Een boze fee

Reeds vijftien jaar bestiert ze de redactie van Opzij, het blad dat mannen genadeloos langs de Feministische Meetlat legt. Nu moet Cisca Dresselhuys er zelf aan geloven. Welk cijfer zou ze zich geven? ‘Een zeven.’ Maar: ‘Als ik met een lekke band aan de kant van de weg sta, ga ik die niet zelf verwisselen. Ik kan dat niet.’
MET ENIG ONTZAG beklimmen wij de trappen. Wij gaan immers naar het ‘hoofdbureau van het feminisme’, zoals Cisca Dresselhuys (52) de burelen van Opzij met zelfspot bestempelt. Wij treffen de first lady van het feminisme statig achter haar bureau. Reeds vijftien jaar leidt ze Opzij, feministisch maandblad. Met succes. De oplage steeg van 14.000 naar 75.000.

Aan aandacht geen gebrek. Dagelijks hangen bijvoorbeeld de omroepen aan de lijn. ‘Want hun programma’s moeten gevuld. Wij zoeken mannenhaatsters, van zulke vragen krijgen wij’, zegt Cisca Dresselhuys. 'Wil je een luis in je programma, bel een feminist want die is altijd tegen.’ De redactie van Theo van Goghs praatradio telefoneert zowat dagelijks. 'Er belt klaarblijkelijk geen kip en of ik dan live met hem in discussie wil.’
Een van haar collega’s omschrijft haar als 'een merkwaardig mengsel tussen Aletta Jacobs en de Libelle’. Ze heeft een boodschap uit te dragen, net als haar vader, een gereformeerd predikant. Ze is gek op bloemen. 'Ik had best een eigen bloemenzaak gewild.’ Ze is een tikje ijdel. 'Ik ben afhankelijk van applaus.’ En kritiek verdragen is niet haar sterkste kant. 'Vooral niet als die terecht is. Dat zijn de moeilijke momenten.’ Waarvoor zij een assortiment aan troostmiddelen heeft. 'Troostboeken, troostworst, namelijk leverworst, troostmuziek en troost-tv.’ Inspector Morse heeft een hoog troostgehalte. Ze drinkt niet, ze rookt niet, ze gaat zelden op vakantie, want zij is bezig met De Zaak.
In vraaggesprekken typeert Cisca Dresselhuys haar feminisme vaak met een variant op Simone de Beauvoirs beroemde uitspraak dat je niet als vrouw wordt geboren maar tot vrouw wordt gemaakt: 'Ik denk niet dat je een feministe wordt, je hebt het in je als je geboren wordt.’ 'Ik bedoel’, legt ze uit, 'dat het in het karakter zit om recalcitrant of strijdbaar te zijn. Ik ben me er overbewust van dat heel veel vrouwen feministe zijn geworden door wat hun is aangedaan - incest, mishandeling, noem maar op -, maar dan kun je nog iemand blijven die het feminisme binnenskamers aanhangt, daar veel boeken over leest en misschien eens een brief aan Opzij schrijft.’
Is dat recalcitrante dan genetisch bepaald?
'Dat zou best kunnen, mijn moeder was ook nogal recalcitrant. Mijn vader van het Groningse platteland was veel rustiger maar misschien op zijn manier ook dwars. Hij was dominee en heeft zich eigenlijk nooit neergelegd bij het feit dat er zoveel verschillende geloven en kerkgenootschappen waren. Hij was dominee in Roermond, een zeer katholieke plaats. Hij zocht samenwerking met de hervormde dominee, de rooms-katholieke deken, met iedereen. Toen de hokjes en scheidingen nog zo scherp waren, ging hij daar al tegenin.’
'MIJN MOEDER was onderwijzeres in de Jordaan bij scholen tot Heil des Volks. Daar kwamen arme kinderen die op school warm eten kregen. Mijn moeder moest die kinderen eens per week ontluizen. Ik spreek nu van de jaren twintig. Ze wou nergens anders werken, terwijl ze eigenlijk een keurige burgerjuffrouw was. Ze hingen alle twee ook erg aan dominee Buskes, de christen-socialist. De man van de doorbraak. Dat was in hun tijd ook redelijk recalcitranterig, denk ik.’
