De jacht op Ratko Mladic

Een brandy op Maxime

Eind 2010 loopt het mandaat van het Joegoslavië-tribunaal af. Ratko Mladic moet dan berecht zijn, maar de oorlogsmisdadiger is nog niet gevonden. Ondanks, of juist dankzij de druk van Nederland.

‘TOEKOMST BALKAN ligt in Europa maar geen gesjoemel met criteria’, twitterde buitenlandminister Maxime Verhagen onlangs even vlug vanuit een EU-bijeenkomst in Tsjechië. ‘Voor Servië betekent dat dat ze volledig moeten samenwerken met het Joegoslavië-tribunaal.’ De Europese Raad van Ministers beloofde in Tsjechië dat er geen rem wordt gezet op het EU-integratieproces van de westelijke Balkan. Kroatië en Macedonië zijn al getrakteerd op een EU-kandidaatstatus en lidstaten bezegelen stukje bij beetje de samenwerkingsakkoorden met Albanië, Montenegro en Bosnië. Nu moet Servië nog voldoen aan de spijkerharde voorwaarde die geldt sinds het EU-samenwerkingsakkoord bijna een jaar geleden werd getekend in Luxemburg. Verhagen had toen met steun van zijn Belgische collega De Gucht bedongen dat dit akkoord pas in werking treedt als hoofdaanklager Serge Brammertz constateert dat Servië onvoorwaardelijke medewerking verleent aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.
Servië koestert geen illusies over de rekkelijkheid van Verhagens eis. Zolang Ratko Mladic niet is gearresteerd en uitgeleverd aan Den Haag zit er geen schot in het integratieproces. De minister torpedeerde vorig jaar nog een Brits voorstel om in afwachting van Mladic EU-handelsvoordelen aan Servië toe te kennen. In het land waar het dagelijkse nieuws jaar in, jaar uit wordt beheerst door Europese beloftes, de Kosovo-kwestie en het Joegoslavië-tribunaal, stijgt de irritatie over het frivole optimisme van buitenlandminister Vuk Jeremic over de kans om nog dit jaar een officiële aanvraag voor een EU-kandidaatstatus in te dienen. Die kans wordt hem wel voorgehouden door Europese-Commissievoorzitter Barroso, maar de enige winst die de vorige zomer aangetreden pro-Europese regering van Servië op korte termijn bij de EU kan boeken is een eventuele afschaffing van de visumplicht. Voor het overige hangt toenadering tot de EU af van een overtuigende samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal.

