De Nationale Zadenbank

Een buik vol fladderende vlinders

Met de vernieuwing van de Aflsuitdijk dreigt een uniek ecosysteem verloren te gaan. De zaden van inheemse planten worden daarom verzameld door het Levend Archief om ze later weer in te zaaien. ‘Dit is ons botanisch erfgoed.’

De vernieuwde en versterkte Afsluitdijk met speciaal ontworpen blokken voor de groei van inheemse planten, zoals de zeekool op de oude dijk, 31 augustus © Sanne Bloemink

Een Hollands schilderij anno 2020. Bescheiden pakketten blauwgrijze stapelwolken steken scherp af tegen een lange strook lichte, stenen blokken. Dit is het eerste, voltooide deel van de nieuwe Afsluitdijk. Ik proef het zout van de Waddenzee dat de wind door mijn haren blaast.

In een spleet tussen de oneven blokken steekt een lichtgroene plant de kop op en Joop Schaminée, veelvuldig gelauwerd botanicus en hoogleraar vegetatiekunde aan de Wageningen Universiteit en de Radboud Universiteit Nijmegen, sprint erop af. De plant ziet eruit als een kool en blijkt dat ook te zijn. ‘Een zeekool, die is hier dus op eigen houtje heen gekomen.’ Ik zie een kool met een knapzakje voor me, maar zet snel een streep door dat beeld. De zaadjes van de zeekool moeten even verderop zijn meegenomen door de wind en hier zijn neergedwarreld. We vinden her en der verspreid een paar exemplaren kustmelde en peen, planten die zich eveneens tussen de blokken door omhoog hebben gewerkt.

Nils van Rooijen, als plantenecoloog verbonden aan Wageningen Environmental Research, vertelt dat het bijzondere planten zijn, omdat we hier te maken hebben met een extreem ecosysteem. Denk aan het zoutgehalte van de grond, de extreme droogte en de sterke temperatuurverschillen. ‘Het is hier eigenlijk een soort woestijn.’ Hij is dan ook opgetogen over de vondst van de planten op deze plek. Dit was precies de bedoeling.

Zeven jaar geleden kondigde koning Willem-Alexander in de troonrede aan dat de nieuwe Afsluitdijk een toonbeeld zou worden van ‘innovatie op het gebied van veiligheid én natuur’. Dat veiligheid vooropstaat is evident. De Afsluitdijk moet worden versterkt met het oog op toekomstige zeespiegelstijging en meer extreem weer. Aan het laatste stukje van de zinsnede uit de troonrede (‘én natuur’) heeft Schaminée de afgelopen zeven jaar, als bioloog-lid van het kwaliteitsteam van dit miljoenenproject, meermalen gerefereerd. ‘Het was vanaf het begin duidelijk dat dit een ecologische dijk moest worden.’

De vroegere basaltblokken mochten niet meer gebruikt worden bij de aanleg van de vernieuwde dijk; de nieuwe blokken voor de bekleding van de zeewering zijn speciaal ontworpen om de groei van inheemse vegetatie op de 32 kilometer lange zeedijk mogelijk te maken en ruimte te laten voor de fauna. Aan de voet van de dijk liggen ‘Levvel-blocs’, innovatieve betonelementen die speciaal voor de Afsluitdijk zijn ontwikkeld. Op de hogere delen van de helling liggen de recent ontwikkelde ‘quattroblocks’, een stabiel materiaal dat tegelijkertijd vegetatie de kans biedt om tussen de spleten en kieren te groeien. Door het afwisselende gebruik van lage en hoge zuilen van quattroblocks ontstaan er ribbels op de dijk, zodat de golfoverslag vermindert en de hoogte van de dijk relatief laag kan blijven.

