De Groene Live #25: Zijn corona-complotten waanzin? Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Een Brexit in het klein

De seizoenencyclus van Ali Smith vangt de somberheid van deze tijd, maar vormt meteen ook het protest ertegen. Associatief bevrijdt ze de lezer uit de knellende actualiteit, soms aan de hand van lichtgevende personages.

‘Iedereen zei: en? Als in schouderophalen, of wat wil je dat ik eraan doe? Of het kan me echt geen reet schelen, of eigenlijk ben ik het er wel mee eens, ik vind het best.’

Ali Smith begint Zomer, de laatste roman in haar seizoenencyclus, met een collectieve stem, een soort Grieks koor, dat de taal en teneur van de tijd vangt. Zoals ze Lente opende met wat ‘we’ wel en niet willen – ‘Wat we dus niet willen zijn Feiten. Wat we willen is verwarring (…). Wat we willen is verontwaardiging ergernis verbijstering’ – en Winter met wat er allemaal dood was: ‘God was dood: dat om te beginnen. Ridderlijkheid was dood. En romantiek was dood. (…) Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood.’

In Zomer zeggen de mensen ‘so what?’ over de machthebbers die hen glashard aankeken en belogen, over een continent dat in brand stond en smolt, over machthebbers over de hele wereld die groepen mensen eruit begonnen te pikken op grond van hun religie, etniciteit, seksualiteit of afwijkende mening. ‘En?’

Maar dan is er een tournure: niet iedereen zei en?. Miljoenen mensen zeiden het niet. ‘Miljoenen en nog eens miljoenen, overal in het land en overal in de wereld, zagen hoe er gelogen werd, en hoe slecht mensen en de planeet behandeld werden, en spraken zich daarover uit, tijdens demonstraties, met protesten, door te schrijven, door te stemmen, door te praten, door activisme, op de radio, op tv, via sociale media, tweet na tweet, bladzij na bladzij.’

Het is precies wat Ali Smith zelf doet in Zomer en haar andere seizoenenboeken: zich uitspreken tegen de onverschilligheid van het en?, zich verzetten tegen het defaitisme van ‘iedereen’ die hetzelfde wil en niet wil. Haar romans vangen de somberheid van deze tijd, maar vormen meteen ook het protest ertegen. Ze zijn bakens van hoop, alleen al door het opvoeren van personages die zich niet bij het schijnbaar onvermijdelijke neerleggen. Zoals de inmiddels hoogbejaarde Iris, activiste vanaf haar jeugd, die zich toen ze jonger was aan hekken vastketende in de strijd tegen kernwapens en recent nog op Lesbos was om vluchtelingen te helpen. Of zoals de vroegwijze kinderen – Sacha in Zomer, een soort Greta Thunberg die zich werpt op klimaatverandering en het vluchtelingenprobleem; Florence in Lente, een meisje dat veel weg heeft van een bovennatuurlijke engel in hoe ze met zachte hand het lot van asielzoekers in vreemdelingendetentie weet te verzachten. Tegenover de lethargie stelt Smith engagement.

Maar het verzet van Ali Smith gaat veel verder dan het letterlijke protest, en is veel subtieler dan dat. In alle romans uit de seizoenencyclus plaatst ze tegenover de bittere realiteit van de politieke actualiteit de late toneelstukken van Shakespeare, de romans van Dickens, het beeldhouwwerk van Barbara Hepworth, de popart schilderijen van de onbekende Pauline Boty, de wolkenfoto’s van Tacita Dean en de films van Charlie Chaplin. Veel van haar personages ontsnappen uit het hier en nu door de verbintenis die ze voelen met kunst en cultuur, met de geschiedenis.

En ze gaan verbintenissen aan met elkaar. Smith is een meester in het beschrijven van bijzondere vriendschappen en ontmoetingen. Zoals de vriendschap die groeit in Herfst tussen het meisje Elisabeth en haar buurman Daniel Gluck, een songwriter van 101 jaar oud, die haar niet als een kind behandelt en met wie ze op speelse wijze gesprekken voert. Of de kortstondige band die ontstaat tussen Arthur en de Kroatische studente Lux in Winter: hij pikt haar op bij een bushalte en betaalt haar om tijdens Kerst bij zijn moeder zijn vriendin Charlotte te spelen (met de echte heeft hij ruzie). Lux is net als de oude Daniel Gluck en het meisje Florence in Lente een personage dat als het ware licht geeft, dat door haar aanwezigheid de wereld verlicht en de verhoudingen tussen mensen verzacht.