HET TRIBUNAAL geeft niet alle samenwerkingscriteria prijs aan de buitenwereld, maar een woordvoerster noemt als belangrijkste elementen de toegang tot documenten en archieven, de bescherming van getuigen en de zoektocht naar voortvluchtigen. De samenwerking met het tribunaal draait volgens de Servische autoriteiten al op volle toeren. Op persconferenties somt Rasim Ljajic, de Servische minister die de samenwerking coördineert, almaar de punten op waaraan Servië voldoet. Alle verzoeken van hoofdaanklager Brammertz worden ingewilligd en getuigen worden ontheven van de geheimhoudingsplicht. Nog niet alle resultaten zijn behaald, maar volledige samenwerking kan niet worden gelijkgesteld met de verwachte resultaten. Brammertz heeft het laatste woord, erkent Ljajic, maar niemand kan nog twijfelen aan de bereidheid van Servië om haar verplichtingen na te komen.
Ljajic’ woorden maken weinig indruk in Den Haag. Het wantrouwen zit diep jegens Servische bewindslieden, die een reputatie hebben opgebouwd als gewiekste onderhandelaars met veel beloftes en weinig daden. ‘Ik heb net de memoires van Carla del Ponte gelezen over haar belevenissen als hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal en zij merkt op dat Serviërs altijd beweren dat ze het maximale doen en geven. Dat beweren ze al jaren’, zegt Verhagens woordvoerder Bart Rijs, voorheen Volkskrant-correspondent op de Balkan. ‘Nederland is streng en rechtvaardig, dat zijn we ook naar andere landen. Kroatië zei vorig jaar niet te beschikken over documenten die door het tribunaal werden gezocht. Toen Verhagen in Zagreb was, wees hij zijn Kroatische collega op het belang van samenwerking met het tribunaal. Een paar weken later zijn die documenten alsnog boven tafel gekomen. Wat Servië betreft, Brammertz spreekt ondanks de overdracht van Radovan Karadzic nog steeds niet van een volledige samenwerking. Het is belangrijk dat Servië geen loopje neemt met haar verplichtingen. En voor ons is het beste bewijs daarvoor de uitlevering van Ratko Mladic.’
Verhagen maakt zich daarmee niet bijster populair in Europese kringen. Onder de 27 leden van de Raad van Ministers kan Verhagen hooguit op Belgische sympathie rekenen. ‘Eigenlijk kan geen land zich permitteren om zo lang een tegendraads standpunt te verdedigen’, meent Jan Melissen, hoogleraar diplomatie verbonden aan het instituut Clingendael: ‘Diplomatie in EU-verband is een kwestie van touwtrekken. Servië laat merken dat ze op alle fronten wil meewerken, dus de druk van Europese collega’s op Verhagen zal ook wel groter worden. Mocht hij toegeven, dan kan hij dat als beweegreden opvoeren. Maar hij is iemand die zijn carrière in de partijpolitiek heeft gemaakt en het binnenlandse draagvlak niet uit het oog verliest. Hij draagt het mensenrechtenbeleid nadrukkelijker uit dan vorige ministers, maar zijn standpunt jegens Servië heeft ook te maken met de schaduw en wonden van Srebrenica. Die link is niet expliciet te leggen, maar Srebrenica is wel een factor in de binnenlandse politiek.’
Verhagen kan dan ook op unanieme steun van de Tweede Kamer rekenen. Zijn overtuiging dat een politieke wil in Belgrado zich als vanzelf vertaalt in het uitleveren van Mladic wordt kamerbreed onderschreven. ‘Dat Mladic moeilijk te vinden zou zijn vind ik geen kwestie’, stelt VVD-Kamerlid Han ten Broeke. Het zit hem dwars dat het samenwerkingsakkoord met Servië vorig jaar in verkiezingstijd werd getekend om een positief gebaar te maken naar het Servische electoraat. Ten Broeke: ‘Met de dreiging van een nederlaag voor de pro-Europese krachten dwongen de Serviërs nieuwe concessies af van de EU. Hoe meer ze zich misdragen, des te breder de rode loper in Brussel. Macedonië heeft al drie jaar een kandidaatstatus, dat land werkt aan hervormingen en minderhedenbeleid en krijgt niet eens een uitnodiging voor een gesprek. De EU kan haar geloofwaardigheid niet lang volhouden als ze zelf de billen afveegt met haar eigen afspraken.’