Zou u uw moeder feminist noemen?
'Nee, nee… Een feminist is natuurlijk iemand die vindt dat mannen en vrouwen gelijk behandeld moeten worden. Ik ben zelf opgevoed met het calvinisme en het idee dat wij een boodschap hebben voor de wereld, dus ik vind het jammer als ik het feminisme alleen met mijn eigen man of vriend of vriendin zou zitten uit te knokken en daar verder niets mee zou doen. Ik geloof ook niet dat het bij het feminisme hoort dat je het helemaal alleen voor jezelf doet.’
Haar feministische bewustwording vond plaats toen ze als journalist bij Trouw werkte en de tweede feministische golf losbarstte. 'Ik had een vrouwenpagina te vullen en in die tijd betekende dat vooral: Dames, het nieuwe lentehoedje is er! En Dior zegt dat de rok tien centimeter langer wordt. Ik was zo blij als een kind dat er iets kwam dat naar mijn smaak zin had. Ik racete naar de persconferenties van het eerste Blijf van m'n Lijf-huis en de vrouwenhulpverlening, noem maar op.’ Niet dat haar stukjes vanzelfsprekend in de krant mochten: 'Mijn baas stond er niet om te springen.’
Uw feminisme is eigenlijk altijd puur journalistiek geweest. Heeft u ooit op de barricaden gestaan?
'Hedy (d'Ancona) zegt altijd: je kunt op twee manieren bij het feminisme komen, met je verstand en met je gevoel. Ik ben er heel erg met mijn verstand bij gekomen, als journalist maar ook als nadenkend mens. Maar er komt heel snel een vermenging, dat heeft Hedy ook gezegd. Als je er met je hoofd bij komt dan merk je binnen de kortste keren dat je gevoel er ook bij betrokken wordt en omgekeerd. Je bent natuurlijk ook een vrouw.’
VERSTANDELIJK IS Cisca Dresselhuys altijd gebleven. Ze heeft altijd voor gelijke rechten gestreden; voor de opwaardering van de 'zachte vrouwelijke krachten’ heeft ze van begin af aan beduidend minder gevoeld. 'Getver!’ roept ze, als we haar vragen naar de opwaardering van het vrouwelijke. 'We hebben bij Opzij ook veel vrouwelijke kunst opgestuurd mogen krijgen en daar heb ik iets allergisch mee’, legt ze uit. Vrouwencafes heeft ze nooit gefrequenteerd - 'Alleen vakmatig, als ik moest.’ En in het vrouwenhuis kwam ze ook alleen om 'te werken’.
'Van die vrouwen die zeggen dat vrouwen betere wezens zijn’, gaat ze met afschuw voort. 'De Vrouwen voor Vrede hebben hier ook veel aan de tafel gezeten: vrouwen en moeders zouden toch de vrede bevorderen. Ik wil daar allemaal best iets van aannemen, maar niet voetstoots. Ik geloof niet dat de praktijk uitwijst dat wij betere mensen zijn en dat een wereld met alleen vrouwen een paradijs is. Nico Frijda zei vorig jaar toen ik hem interviewde: “Golda Meir heeft ook jongens naar het slachtveld gestuurd in Israel.” En: “Mevrouw Dresselhuys, slechtigheid hoort bij macht en niet bij het man of vrouw zijn.”
Maar ik vind dat er nog niet zoveel bewezen is met een Golda Meir en met een Thatcher. Als ik ergens maar iets zeg dan wordt Thatcher weer met tien kruiwagens in mijn blikveld gereden. Ik denk dat het vreselijk zuur is als wij ooit zullen merken - maar dat zullen wij niet meer meemaken - dat er niks verandert als er overal evenveel vrouwen als mannen zitten.’
Wat denkt u?
