een bloedmooie vrouw, en ze zat altijd te jammeren over al die mannen die om haar heen zwermden. Als zij ons leerde dat zoveel mannen niet deugen, dacht ik: dat wil ik zelf uitvinden. Mijn vader strafte me heel vaak, ik was altijd de pineut, maar je wist bij hem waar je aan toe was. Mijn moeder had dat gekwetste en dan drie dagen niet praten en iemand doodzwijgen. Daar ga je als kind aan kapot. Het was een vrouw met grote capaciteiten die nooit de kans kreeg. Getrouwd met een arm luitenantje. Die vrouw kon schitterend piano en orgel spelen. Ze kreeg een studie op het conservatorium aangeboden, mocht niet van haar vader want dan kon je net zo goed hoer worden. Haar gedrag heeft me wel op een spoor gezet. O, dát niet, dáár ga ik niet in mee. Dan maar die harde knokkerij tegen die maatschappij en m'n vader.’
CRUCIALE GEBEURTENIS in het leven van Miep Diekmann was de val van het dak van een Forthuis op Curaçao, die ze in De dagen van Olim beschrijft. De val die een sprong bleek te zijn geweest. Al duurde het nog meer dan twintig jaar voordat ze daarachter kwam. 'Ik heb na die val een paar weken in coma gelegen. Me aan mijn eigen haren uit het moeras getrokken. Ik bleef lijden aan aanvallen van bewusteloosheid naderhand. En rugpijn, nog steeds. Toen ik 29 was verwees mijn neuroloog me naar een psychiater. Die zette mij op een spoor en zei: je mag nooit meer terug naar de Antillen. Die wist het.’
Maar ze ging wel terug naar Curaçao, het eiland dat inmiddels nagistte van de revolutie van mei '69, waarbij een deel van Willemstad in vlammen opging. Ze had verhitte gesprekken met stakingsleider Stanley Brown en schreef al even felle artikelen in de Haagsche Courant, later gebundeld in Een doekje voor het bloeden (Koninkrijksverband) (1970). 'Bedoeld als tegenhanger van een jarenlange, opzettelijk eenzijdige voorlichting.’ Ze bepleitte het invoeren van Papiamentu op de lagere scholen en zorgde er later ook voor dat er aantrekkelijke schoolboekjes verschenen voor Antilliaanse kinderen. Tegelijkertijd zat ze met Olim in het hoofd. In drieëneenhalve week schreef ze het, na aanmoediging van de Antilliaanse gouverneur/schrijver Cola Debrot. 'Je moet het doen.’
Uit De dagen van Olim: 'Als je het later verschrikkelijk ging vinden, met elkaar naar bed, iedere avond bij elkaar liggen, en je wou weg… Je kon niet weg als je getrouwd was.’ Ze ontmoette haar man bij het Haagsch Dagblad. Later werd hij chef kunst bij Het Parool. 'Toen ik ontdekte dat ik zwanger was, dacht ik aan onze Antilliaanse dienstmeisjes van vroeger, die hadden zo'n orgelpijp kindertjes, maar ze waren niet getrouwd. Ik wist precies van welke vader ze die allemaal hadden. En ik dacht: dat kan ik ook. Nou, vergeet het maar. Mijn vader heeft ontzettend op me in zitten praten. “Goed, oké”, zei ik tegen mijn man, “dan trouwen we, maar op één voorwaarde. Als ik zeg: ik moet een week weg, moet je me laten gaan. Dat heeft niks te maken met vreemdgaan. Dan wil ik gewoon op mezelf zijn.” We waren vijf jaar getrouwd en toen zei ik inderdaad: “Luister, ik wil een week weg.” Ik kon bij vrienden in Amsterdam logeren. Naderhand zei hij: “Dan moeten we maar gaan scheiden.” De énige voorwaarde die ik had gesteld… Voor mij was het afgelopen. Hij had zich niet aan zijn woord gehouden. Bij de scheiding wilde hij de kinderen houden en toen zei ik: goed. Hij is hertrouwd met een aardige vrouw, en ja, die heeft die zoontjes opgevoed. Dat is niet makkelijk geweest, want die kinderen waren vijf en drie jaar toen ik wegging. Achteraf denk ik: je hebt toch het beste gedaan. En die man was dól op de kinderen. De maatschappij vraagt van een vrouw dat ze kinderen krijgt, aan die plicht heb ik voldaan.’
NA HAAR HUWELIJK woonde ze nog drie keer samen met iemand. 'Dat was het toch niet, hoor. Ik ben een mens voor de gemeenschap, ik ben niet iemand voor één persoon. Liefde, ach… Je ontmoet mensen, je hebt dikwijls jarenlang met mensen een heel platonisch contact, wat meer heeft opgeleverd dan liefde. Eén keer ben ik iemand tegengekomen… De bliksem is ingeslagen, maar ik wist dat hij al jong zelfmoord zou plegen. Ik vond niet dat ik dat tegen mocht houden. Maar ik had hem toch ook niet alleen kunnen laten gaan. Met mijn ervaring van die poging tot zelfdoding, in mijn jeugd, raakte ik echt in paniek. Door de keus die ik nu maken moest. Ik verbrak de relatie. Toch ben ik blij dat ik één keer in mijn leven dít heb meegemaakt, wat zo diep gegaan is.’