In alle seizoenenromans gaat het uiteindelijk om verhalen. Er is de wereld van het heden, van de schreeuwende krantenkoppen en de harde oneliners op de sociale media, en er is die van verhalen, waarbij Smith verschillende vormen inzet (van klassiek vertellen tot essayistische verhandelingen tot brieven), heen en weer schiet in de tijd en de lezer bevrijdt uit de knellende actualiteit. Smith doet dat onnavolgbaar, associatief; als lezer ben je gedwongen je aan haar over te leveren.

Veel van Smith’ personages ontsnappen uit het hier en nu door de verbintenis die ze voelen met kunst en cultuur, met de geschiedenis

Hoe dan ook is de seizoenencyclus een ambitieus experimenteel project. Weliswaar liep Ali Smith naar eigen zeggen al twintig jaar rond met het idee om vier achtereenvolgende romans aan de seizoenen te wijden, ze verbond dat in 2015 met het verlangen die boeken in zeer korte tijd te schrijven en ze vervolgens zo snel mogelijk daarna te publiceren. De romans moesten ook echt het nu, de specifieke tijd waarin ze ontstonden, weerspiegelen. Ze noemde het voor zichzelf ‘a kind of keeping the novel novel project’ – in het Engelse ‘novel’ is het woord ‘nieuw’ vervat. Het concept, legde ze in een interview in The Guardian uit, had voor haar te maken met wat de Victoriaanse romanschrijvers deden toen de roman ook echt een nieuwe kunstvorm was. Zoals Dickens, die Oliver Twist publiceerde terwijl hij er nog aan schreef, het verhaal in zijn hoofd nog aan het vormen was terwijl de persen al draaiden. ‘That’s why it’s called the novel – what it can do, what it is for, what it does.’

Het zojuist verschenen Zomer is het sluitstuk van de cyclus die begon met Herfst, dat verscheen in het najaar van 2016 en meteen werd betiteld als de eerste serieuze Brexit-roman; Smith hint daarin zelfs op de moord op parlementariër Jo Cox, die vier maanden voor publicatie plaatsvond. In november 2017 kwam Winter uit, eindigend met een jamboree van de Scouts of America eind juli, waarop Trump een toespraak houdt en belooft dat men onder zijn regering weer ‘vrolijk kerstfeest’ zou kunnen zeggen. Daarop volgde voorjaar 2019 Lente. De romans laten zich onafhankelijk van elkaar lezen, al gaan ze ook verbindingen met elkaar aan door hun springerige vorm, door de dialoog die telkens wordt aangegaan met kunst en cultuur, door de reflecties op de manier waarop we nu, in deze opgewonden, hijgerige tijd, leven en de Grote Thema’s die Smith daarmee laat botsen: behalve verzet, verbinding en hoop zijn dat bijvoorbeeld herinnering, vergeving en waarheid.

In Zomer, dat besluit met de lockdown door een nieuw, ‘slim’ virus, waardoor het meteen ook als de eerste coronaroman werd bestempeld (Covid-19 en corona worden overigens niet bij naam genoemd), keert een aantal personages uit eerdere delen van de cyclus terug. Arthur, kortweg Art, en Charlotte uit Winter vormen inmiddels geen liefdespaar meer, maar schrijven wel samen aan hun blog Art in Nature. De oude Daniel Gluck uit Herfst, inmiddels 104 jaar oud, vormt het hart van de nieuwe roman. En de bejaarde activiste Iris, de tante van Art, is verheugd dat tijdens de lockdown de vluchtelingen stilletjes het detentiecentrum mogen verlaten – zij wil er met graagte vijftien opvangen in de kast van een huis waar ze met Charlotte woont.

Net als in de andere seizoenenromans krijgt de politieke verharding in Zomer gestalte in de houding tegenover vluchtelingen. In Herfst voert een van de vrouwelijke personages al haar eenmansactie tegen een detentiecentrum dat bij haar in de buurt in the middle of nowhere verrijst door allerhande voorwerpen tegen het geëlektrificeerde hek eromheen te werpen, opdat het alarm afgaat. Het zou zomaar dezelfde vrouw kunnen zijn die in Zomer de poep van haar hond, die ze aan het uitlaten is, in een zakje stopt en naar het scheermeshek werpt. In Lente weet het magische meisje Florence een bewaakster van een detentiecentrum te verleiden haar werk in de steek te laten om met haar op reis te gaan, om steun te geven aan een geheim netwerk dat vluchtelingen helpt.