De zeekool is hier zelf terechtgekomen, maar een aantal andere zeldzame, inheemse planten heeft binnenkort hulp nodig om zich hier te kunnen nestelen. Alle vegetatie van de oude Afsluitdijk, unieke planten die groeien tussen de negentig jaar oude basaltblokken, verdwijnt momenteel als gevolg van de volledige vernieuwing van de dijk en niet alle soorten zullen zichzelf in stand kunnen houden. ‘Een uniek ecosysteem’, aldus Schaminée, dat helemaal verloren zou gaan als niet actief wordt ingegrepen. Daarom zijn er de afgelopen tijd grote hoeveelheden zaden van de inheemse planten op de oude dijk verzameld. Grotendeels het werk van vrijwilligers zoals Ben Bruinsma, door Schaminée en Van Rooijen ook wel ‘kampioen zadeninzamelaar’ genoemd. ‘Hij kent elke vierkante millimeter van de dijk.’

Toevallig (of misschien wel niet zo toevallig) komen we Bruinsma tegen op het nieuwe stuk dijk. De Fries praat opgewekt over de aangetroffen planten en bevestigt dat op de zolder van het stadhuis in Leeuwarden ‘kilo’s zaden’ van de oude dijk liggen opgeslagen. Die zullen in een later stadium weer worden ingezaaid in de nieuwe dijk. De vraag is alleen nog hoe.

Dit is de reden dat Cerian van Gestel vandaag op stap is met Schaminée en Van Rooijen. Met haar Stichting Guerrilla Gardeners creëert ze al jaren ‘zaadbommen’, bolletjes van klei, compost en inheemse plantenzaden. De laatste tijd heeft ze zich gericht op zaadbommen met daarin zaden van inheemse akkerbloemen voor ‘bloemexplosies in de bebouwde kom’. Daarnaast richt ze zich de komende tijd op het vergroenen van boomspiegels, de vaak droge grond rondom bomen op straat. Inmiddels is ze ook betrokken geraakt bij deze ingewikkelde, maar interessante uitdaging: wat voor soort bolletjes zouden geschikt zijn om hier op de nieuwe Afsluitdijk tussen de quattroblocks te plaatsen?

Gewoon zaadjes uitstrooien is geen optie. Eén vloedgolf en ze spoelen weg. De bolletjes kunnen helpen om zaden op hun plek te houden en de eerste periode tot ontkieming goed door te komen. De vraag is nu hoe de samenstelling van de bolletjes er voor deze omgeving uit zou moeten zien. Om dat uit te dokteren hebben ze gelukkig nog twee jaar de tijd. Twee jaar experimenteren en uitproberen. En dan worden er tienduizend zaadbolletjes over de 32 kilometer dijk ingebracht. Het is slechts een van de vele projecten waar het Levend Archief bij betrokken is.

© Sanne Bloemink

In het Waddencentrum bij Kornwerderzand drinken we koffie en praten we over het Levend Archief. De stichting, waarvan Joop Schaminée voorzitter is, werkt als een platform en heeft als doelstelling de genetische diversiteit van wilde planten veilig te stellen door zaden te verzamelen van inheemse plantensoorten en ze op te slaan in de Nationale Zadencollectie. ‘We werken samen met allerlei verschillende partijen, zoals in dit geval met Guerrilla Gardeners’, vertelt hij. ‘Zolang ze maar dezelfde doelstellingen onderschrijven.’ De inheemse zaden moeten alleen worden ingezaaid op de plekken waar ze horen en die geschikt zijn. Van Rooijen vult aan: ‘We willen natuurlijk ook Nederland groener en bloemrijker maken.’