Het commitment aan het vak, de discipline, heeft ze proberen over te brengen op aankomende auteurs. In de jaren zeventig zat ze een paar maanden per jaar op Curaçao en begeleidde ('coachen’ noemt ze het zelf) schrijfsters als Sonia Garmers en Diana Lebacs. In de jaren tachtig deed ze hetzelfde op Aruba. 'Het is inleveren, want je eigen werk staat stil en je verdient niet. Maar ik vind dat iedere auteur die het in zijn sector gered heeft, de plicht heeft aankomende auteurs te begeleiden. Van het begin af aan moeten ze weten: het is een ambacht. Je moet niet voortdurend met smoezen aankomen. Zitten! In het Caribisch gebied zijn het korte-afstandlopers, er worden schitterende gedichten geschreven.’
Ook in het voormalig Oostblok heeft Miep Diekmann haar beschermelingen wonen. 'In 1966 was ik op een congres in Duitsland, waar voor het eerst auteurs uit het Oost- en westblok samen waren. Ik was heel benieuwd wat er achter het ijzeren gordijn gebeurde, ik geloofde de media bij ons niet, ik wilde met vakgenoten spreken. Ik kende de prachtige Tsjechische prentenboeken. Toen heb ik contact gezocht. Zo ben ik met de Tsjechen bevriend geraakt. Ieder jaar ben ik naar Praag gegaan om goede jeugdboekenauteurs op het spoor te komen. Voor de vertalingen werkte ik samen met Hans en Olga Krijt. Hans was een geëmigreerde Nederlander en Olga heeft alle grote Nederlandse en Vlaamse auteurs vertaald.’
Ze heeft voor alle leeftijdsgroepen geschreven. Het is dé manier om lol in je vak te houden, vindt ze, en om je stijl soepel te houden. Veel van haar boeken zijn bekroond. 'Taal en compositie werden geprezen door de critici, alleen over m'n thema’s vielen ze altijd.’
Total loss, weetjewel (1973) was het eerste boek over een hippiekind in Nederland. 'Rechts en links vielen over me heen, maar die kinderen vráten het.’ Toen ze kleinkinderen kreeg, merkte ze hoe weinig er was voor de hele kleintjes. 'Je had alleen Dick Bruna en de bakerrijmpjes. En je wilt Annie Schmidt niet nadoen. Midden in het oerwoud van Suriname kreeg ik het idee voor Wiele wiele stap (1977). In het vliegtuig heb ik het idee uitgewerkt in de nog le*01. ???ge blaadjes van mijn agenda.’ Begin jaren tachtig schreef ze de Hannes en Kaatje-verhalen voor de NCRV, later in boekvorm verschenen.
Haar laatste boek was Krik. Het verscheen in het voorjaar van '89, vóór het vallen van de Muur. Het is een sprookjesachtig verhaal waarin ze de essentie van een koude oorlog verwerkte. 'Er zijn maar twee critici die doorhadden wat de achtergrond was. Mijn uitgever brengt het nu onder een nieuwe titel uit. Krik, de prins die trouwen moest. Die titel had ik al een jaar geleden bedacht. Wat ik me nu realiseer: dat meisje in het boek met wie hij wil trouwen, heet Emilia.’
Nu de grote overzichtstentoonstelling. 'We wisten van twee kanten niet waar we aan begonnen. Godzijdank had ik een goed geordend archief. Maar in vijf maanden tijd kreeg ik een halve eeuw leven over me uitgestort. Ik heb slapeloze nachten gehad, onder meer door ouwe filmpjes die mijn moeder van ons gezin op Curaçao had gemaakt voor de familie overzee… Ik moest de verhalen vertellen bij die beelden. Dan komt er weer zo verschrikkelijk veel boven. Want je ziet ook de gebeurtenissen die niet gefilmd zijn. Je bent nu ouder dan je ouders toen waren. Het is heel heftig geweest het laatste half jaar.’
OP HAAR BALKON kijken we uit over de Scheveningse boulevard en de zee. Vaak zit ze ’s(nachts ook zo, met een dik jack aan. 'Ik woon hier al bijna dertig jaar, maar ben nog iedere dag dankbaar dat ik hier woon.’ Ze klapt de parasol uit omdat ze slecht tegen de schittering van het zonlicht op de zee kan. 'Het schele licht’ noemt ze het. Ach ja, die ogen… Ze leest ook al bijna niet meer, soms wat artikelen, een kort verhaal op z'n hoogst, met een loep. Als ze op straat loopt struikelt ze over dingen die ze niet ziet en ontwijkt ze dingen die er niet zijn. Niet over jammeren, vindt ze. 'Vergeet niet: ik heb een zalig vak en een hoop lol gehad. Als het helemaal misgaat met die ogen heb ik schitterende herinneringen. Het was niet altijd makkelijk, maar daarmee leer je wel de blinde vlekken in jezelf invullen. Als je nooit ergens op ingaat, hoe weet je dan wat je kan?’
Van 1 oktober 1998 tot en met 9 mei 1999 wijdt het Letterkundig Museum in Den Haag een tentoonstelling aan vijftig jaar schrijverschap van jeugdboekenauteur Miep Diekmann. Bij de tentoonstelling verschijnt, in samenwerking met uitgeverij Leopold, schrijversprentenboek nummer 42, Ogen in je achterhoofd. Over Miep Diekmann, onder redactie van Aad Meinderts, Erna Staal en Anne de Vries.