Bezoek aan het Witte Huis

Een brief uit de VS

Ongebreidelde euforie hier bij rechtschapen links dat Kerry’s eerste beslissing de spijker op de kop lijkt te slaan en dat het warme, zuidelijke bloed, het volkse taalgebruik en het onbegrensde handen schudden van John Edwards de Democratische campagne eindelijk de hiep-hiep-hoera-factor, de devotie aanzuigende kracht zal geven die nodig is voor een overwinning in november. Opeens kan JFK (II), tot nu toe de Sprekende Boom, zijn eigen Veldmaarschalk van Charme inzetten. De tekenen van Republikeinse paniek zijn minder sluiks geworden. Hoeveel woorden kan Dubya (George W.) nog tactisch verbasteren om zijn populistische gelijkwaardigheid met Jan Splinter te demonstreren? Zal Dick Cheneys tweerichtingenmond, die oostwaarts kennelijk een ander publiek toespreekt dan westwaarts, nog verder misvormd raken als hij op televisie geconfronteerd wordt met de Prodent-perfecte straling van de Edwards-grijns?

Zo blijkt maar weer dat het, zelfs in het tijdperk van reclamebombardementen en digitale fondsenwerving, niet voldoende is virtueel campagne te voeren; dat de kiezer nog steeds hunkert naar het persoonlijke ik-wil-jou-en-wel-nu-circus van jovialiteit. Natuurlijk, het electoraat wil iemand om een beslissing te nemen die misschien zelfs gebaseerd is op deugdelijk bewijs, vooral als die beslissing erom gaat of we kinderen naar stoffige, ongastvrije oorden moeten sturen, in humvees met het trotse opschrift: «Ik ben Amerikaan, hier mikken». Maar wat wil het graag dat zijn popcorn knalt en zijn lijf wordt geraakt.

Ik kan het weten. Ik ben hartelijk gehanddrukt door de Meester zelf, in het Witte Huis, aan de vooravond van het millennium. Historici zijn opgetrommeld om uitspraken te doen over de manier waarop andere eeuwen zijn begroet: Natalie Zemon Davis jaagt ze de stuipen op het lijf met verhalen over angst en vrees toen het jaar 1000 aan de middeleeuwse horizon verscheen. Applaus, cocktails, hors d’oeuvres. Ik ga rechtstreeks op Hillary af die welwillend aanhoort hoe ik raaskal dat het schandalig is geschiedenis op de middelbare school «social studies» te noemen, zodat de studie van het verleden verandert in Het Vak Dat Zijn Naam Niet Durft Uit Te Spreken. «Waarom praat u er niet over met de president?» vraagt ze. Ik ga nederig in de rij staan. Bill Clinton hoort me aan zonder dat zijn gezicht ook maar een moment verstrooidheid, verveling of ongeduld verraadt. Na de voorgeschreven drie minuten draai ik me om, uitgeput door mijn eigen schijnheiligheid, en wil teruglopen naar de hapjes, maar op dat moment voel ik opeens een hand op mijn schouder. Ik keer me om. Het presidentiële gezicht is een enorme, roze, broederlijke glimlach en heel, heel dichtbij. «Simon, ik ben erg blij dat je gekomen bent, dat wilde ik even zeggen.» De hand drukt nog wat harder op de schouder. Ik mompel dat ik ook erg blij ben en dribbel weg, als een hondje dat juist over zijn buikje is gekrabbeld. Ik ben opeens een aanbidder. Lieve Leider, ik zal u volgen waar u ook gaat.

Wie dit begaafdheid in de omgang met de gewone man noemt, laat het veel eenvoudiger klinken dan het is. Je moet het, zoals Clinton, om te beginnen echt leuk vinden met mensen van allerlei slag om te gaan. De scène in de filmversie van Primary Colors, waar de kandidaat bij Dunkin Donuts zit te flirten met het personeel, was typisch Clinton. Wie in de Amerikaanse politiek dit talent versmaadt, heeft een probleem. In Engeland is dat niet zo, daar wekt demonstratieve familiari teit eerder diep wantrouwen of zelfs minachting. Het is moeilijk ook maar één twintigste-eeuwse Engelse premier te bedenken voor wie hartelijk handen schudden en de gave om als stamgast bij de Dog and Duck een rondje te bestellen, een belangrijk politiek pluspunt is geweest. Lloyd George begon als kleinsteedse advocaat met twinkelende ogen, maar eindigde als een schimmige plutocratische grande. Churchill oogde in de Blitz-tijd als vriend van de gewone man, maar, vertelde zijn vrouw, wie hem wilde begrijpen moest weten dat hij nog nooit in een bus had gezeten.

Het is altijd anders geweest aan deze kant van de oceaan. Misschien omdat de founding fathers zo’n ongenaakbaar stelletje waren en omdat, toen Andrew Jackson op het toneel verscheen, een poging werd gedaan ten minste de president een van ons te laten lijken. Washington? Goed voor de troepen maar verdacht van koninklijke ambities. John Adams? Filosofischer dan goed voor hem was. John Quincy Adams? Nog hoogstaander dan papa. Madison? Wie kan die traktaten van de founding fathers nou lezen? In werkelijkheid was Jackson zelf even ijdel, koppig en in staat tot lompe afstandelijkheid als de rest, maar zijn campagneleiders maakten van hem de frontiersman die gewone taal sprak en ons schijnbaar ook nog de uitdrukking «OK» heeft gegeven («Orl Krekt», zijn verbastering van «all correct»).

Enzovoort. Lincolns verrassende impopulariteit die voortkwam uit de afstandelijkheid die hij uitstraalde. Grants naar sigaren riekende houding ten opzichte van geld en zijn met whisky gesmeerde jovialiteit. Theodore Roosevelts bloeiende Gridiron Club als juichend tonicum voor zijn patricische afkomst. Hoover, zuurpruim van een ingenieur met kant en klare panacees voor de armoedzaaiers. FDR’s gave contact te maken via radiogolven. Jacks grapjes. Ronnies sterke verhalen. Die laatste twee in tegenstelling tot Nixon en Carter die ieder op hun eigen manier zwoegden op vriendelijkheid zonder er ooit echt in te slagen.

En dat brengt ons bij het komende toernooi van kinstrijkerij. In 2000 bewees Bush’ ongedwongen instinct voor jovialiteit hem goede diensten tegen de vaak intimiderende toon van oom Al. Gores professorale gerol met de ogen, geklik van de tong en gezucht om Dubya’s «Sja, daar hejje me, maar la me je één ding zeggen»-benadering van beleidsdetails waren waarschijnlijk de nagel aan zijn doodskist. Maar deze keer — zelfs voor de mensen die niet hebben gezien hoe Michael Moores genadeloze camera zich richtte op Bush en co, ogen die onzeker naar rechts en naar links flitsen, het gezicht in de plooi voor de camera — hebben de maniertjes misschien hun goodwill verloren, en lijken ze eerder een berekende pose dan iets echts. Kerry’s stijfheid, als die gecompenseerd wordt door Edwards’ oprechte plezier onder de mensen te zijn, zou juist over kunnen komen als het eerlijke optreden dat het ook echt is. Geloof het of niet, het Amerikaanse electoraat is in de stemming voor hersens. Maar net als altijd moet het ook geknuffeld worden. Wie niet?