'Ik heb nog wel hoop, want we hebben het voorbeeld van hoe slecht het is. We kunnen ons tegen iets afzetten en denken: als we het zo doen, kunnen we net zo goed thuis blijven achter de geraniums. Ik heb nog wel het idealisme van het feminisme dat wij er wel bij willen, maar op onze eigen voorwaarden. Het is ook heel vaak gezegd: het maakt niet uit of je er vrouwen bij krijgt, je moet er feministen bij krijgen. Maar in het algemeen ben ik opgevoed met de calvinistische gedachte dat de mens van nature slecht is en geneigd zichzelf en zijn naaste te haten. Zie de Heidelbergse catechismus.’
Er wordt wel gezegd dat het calvinisme eerder tot het feminisme leidt dan het katholicisme.
'O, dat geloof ik zeker. Ik kom uit het katholieke zuiden. In die tijd, ik spreek nu over eind jaren vijftig, begin jaren zestig, had dat iets heel gemoedelijks. De Limburgers bekeken alles wat lacheriger dan wij, de calvinisten. Wij woonden daar als buitenbenen, als Hollanders en als gereformeerden, dus je werd in die tijd nog verschrikkelijk raar bekeken.’
Ze herinnert zich nog een defect aan de waterleiding. 'Kwam er zo'n tankauto in de straat waar je water moest halen. Ik hoorde een buurmeisje zeggen: “He, de protestante hoale ook woater!” Alsof wij protestanten geen water nodig zouden hebben.’
IN DE KRAP 25 jaar dat Opzij bestaat, is het blad flink veranderd. Het 'radicaal’ werd uit de ondertitel geschrapt, het aantal kleurrijke advertenties groeide en leuzen als 'Niet met je onderdrukker naar bed’ werden vervangen door veel, heel veel human interest en artikelen van psychosociale snit. 'We zouden belachelijk zijn als we nog de toon van vroeger zouden aanslaan, net zoals je belachelijk bent als je nu nog in een tuinbroek loopt’, verklaart Dresselhuys.
Het blad kondigde in 1986 een officiele koerswijziging af: het slachtofferschap werd vaarwel gezegd; voortaan zouden de sterke kanten van het feminisme belicht worden en de vijanden van de vrouwenbeweging voor gek gezet. 'Het feminisme is nu natuurlijk een andere beweging dan 25 jaar geleden’, zegt Dresselhuys. 'We maken Opzij voor de vrouw die geinteresseerd is in emancipatie. In de praktijk blijkt dat een vrouw te zijn die goed opgeleid is. De grote hausse komt als vrouwen rond de 35 zijn. Dat kan ik ook wel verklaren, want jongere vrouwen zijn nog niet met feministische issues geconfronteerd. Ze bewegen zich niet op de arbeidsmarkt en hebben nog geen relatie waarin het dilemma speelt van kinderen ja of nee. Logisch dat zij denken: Opzij heeft mij nog niet zoveel te bieden. Maar dan denk ik een beetje als de fee bij het bed van Doornroosje: ze komen nog wel. De boze fee, inderdaad.’
Het dilemma 'kinderen ja of nee’ is u bespaard gebleven.
'Dat heb ik mezelf bespaard. Ik wilde al geen kinderen toen het hele feminisme nog niet in mijn leven was.’
Waarom hebt u nooit kinderen gewild?
'Weet ik niet. Er zijn drie dingen die ik wist toen ik twaalf was. Journaliste worden. Niet trouwen. Geen kinderen. En dan vragen mensen altijd: waarom? En dan zeg ik altijd: als je dat wilt weten, dan moet ik op jouw kosten onder hypnose.’
Waaruit bestaat precies het feministische gehalte van Opzij?