Ze zijn fervent tegenstanders van zogenaamde ‘pretpakketten’ of ‘carnavalspakketten’, de zaadmengsels van bijvoorbeeld veel supermarkten. Mijn dochter heeft toevallig deze zomer een zakje met zaadjes van de hema in een grote bloembak gezaaid en we waren verrukt over het resultaat. Fout? ‘Ja, want dat zijn pakketjes zaden die misschien mooie bloemen opleveren, maar niet inheems zijn’, zegt Schaminée. ‘Het zijn soms wel zaadjes van soorten die je wil hebben, maar dan genetisch doorgekweekt, meestal in Zuid-Europa. Uiteindelijk kunnen ze zich vermengen met inheemse soorten en daardoor verlies je de genetische diversiteit van de inheemse planten. Je houdt een hybride soort over en het spel met de omgeving gaat verloren. Inheemse soorten hebben zich over een lange periode kunnen aanpassen aan de specifieke omstandigheden van het hen omringende ecosysteem en zijn daarom veerkrachtiger. Daar komt nog eens bij dat de zaden in de pakketten vaak bewerkt zijn met giftige chemicaliën. Heel kwalijk dus.’

Maar waarom is het eigenlijk een probleem als we hier planten uit Zuid-Europa importeren? Stel dat ze niet met gif zijn bespoten? Het Zuid-Europese klimaat is toch zo’n beetje het klimaat waar we hier in Nederland naartoe gaan? ‘Nee!’ roepen ze in koor, ‘dat is een grote misvatting.’ Van Rooijen: ‘Ons klimaat is nu ook helemaal niet zoals in Zuid-Frankrijk. Er kan zomaar weer een koud jaar tussen zitten in Nederland. Klimaatopwarming gaat met schommelingen en klappen. Dat is geen lineair proces. Gezonde populaties van inheemse soorten zorgen voor variatie en veerkracht en kunnen die klappen opvangen. Met de opwarming komen er wel planten uit Zuid-Frankrijk naar Nederland, maar we moeten ze niet gaan ophalen om hier de natuur zogenaamd “klimaatbestendig” te maken.’

‘Bij de korenbloemzaden uit de pretpakketten is voor insecten niets te halen, want er zijn geen meeldraden’

‘Een jaar of dertig geleden’, vertelt Schaminée, ‘was er een programma van het rivm, een modelstudie waarin werd gekeken wat er in de toekomst met de flora in Nederland zou gebeuren. De voorspelling was dat allerlei soorten nu uitgestorven zouden zijn vanwege klimaatverandering. Maar van al die soorten is geen enkele verdwenen.’ Van Rooijen stipt daarbij wel aan dat het hier ging om de meest gangbare soorten. Uiteraard zijn er ondertussen wel degelijk plantensoorten uitgestorven. De grootste aandrijver voor het uitsterven van soorten is echter niet direct klimaatverandering, maar, en dit zeggen ze wederom in koor, omdat het kennelijk een overbekende riedel is: ‘Verdroging, verzuring, vermesting, versnippering (vooral bij fauna) en vernietiging van habitat.’ Al deze processen worden veroorzaakt door de manier waarop we omgaan met water en land, waardoor we de veerkracht van natuurlijke systemen tenietdoen. Van Rooijen: ‘Je zou kunnen zeggen dat de driver van de “vijf V’s” uiteindelijk hetzelfde is als die van klimaatverandering: de mens.’

Belangrijk is ook dat de grootste vectoren voor verspreiding van planten via waterstromen en bevloeiingssystemen, dierlijke en menselijke mest, allemaal vol met zaden, grotendeels zijn weggevallen. Uit zichzelf kunnen veel planten zich met hun zaden misschien een halve meter verplaatsen ‘en dan heb je het wel gehad’. Geen knapzakje.

De vermenging met niet-inheemse soorten leidt niet alleen tot minder variatie onder de planten, maar heeft ook directe gevolgen voor insecten. Neem de sleedoorn die je vaak langs de snelweg ziet staan en die zich kenmerkt door witte bloemetjes. Van Rooijen legt uit dat deze niet-inheemse, aangeplante sleedoorn eind februari, begin maart bloeit. ‘Terwijl de oorspronkelijke inheemse sleedoorn, die in het binnenland voorkomt, bijna een maand later pas in bloei komt te staan, meestal pas in april.’ Alle vlinders, bijen en andere insecten die specifiek op het stuifmeel en de nectar van de sleedoorn afkomen, zijn precies op dat bloeimoment ingesteld en komen daar dan ook pas in april op af. In het binnenland is het dan altijd een druk gezoem rondom de inheemse sleedoorn. Maar bij de snelwegen vangen ze bot: de sleedoorn langs de snelweg is dan inmiddels al lang uitgebloeid.