‘HET NEDERLANDSE standpunt was lange tijd gerechtvaardigd, maar nu wordt het als een knuppel gebruikt’, zegt Dejan Anastasijevic, veiligheidsexpert en journalist van het Servische politieke weekblad Vreme. Anastasijevic, een voormalige oorlogsverslaggever die in 2002 voor het Joegoslavië-tribunaal getuigde tegen oud-president Slobodan Milosevic, twijfelt niet aan de politieke wil van Belgrado: ‘Deze regering maakt naar mijn idee serieus werk van haar belofte om Servië dichterbij de Europese Unie te brengen. Als er nog twijfel bestaat over de oprechtheid van de autoriteiten om oorlogsmisdadigers te willen uitleveren, dan is die na de arrestatie van Karadzic gewoonweg onterecht.’
Over de spectaculaire ontmaskering van de voormalige Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic in juli 2008 schamperde dagblad Trouw in een commentaar dat de Serviërs daartoe kennelijk pas bereid waren toen er voldoende voordeel mee te behalen viel. Kletskoek, oordeelt Anastasijevic. De arrestatie was geen blijk van politiek opportunisme, maar hangt samen met het aantreden van de jonge crime fighter Sasa Vukadinovic als hoofd van de Servische veiligheids- en inlichtingendienst BIA. Zijn voorganger Rade Bulatovic, een erfstuk van het Milosevic-bewind en vertrouweling van de vorige premier Kostunica, zou al maanden voor de arrestatie op de hoogte zijn geweest van Karadzic’ verblijfplaats, maar greep niet in. Anastasijevic: ‘De nationalistische partij DSS van premier Kostunica domineerde de vorige twee regeringen. Die partij is antiwesters en staat vijandig tegenover het Joegoslavië-tribunaal. Formeel sprak de regering over samenwerking, maar in de praktijk maakte ze geen haast met het opsporen van voortvluchtigen. Er waren eerst nog wat vrijwillige overgaven, maar toen duidelijk werd dat de onafhankelijkheid van Kosovo alleen nog een kwestie van tijd was viel er uit Belgrado weinig meer te verwachten.’
In zijn meest recente rapport aan de Veiligheidsraad concludeert hoofdaanklager Brammertz dat Servië aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt onder de nieuwe westers gezinde regering. Evenwel blijft het grootste obstakel de opsporing van de laatste twee voortvluchtigen – behalve Mladic is dat Goran Hadzic, een voormalige premier van de in 1995 opgerolde Servische rebellenrepubliek in Kroatië. Het uitblijven van arrestaties schrijft Brammertz toe aan de nalatigheid van het vorige management van de veiligheidsdienst, een diagnose die gedeeld wordt door Anastasijevic: ‘Mladic wordt beschermd door een kleine groep professionals. Hij is erg moeilijk te traceren maar het is bovenal een technisch probleem. In de BIA zijn nog veel mensen werkzaam die banden hebben met de DSS of de Servische Radicale Partij en die uit overtuiging geen aanstalten zullen maken om Mladic te pakken. Ik schat het op zo’n dertig procent van de BIA, een paar honderd man die vooral in het middenkader zitten. De nieuwe chef Sasa Vukadinovic werkt in een vijandige omgeving. Van hem verwachten president Boris Tadic én Brammertz én Verhagen resultaten, maar hij weet niet wie hij binnen zijn dienst kan vertrouwen.’
Ook Zoran Dragisic, militair analist verbonden aan de Universiteit van Belgrado, is van mening dat dit de kern van het probleem rond Mladic is: ‘Onder Rade Bulatovic haalde de BIA nieuwe kaders binnen op basis van hun politieke affiliaties. Veelal jong, slecht geschoold en met extremistische ideeën. Het zijn deze kaders die Mladic behoeden voor arrestatie. Om diepgaande controle over de BIA te verkrijgen moet de regering het veiligheidssysteem verder hervormen. Het BIA-personeel moet worden vervangen, desnoods door een beroep te doen op de oude kaders van de Joegoslavische federale veiligheidsdienst die Milosevic in 1992 heeft ontmanteld. Die mannen zijn al op leeftijd, maar ze verstaan tenminste hun vak en bemoeien zich niet met de politieke koers van het land.’
Het opruimen van de restanten van Milosevic’ politiestaat duurt al vele jaren. De eerste behoorlijke pogingen om de veiligheidssector onder controle te brengen moest premier Zoran Djindjic in maart 2003 met de dood bekopen. De moord bleek beraamd door leden van de Rode Baretten, een paramilitair elitekorps dat onder gezag van de veiligheidsdienst in de jaren negentig huishield tijdens de oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo. In de grootscheepse acties die volgden op de moord werden criminele organisaties aangepakt en leger en rechtssysteem hervormd. President Tadic heeft intussen de functies van de nationale veiligheidsraad nieuw leven ingeblazen, maar beschikt nog niet over een bureau dat dagelijks toezicht kan uitoefenen op alle inlichtingen- en veiligheidsdiensten. ‘We leven met een wetgeving die toezicht praktisch onmogelijk maakt’, zegt Dejan Anastasijevic: ‘De BIA werkt buiten elk controlesysteem om en is niet eens verplicht om cijfers over het aantal telefoontaps vrij te geven. De wet op de veiligheidsdiensten is achterhaald sinds de afscheiding van Montenegro. Er wordt aan nieuwe wetgeving gewerkt, maar mijn inschatting is dat de regering zich niet voldoende zeker voelt en weerstand vreest van antiwesterse krachten die hun baantjes en privileges op het spel zien staan.’
De ironie wil dat diezelfde antiwesterse krachten die in staat zijn hervormingen af te weren en daarmee de arrestatie van Mladic bemoeilijken, worden gesterkt door Verhagens gescherm. Steeds als hij weer op de proppen komt met zijn eis dat éérst Mladic wordt gearresteerd en uitgeleverd en dan pas gepraat kan worden over toenadering tot Servië, neemt de euroscepsis in dat land toe en vinden saboteurs van de veiligheidsdienst nieuwe bondgenoten. Tegelijkertijd verzwakt Verhagens starheid de positie van de pro-westerse regering, die de Serviërs beloofde het land dichter bij de EU te brengen maar steeds opnieuw de deur in het gezicht krijgt. Het is de politieke prijs die Servië moet betalen voor haar aandeel in de oorlogspraktijken van de jaren negentig.
Intussen ziet het Joegoslavië-tribunaal tegen het einde van 2010 ook nog eens zijn mandaat aflopen. Dan moeten alle werkzaamheden zijn voltooid, inclusief de berechting van Mladic. En terwijl de klok tikt, drinkt Ratko Mladic in zijn schuilplaats een brandy op zijn helper uit onverwachte hoek, Maxime Verhagen.