'De blik waarmee wij dingen behandelen. We zijn gericht op het directe belang van de vrouw. Neem nou een artikel over lange meisjes, dat kan in alle vrouwenbladen. Maar bij ons wordt dan gepraat over wat het betekent om groeihormonen te nemen. Het is dus niet van: je bent lang en dan moet je naar modezaak Tineke, want die heeft grote kleren. Of: je kunt groeihormonen nemen dan word je zeven centimeter kleiner. Het gaat ons erom wat het emotioneel voor meisjes kan betekenen om een meter negentig te zijn en voortdurend “spaghettisliert” te moeten horen en “Is het koud daarboven?” ’
EN ZO RAKEN WIJ in een beschaafd twistgesprek over Opzij verwikkeld. Is niet het gevaar van Opzij, vragen wij, dat het blad zo blijft stilstaan bij de problematische kanten van het vrouw zijn? Ter illustratie: als Opzij over Internet schrijft, gaat het niet over de mogelijkheden van vrouwen op de digitale snelweg, maar over 'ongewenste digitale intimiteiten’. En in een stuk over contactadvertenties wordt gewaarschuwd voor de gluiperds die… 'Ik ben het niet met jullie eens dat wij dat eeuwig en altijd doen’, valt Dresselhuys ons met stemverheffing in de rede. 'Er zijn ook sterke vrouwen met succesverhalen.’ Hoewel niet elk succesverhaal op haar instemming kan rekenen: 'Er stond bijvoorbeeld een interview met hoogleraar Annemieke Roobeek in de Volkskrant van een paar weken geleden. Een succesverhaal, te ergerlijk voor woorden. Als zij beweert dat zij op haar achtendertigste tien banen verenigt, drie kinderen heeft en ook nog ’s nachts staat te dweilen, dan denk ik: a. het klopt allemaal niet, b. als het wel zo is, wil ik heel precies weten hoe ze dat doet. Ik vind zo'n verhaal uiterst demotiverend omdat 99 procent van de vrouwen dit nooit zo zal kunnen. En ik denk dat vrouwen graag voorbeelden zien die ook inzage geven in zwakke kanten. De helft van het heldendom lijkt mij gelogen.’
Maar wordt u niet moe van al die interviews in Opzij met schrijfsters en artiestes waarin het consequent gaat over hoe moeilijk ze het hebben met hun scheiding, de dood van hun man of kind?
'Ja, maar ook hoe ze eroverheen gekomen zijn. Want ze zijn niet voor niets bekende vrouw of fantastische schrijfster. Ik vind het heel motiverend om te zien hoe mensen op een plek zijn gekomen. Met wat ze hebben meegemaakt. Alleen de overwinning vind ik niet spannend, alleen de valkuil ook niet.’
Gaat het u vooral om identificatie?
'Bepaalde dingen bieden natuurlijk heel erg veel herkenning. Als deze vrouw dat heeft meegemaakt en dit gelukt is, wie weet. In het begin van het feminisme klaagden we dat we geen voorbeelden hadden. Ja, Simone de Beauvoir, maar gelukkig heeft Simone de Beauvoir ook inzage in haar zwakke kanten gegeven.’
Bent u inmiddels zelf een voorbeeld?
'Nee, dat denk ik niet. Er heeft nog nooit iemand tegen mij gezegd: “Jij bent mijn voorbeeld.” En of ik zelf voorbeeldvrouwen heb? Nee, ik heb wel een vrouw aan wie ik werkelijk heel veel heb gehad. Dat is Joke Smit. Haar boeken bij mij thuis zitten vol gele memoplakkertjes waarop ik verwijswoorden heb geschreven. Maar ze is niet zozeer een voorbeeldvrouw, misschien heeft ze daarvoor ook niet lang genoeg geleefd. Ze was 47, 48 toen ze overleed. Ze was heel gedreven en heeft naar mijn smaak nooit het stadium van de relativering en de zelfspot bereikt. Ze heeft nooit haar zwakke kanten kunnen tonen.’
Laat u zelf wel uw zwakke kant zien?