‘Dat noemen we een “fenologische mismatch”’, legt Schaminée uit. ‘De bloemetjes staan misschien wel mooi langs de snelweg, maar de insecten en vlinders hebben er niets aan. Bovendien bestaat het risico dat de inheemse sleedoorn, die wel de insecten en vlinders kan bedienen, door de nieuwe soort wordt verdrongen. De aangeplante sleedoorn is officieel dezelfde soort, maar genetisch is hij toch verschillend. Daardoor kan hij helaas niet de ecologische rol spelen die hij zou moeten spelen.’

Steeds vaker vinden de wetenschappers deze genetische verschillen bij planten die officieel toch tot dezelfde soort behoren. Zo is de parnassia die aan zee groeit zelfs op het oog anders dan de parnassia in het binnenland, terwijl het toch dezelfde soort is. Of neem de korenbloemen die in de ‘pretpakketten’ zitten. Vaak is dat de zogenaamde ‘dubbele korenbloem’, die zo is doorgekweekt dat de meeldraden eigenlijk bloembladen zijn geworden. ‘Mensen vinden ze mooi en zaaien ze goedbedoeld uit voor insecten, maar vergeet het maar. Er is niets te halen voor insecten, want er zijn geen meeldraden’, zegt Schaminée.

De beide onderzoekers denken dat de grootste verandering in hun veld bestaat uit de manier waarop we naar soortbescherming kijken. ‘De definitie van een soort is vrij willekeurig, gebaseerd op de oude taxonomie, op uiterlijke kenmerken. Maar daarmee weten we nog niet wat voor variatie er binnen een soort is. Daarom kijken we eerder naar populaties’, licht Van Rooijen toe. ‘Natuurbeschermers zouden kunnen concluderen dat een terrein nog op orde is, omdat de soort er nog staat, maar vaak gaat het daarbij om een niet duurzame populatie, zodat er toch actie ondernomen moet worden’, vult Schaminée aan.

Zo deed de Wageningen Universiteit in samenwerking met het Levend Archief een project ter versterking van de genetisch verarmde populatie inheems knikkend nagelkruid in het Brabantse Ulvenhout. Er werd onderzoek gedaan en er bleek nog een aantal populaties knikkend nagelkruid te vinden. Een daarvan ligt in Middachten, ten noorden van Arnhem. Een andere populatie bevindt zich een stuk verder weg, in België, net over de grens in Zuid-Limburg. Normaal gesproken zou je als eerste bedenken om zaden af te vangen in de dichtstbijzijnde populatie in Middachten. Uit onderzoek bleek echter dat de populatie in België genetisch veel dichter bij die van Ulvenhout ligt dan die in Middachten. Achteraf gezien logisch, poneert Schaminée. De populaties in Ulvenhout en België liggen beide in het stroomgebied van de Maas, terwijl Middachten zich in het stroomgebied van de Rijn bevindt.

In De ontsnapping van de natuur: Een nieuwe kijk op kennis (2018) lieten biologen Thomas Oudman en Theunis Piersma aan de hand van de voedselvoorkeuren van de kanoet (een wadvogel) glashelder zien hoe veranderingen in het uiterlijk van een organisme kunnen worden veroorzaakt door de omgeving. Zelfs zonder genetische mutaties. En ook als veranderingen wél daardoor plaatsvinden, blijken die afhankelijk te zijn van de omgeving. De epigenetica leert immers dat bepaalde genen onder invloed van de omgeving wel of niet tot expressie komen.