De nieuwe personages in Zomer zijn de zestienjarige Sacha Greenlaw, haar dertienjarige broertje Robert en hun moeder Grace in Brighton. Hun vader woont in het huis naast hen, met zijn nieuwe vriendin Ashley. De breuk in het gezin wordt voorgesteld als een Brexit in het klein, waarbij de vader voor ‘remain’ heeft gestemd en de moeder voor ‘leave’, al deed ze dat misschien meer uit verzet tegen haar man dan uit overtuiging. En waar Sacha een woke tiener is die zich bekommert om het klimaat, vluchtelingen, racisme – you name it – is broertje Robert een mini-Nigel Farage, die iedereen de kast op probeert te jagen met rechtse praat – ‘wat is er eigenlijk mis mee als je zegt dat een zwarte een watermeloenglimlach heeft’ – en anders wel klierige dingen doet als de slimme assistent Alexa in de oceaan gooien met de vraag of zij kan vertellen wat borstcrawl is. Kun je tegen Smith’ personages inbrengen dat ze veelal hetzelfde voorspelbare linkse engagement koesteren, de razend slimme etter Robert is het tegenovergestelde, en toch is hij aandoenlijk.

Als hij op het strand met secondelijm een zandloper op de hand van zijn zusje plakt, ontmoet zij Art en Charlotte die haar thuis brengen. Volgt een roadtrip van de natuurbloggers met het gezin naar Suffolk, waar zij Daniel Gluck gaan opzoeken. Die ligt op bed en ervaart al ijlend zijn geschiedenis als heden. Zo voert Smith je mee naar de Tweede Wereldoorlog als Daniel als jongeman met zijn Duitse vader als ‘vijandelijke vreemdeling’ in Engeland wordt gedeporteerd naar de Isle of Man. Daar worden de artsen, leraren, apothekers, handwerklieden, noem maar op, geïnterneerd, terwijl ze dachten dat ze ontsnapt waren aan de nazi’s. En ook al is de Isle of Man een vakantie-eiland en is de hemel in augustus helder blauw – een gevangenis is altijd een gevangenis.

Het historische heden van Daniel spiegelt de situatie waarin vluchtelingen in het heden van nu verstrikt zijn, in hun detentiecentra. En dan heeft Daniel geluk van spreken: in het kamp wordt hij netjes behandeld en ontmoet hij kunstenaars als Fred Uhlman en Kurt Schwitters die er kunnen doorwerken; het duurt ook maar kort. Dan is de situatie waarin zijn zusje Hannah verkeert een stuk penibeler. Zij zit in het Franse verzet en verkent de Zwitserse grens voor vluchtelingen. Pijnlijk detail: nu moeten vluchtelingen tien kilometer binnen de grens zijn voordat ze van de Zwitsers mogen blijven. ‘Controleer het uithoudingsvermogen’, prent ze zichzelf in. Daniel en zij schrijven elkaar hartverscheurende brieven die ze niet versturen maar verbranden.

In Robert meent Daniel zijn zusje Hannah, dat hij nooit meer heeft gezien, te herkennen. Als hij haar (Robert dus) vraagt waar ze zo lang bleef, en hij zegt dat de tijd hen had onthecht, antwoordt de mini-Farage dat tijd en ruimte juist zijn wat ons allemaal samenbindt, wat ons deel maakt van het grotere geheel. ‘Het probleem is, we hebben de neiging te denken dat we gescheiden zijn. Maar dat is een waanidee.’ Robert heeft een Einstein-obsessie, vandaar dat hij even losjes als diepgaand op Daniel kan reageren als het over tijd gaat (en een zandloper op de hand van zijn overbezorgde zus plakt).

Maar wat hij hier over tijd zegt, is precies wat Ali Smith in Zomer en de andere seizoenenromans doet: ruimte en tijd verbinden, het kakelverse heden met vroeger. Het is ook wat de seizoenen zijn: telkens nieuw, telkens voorbijgaand, telkens terugkerend. Vaak wordt gezegd dat schrijvers zich maar beter verre van de actualiteit kunnen houden, want in romans verwordt die al te snel tot journalistiek of sociologie. Met haar cyclische tijdsopvatting onttrekt Ali Smith zich aan die valkuil: haar seizoenencyclus vangt de tijd weergaloos door er tegelijk aan te ontsnappen.