'Ja, ik hou geen zwakke kant verborgen. Maar Joke Smit heeft nooit op haar lauweren kunnen rusten. In het laatste interview met haar dat wij hadden, vlak voor haar dood, besprak ze met Hedy de strategieen die we moesten uitzetten. De kop was: “Het zal niet zonder een vrouwenpartij kunnen”. ’ Vastberaden: 'Als je mij vlak voor mijn dood komt interviewen, heb ik nul woorden voor de vrouwenbeweging over.’
IN OPZIJ PROFILEERT Cisca Dresselhuys zich behalve met haar hoofdredactionele commentaar - 'In het begin vond ik dat heel eng, want bij Trouw was ik het niet gewend om een mening te hebben, die had meneer Bruins Slot wel’ - sinds 1993 met de serie waarin mannelijke kopstukken uit politiek, wetenschap en cultuur langs de 'Feministische Meetlat’ worden gelegd en daar een rapportcijfer voor krijgen (meestal een dikke onvoldoende). 'Omdat alle ministers een hoofdstuk moesten schrijven in de emancipatienota Op weg naar '95’, legt ze uit. 'We beoordeelden ze op hun beleid en opvattingen. Sinds we van de ministers zijn afgestapt is het natuurlijk wat meer gevoelswerk geworden. Waar moet je nou een Joop van Zijl op vastpinnen? Je kijkt naar wat ze zeggen over hun eigen besognes en het vaderschap. Ik heb nu Den Besten van de NS geinterviewd. “Doet u iets in het huishouden?” “Nooit.” Dan ben je gauw klaar. “Mijn vrouw doet altijd de boodschappen.” Zeg ik: “Goh, en als ze dan met zware kratten Spa en sinaasappels thuiskomt?” “Dan wil ik die wel naar binnen tillen.” Dat scoort erg laag bij ons. Je moet zo'n man ook opvoeden tijdens het gesprek.’
Zijn er mannen die niet langs de meetlat willen?
'Ja. Rinus Ferdinandusse. Paul Witteman. Martin van Amerongen. Ze zitten veel in de opinierende, journalistieke sfeer. Dat begrijp ik ook wel want dan kunnen ze zich nergens meer achter verschuilen. Ze zijn zelf aansprakelijk voor wat ze gezegd hebben. Rinus Michels en Simonis wilden ook niet. De voorlichtingsdienst van de rooms-katholieke kerk lichtte toe: “Wij hebben liever dat u bisschop Ernst interviewt. Hij heeft vrouwen in zijn portefeuille. En Simonis is een ongeleid projectiel.” ’
Cisca Dresselhuys heeft al een paar keer tevreden geconstateerd dat het feminisme inmiddels veel heeft bereikt. 'De belangrijkste verworvenheid’, zegt ze, 'is dat vrouwen niet meer op een functie worden vastgepind. Toen wij eraan begonnen was de functie van de vrouw die van moeder en echtgenoot. Punt. Ik zou vroeger, niet-getrouwd en zonder kinderen, als een vreemdsoortige tante bekeken zijn. En dan natuurlijk abortus en de pil, al dat soort dingen. Dat we toegelaten worden tot vrijwel elk beroep.’
Voor de huidige feministen ziet ze twee hot items: de feminisering van de armoede en de aldoor mislukkende verdeling van de zorg - de vrouw draait er toch voor op. Dresselhuys, bewogen: 'Een grote groep blijvende minima zijn de bijstandsmoeders. Hoe komen die daar in godsnaam uit? Het gaat over van generatie op generatie.’ En over de combinatie werk-gezin kan ze hele Opzij’s vullen, verzucht ze: 'Als het CDA het gezin zo belangrijk vindt, moet Heerma maar eens als de wiedeweerga zorgverlof en kinderopvang regelen. Als relaties onder druk komen te staan, dan is het heel vaak door dit soort zaken.’
Is de combinatie zorg-werk geen item dat niet alleen feministen maar iedereen aangaat?
'Natuurlijk, maar wij hebben het opgepikt. Voor dingen die nu spelen, zoals de 36-urige werkweek, stonden wij vroeger al. Wij waren feller. Wij kwamen met de 25- urige werkweek, maar goed - het komt in onze richting. Daar moet je niet kinderachtig over doen, je moet pakken wat je pakken kunt.’