MLADIC, EEN ZOEKGESCHIEDENIS

Facebook herbergt zo’n 150 profielen van Ratko Mladic. Onlangs leek hij te zijn gearresteerd in Kenia, maar nog voor 1 april bleek het om een Kroatische zakenman te gaan die alles met duiktoerisme en niets met oorlogsmisdaden van doen heeft. Er komt voorlopig nog geen eind aan de sensatieberichten over de mogelijke verblijfplaats en psychische gesteldheid van Mladic. De 67-jarige oud-opperbevelhebber van het Bosnisch-Servische leger (VRS) wordt al bijna veertien jaar door het Joegoslavië-tribunaal gezocht wegens oorlogsmisdaden en volkerenmoord tijdens de oorlog in Bosnië (1992-95), waaronder de massa-executie van circa achtduizend Bosnische moslims in en rond de enclave Srebrenica in juli 1995.
De officieel onvindbare generaal vertoeft in 1996 nog vaak op het VRS-hoofdkwartier in Han Pijesak. Hij ontmoet er zelfs meermaals een Amerikaanse commandant van de Ifor-missie in Bosnië, zoals blijkt uit recent onderzoek van de Amerikaanse historicus Charles Ingrao. Vanuit Han Pijesak wijkt Mladic in maart 1997 uit naar Servië. Aangenomen wordt dat hij de eerste jaren doorbrengt op militaire locaties rond Belgrado en in het westen van Servië. Hij zou ook enige tijd in een villa in de Belgradose wijk Banovo Brdo bivakkeren. Na 2002 lijkt elk spoor naar de voortvluchtige te ontbreken. Jarenlang betogen Servische autoriteiten dat hij zich misschien niet meer in Servië bevindt. Maar voorjaar 2006 duiken er alsnog gegevens op die aantonen dat hij zich tussen april 2002 en december 2005 schuilhield op verschillende adressen in Novi Beograd, de buitenwijk van Belgrado waar ook Dragan Dabic alias Radovan Karadzic jarenlang woonde. Een strafproces volgt tegen elf geïdentificeerde beschermers van Mladic. Het netwerk dat aanvankelijk circa vijftig mensen telt, krimpt tot een handjevol vertrouwelingen. Mladic zelf zou inmiddels lijden aan paranoia.
De Servische militaire inlichtingendienst VBA verklaart in november 2008 geen aanwijzingen te hebben dat Mladic door Servische legerkaders wordt beschermd. Tegelijk vallen speciale politietroepen binnen bij de firma’s van Mladic’ zoon Darko in Belgrado en de gebroeders Vujic in Valjevo, die ervan worden verdacht Mladic’ verdwijning te financieren. Een maand later volgt een inval bij een oude schoolkameraad van Mladic in Arandjelovac. Ook de internationale vredesmacht in Bosnië zoekt mee naar bruikbare informatie en doet in februari van dit jaar huiszoekingen bij Mladic’ zus en schoonzus in de omgeving van Sarajevo.
Op 9 maart meldt het Servische Tabloid Press, zich beroepend op een bron dicht bij de Servische geheime dienst, dat Mladic zich andermaal in een flat in Novi Beograd zou schuilhouden. De anonimiteit van de betonjungle lijkt een ideale schuilplaats. ‘Mladic is vorig jaar nog in Belgrado gezien’, zegt journalist Dejan Anastasijevic. ‘Ik vroeg onlangs een medewerker van de staatsveiligheidsdienst: “Als ik nu zou moeten vluchten, wat moet ik dan regelen om mezelf zo goed als onvindbaar te maken?” De beste manier was volgens hem een veilig appartement te laten huren en alle vaste lasten een jaar vooruit te betalen, aan te geven dat je als handelsreiziger weinig thuis bent, de proviandkast te vullen voor een paar maanden, geen telefoon te gebruiken en niet naar buiten te gaan. Dit alles zorgvuldig vooruit gepland voor de lange termijn.’