Een bounty-bootje voor noach

Opera is tegenwoordig een vies woord. Bang om van enige sympathie voor negentiende-eeuws gekweel beticht te worden noemt elke zichzelf respecterende componist zijn ‘opera’ een muziektheaterstuk - los van de vraag of de muziek wel of niet is doorgecomponeerd en welke plaats het ‘theater’ eigenlijk inneemt. Het begrip muziektheater is dus aan ernstige inflatie onderhevig.

Met Noach - overigens aangekondigd als een kameropera - zijn we daarentegen terug bij wat muziektheater zou moeten zijn. Of is het juist een doorbraak? Zelden zullen muziek, dans, tekst, theater en decors zo'n gelijkwaardige en vooral eigen rol hebben gespeeld als in deze muziektheaterproduktie. Alleen al de bezetting van musici toont een ongebruikelijke diversiteit: de improviserende musici van Janssens Septet zitten gebroederlijk in de bak met het Mondriaan Kwartet, terwijl over het podium vier Tuvaanse boventoonzangers buitelen. Guus Janssen toont zich echter een theatercomponist bij uitstek: de muziek is tot een minimum beperkt - alle uitstekende musici in de bak ten spijt. De improvisaties door de leden van zijn Septet zijn nauwkeurig afgebakend en alleen klarinettist Ab Baars heeft permissie om wat vaker van zich laten horen.
Dat schept ruimte voor een overweldigend visueel spektakel dat zonder meer aan ontwerper Karel Appel is toevertrouwd: het toneelbeeld verandert voortdurend van vorm en kleur. Van een betoverend diepzeeaquarium tot krachtige, steeds wisselende achterdoeken. En naarmate de voorstelling vordert, schuwt regisseur Pierre Audi niet de trukendoos steeds wijder open te zetten: mevrouw Noach komt op een Bounty-bootje met palmboom en feestverlichting door de lucht aanzeilen, een op afstand bestuurd bultrugvisje dartelt vrolijk over het toneel, de kortsluiting in de regenboog is een letterlijk oogverblindende ontploffing.
Het fantasieland waarin de toeschouwer wordt binnengevoerd doet niet onder voor een dagje Efteling. De voortdurend aanwezige dansers suggereren een sensueel-abstracte golfbeweging en de vier Tuvaanse boventoonzangers voegen met hun nasaal gegorgel een even ontroerende als bizarre dimensie aan het geheel toe. Maar wat oogt als een gezellig rommeltje is in feite een samenbundeling van radicale uitgangspunten, die in een precair evenwicht tot elkaar staan. Zo gortdroog en streng als de tekst van Friso Haverkamp is, zo exuberant zijn de kleuren. Zo ingetoomd als de muziek is, zo provocerend zijn de theatervondsten. Dit alles is mogelijk bij de gratie van een heel simpele, zorgvuldig opgebouwde dramatische lijn: de ruzie tussen mevrouw en meneer Noach.
Noach is de gefrustreerde bruut, die met verbaal en fysiek geweld de schepping aan zich probeert te onderwerpen. Of is het eigenlijk zijn vrouw die hij eronder wil krijgen? Dat wordt gesuggereerd wanneer Noach orakelend over zijn uitroeiingsfantasieen het pistool op mevrouw Noach richt. Zij is daarentegen de rust zelve (wat muzikaal prachtig tot uitdrukking komt) en beweegt zich met de gratie van een koningin door haar dierenrijk, dat zij koste wat het kost van de ondergang wil redden.
Het conflict tussen de twee escaleert; op den duur is mevrouw Noach aan de winnende hand en het Bounty-bootje begeleid door een bossanova lijkt een laatste verzoeningspoging, zoals een vakantie uitkomst moet bieden in een slecht huwelijk. Er zijn echter geen nevenintriges of subplots. Het verhaal is in die zin niet meer dan een voertuig voor een groots opgezet spel waarin de wetten van het theater het laatste woord hebben. Illustratief is de scherpe cut voor de pauze zoals die in film en soap voorkomt: we vangen nog net een glimp op van mevrouw Noach die op haar zeven meter lange bultrugvis komt aangevaren, maar op hetzelfde moment valt het doek onherroepelijk neer.
Het getuigt van durf en grote intuitie om een stuk zo ondergeschikt te maken aan effecten, of ze nu dramatisch, humoristisch of puur theatraal zijn. Dat is op het conto van Pierre Audi te schrijven die zich hier, na de ingetogenheid van zijn Monteverdi’s en de poezie van La Boheme, van zijn fantastische kant laat zien. Het zou me niet verbazen als het Holland Festival 1994 als ‘het jaar van Noach’ de geschiedenis ingaat.