En er is hoop. Dresselhuys is er heilig van overtuigd dat de derde feministische golf op komst is: 'Er zit nog ergens een beweging onder de naam Femi '93 die mij regelmatig met handgeschreven verslagen op de hoogte houdt. Ik mag er nooit bij, maar ik krijg wel hun verslagen.’ Wat Femi '93 precies inhoudt, weet ze niet. 'Maar Femi '93 heeft zich ooit gemeld als het begin van de derde feministische golf. Ze zitten nu af en toe met elkaar in zaaltjes.’
Is Femi '93 voor u niet heel geruststellend, want tegelijkertijd zijn er heel veel vrouwen die weigeren zich feministisch te noemen en een hekel hebben aan het slachtofferschap dat aan feminisme kleeft.
'Het feminisme is nou typisch geen beweging van slachtoffers! Als Malou van Hintum zegt dat Anja Meulenbelt een slachtoffer is, denk ik: kijk nou eens goed naar die vrouw, die heeft zich zo ontworsteld aan van alles en nog wat. Een slachtoffer vind ik iemand die wenend in een hoek ligt en alleen maar zegt: ik ben de dupe.’
Maar het feminisme verklaarde zich wel solidair met slachtoffers. Van Hintum verwijt de vrouwenbeweging dat ze het zieligste exemplaar van de soort tot voorbeeld stelt.
Beslist: 'Niet waar! Er wordt wel aan haar belangen gedacht, maar dat is heel wat anders dan dat ze ten voorbeeld wordt gesteld. Sinds wanneer heeft het feminisme het incestslachtoffer als voorbeeld gesteld? Het feminisme heeft zich haar belangen aangetrokken. In Opzij laten we ook vaak de mogelijkheden tot overwinning zien. Als het bijvoorbeeld gaat over borstkanker, dan is er altijd wel iemand die een zelfhulpgroep opricht voor borstkankerpatienten.’
Het feminisme is, in tegenstelling tot veel andere ismen, in ieder geval niet dood. 'Omdat we fris en vrolijk en alive and kicking zijn’, constateert Dresselhuys vergenoegd. 'Omdat er nog heel veel vrouwen zijn die zich erover opwinden.’
HOE KOMT HET TOCH, vragen we ons hardop af, dat het succesverhaal van het feminisme zulke grote hiaten bevat? De combinatie van arbeid en zorg. Het glazen plafond. De feminisering van de armoede.
Dresselhuys: 'Ik denk dat we op papier heel ver zijn, maar dat er een hele taaie tegenbeweging is. Die bestaat vooral uit mensen die op hun plek willen blijven zitten. Ja, dat zijn voornamelijk mannen. Dat niet elke vrouw ons van harte is toegedaan, is natuurlijk niet fijn. Maar zo'n Neelie Kroes is toch maar een mooie bekeerling. Vroeger had ze van die teksten als: “Het is mij gelukt, dus het moet jullie ook lukken.” Nu zegt ze, en echt niet alleen in Opzij, dat ze de vrouwenbeweging hartstikke veel onrecht heeft aangedaan.’
Als we over het zogeheten glazen plafond praten, gaat het al snel over de positie van vrouwen in de media. 'Wat hebben we nu aan vrouwelijke hoofdredacteuren?’ vraagt Cisca Dresselhuys retorisch. 'Nul bij kranten of opiniebladen. Adjuncts? Op een hand te tellen. Trouw heeft in ieder geval veel vrouwelijke chefs, ook in parttime functies. In het Genootschap van Hoofdredacteuren zul je geen vrouw aantreffen.’
Hoe verklaart u dat?
'Het zijn interessante en machtige functies die mannen helemaal niet wensen prijs te geven. Wij pochen er altijd op dat we in een progressief beroep zitten, maar op dit gebied verandert er niets. Je zult zien dat Ben Knapen bij de NRC ook weer door een man wordt opgevolgd.’
Zijn vrouwen daar niet zelf een beetje debet aan?
'Ik weet niet of de vrouwen echt lobbyen om hogerop te komen. Ik was onlangs in Arti en dan zie je daar de Welingelichte Kringen zitten. Het is nog precies het mannenbolwerk van twintig jaar terug. Harry van Wijnen, Joop van Tijn, Hugo Brandt Corstius, Henk Hofland. Dat zit daar maar, dat zit daar maar.’
Wordt het niet eens tijd dat daar een vrouw bij komt?
'Tuurlijk.’
U bijvoorbeeld?
'Ze vragen me helemaal niet! Je wordt niet gevraagd voor die dingen en mannen wel omdat die natuurlijk meer in elkaars kringetjes bivakkeren.’
ALS HET EINDE van het gesprek nadert, vragen we wat het 'hoofdbureau van het feminisme’ van de politiek van paars vindt als het gaat om de belangen van vrouwen. De spijkerharde analyse blijft uit. 'We hadden er meer van verwacht’, is Dresselhuys’ wat vage antwoord. 'Het zijn ook weer mannen. Joke Smit zei altijd: het is toch weer Ollie B. Pronk, Ollie B. Kok, Ollie B. Heerma en Ollie B. Bolkestein.’
Wat valt tegen?
'Bijvoorbeeld het wettelijk recht op deeltijdarbeid dat met heel veel hangen en wurgen door de Kamer gaat. Dan ben ik weer heel blij met de CDA-vrouwen die zich in Trouw rucksichtslos tegen de fractie keren.’
En de flexibilisering, hoe kijkt u daar tegenaan?
'Vind ik eng, heel eng. Omdat mensen allemaal denken dat je daar veel meer mensen mee aan het werk krijgt. Maar ik hoor verhalen van vrouwen die zeggen: Hoe durven wij als flexiwerkers ooit een kind te krijgen? Hoe durven wij als flexiwerkers ooit een huis te kopen? Wij hebben een zekerheid van niks.’
Blijft Dresselhuys tot haar pensioen bij Opzij?
'Ik zit nu natuurlijk op m'n top’, zegt ze. 'Ik zou de politiek in kunnen gaan, maar ik denk niet dat ik daar zou floreren. Je kunt je wel een keer verzetten tegen het partijstandpunt, maar niet voortdurend.’
Gaat ze wellicht solliciteren als eerste vrouwelijke hoofdredacteur bij de NRC?
Gedecideerd: 'Zeker niet. Dat vind ik een driedelige-grijze-pakkenkrant.’ Peinzend: 'Misschien wil ik wel als directrice eindigen, van een bejaardentehuis. Of toch maar in een bloemenzaak.’
We geraken nu in een intiemer betoog. Over ouder worden. Over bang zijn. Over hoe ze op vakanties in het buitenland, gelijk een Arabische vrouw, drie stappen achter haar partner loopt, bevreesd hem uit het oog te verliezen. Van zulke zaken. 'He, het interview gaat nu helemaal op de Opzij- lijn’, roept Dresselhuys. 'Jullie weten dus ook wel wat verkoopt!’
Tot slot vragen wij haar welk cijfer zij zichzelf zou geven wanneer zij langs de Feministische Meetlat wordt gelegd. 'Een zeven’, zegt ze ferm. Toe maar! Dat is het hoogste punt door haar ooit uitgedeeld en wel aan minister Pronk. Relativerend: 'Op ouderschap kan ik niet worden gescreend en mijn feministische ideeen kloppen. Je kunt je afvragen of m'n dagelijks leven in overeenstemming is met m'n feministische ideeen. Natuurlijk ben ik vaak inconsequent.’
Hoezo?
'Als ik met een lekke band aan de kant van de weg sta, ga ik die niet zelf verwisselen. Ik kan dat niet, ik zal het ook niet leren.’ Bijna verontschuldigend: 'Ik wacht op de ANWB.’