Oudman en Piersma bespreken in hun werk de metafoor die Darwin in zijn Origin of Species aanbracht: de strikte scheiding van organisme en omgeving. Ze schrijven: ‘Natuurlijke selectie omvat de beeldspraak dat de omgeving een zeef is, die bepaalt welke organismen door mogen naar de volgende ronde.’ De realiteit is anders. ‘De scheiding die Darwin aanbracht tussen organisme en omgeving was weliswaar de springplank die het mogelijk maakte om überhaupt op het idee van evolutie te komen, maar het is toch ook slechts een metafoor. Zoals elke metafoor is ook deze maar tot op zekere hoogte houdbaar.’ ‘De prijs van metafoor is eeuwige oplettendheid’, citeren ze Norbert Wiener instemmend.

De roggelelie, die vooral voorkwam op roggeakkers, staat nu op de rode lijst van bedreigde plantensoorten © Joop Schaminée

Die omgeving omvat zelfs de niet-fysieke omgeving, vaak in de vorm van verhalen. Een paar maanden voorafgaand aan mijn bezoek aan de Afsluitdijk sprak ik Joke ’t Hart, penningmeester van het Levend Archief en een belangrijke motor van de organisatie, over haar inheemse plantenpassie. Aan de telefoon vertelt ze: ‘Wat mij raakt en aanspreekt is dat je het doet voor de planten zelf, dus ook voor planten die niet direct een bekend nut hebben voor mensen. En de verhalen rond die planten zijn vaak zó mooi!’ Ze werkt al lang in de botanische wereld. In 2017, aan het eind van het project ‘Planten voor de Toekomst’ tijdens het Zadensymposium, besloot ze zich in te zetten voor het Levend Archief.

Net als de befaamde zadenbank in Spitsbergen, waar overigens alleen zaden van voedselgewassen worden opgeslagen, bewaart het Levend Archief de zaden veilig in de vriezer. ‘Maar we zaaien ook uit waar dat nodig is. We willen dat deze planten behouden blijven, zowel in de vriezer als in het landschap zelf’, aldus ’t Hart. Want juist in dat landschap ontstaat die duizelingwekkende diversiteit van planten die veerkracht in het ecosysteem oplevert. Dat uitzaaien van zeldzame soorten is een zeer precies werkje, waar veel onderzoek bij komt kijken. Het komt erop neer dat voor iedere soort die aan bod komt een eigen actieplan wordt opgesteld.

Het Levend Archief wil alle inheemse zaden bewaren, maar richt zich in eerste instantie vooral op soorten die op de rode lijst staan. Daarbij schuwen ze de grote inspanningen niet. Zo was er de actie voor de kleine valeriaan, de Valeriana dioica. Dioica betekent tweehuizig en dat wil zeggen dat er mannelijke en vrouwelijke planten zijn. Op de Veluwe bevond zich een drietal populaties, maar dat waren telkens alleen mannetjes of alleen maar vrouwtjes. Van die populaties werden wortelstelsels en scheutjes meegenomen en in een proefkas in Nijmegen in tweehonderd potten uitgezet. Vervolgens heeft de conservator van het Levend Archief in Nijmegen, Sina Bohm, met de hand met kwastjes de bloemen bestoven, om zo de mannetjes bij de vrouwtjes te brengen. ‘Volgend jaar gaan we die planten terugbrengen naar die drie plekken. Zo kunnen we ze echt een push geven. Heel mooi om dat op deze manier aan te pakken en te kunnen waarmaken’, vertelt Schaminée enthousiast tijdens een ander telefoongesprek. ’t Hart is net zo geestdriftig. ‘Het geeft zoveel energie om met zijn allen hiermee bezig te zijn.’ >

Juist de variatie van begroeiing op de dijk zorgt voor de broodnodige veerkracht en daarmee ook voor meer veiligheid

Vrijwilligers zijn op alle niveaus van groot belang voor de aanleg van de Nationale Zadencollectie, maar dat betekent niet dat iedereen zomaar zaden kan afvangen en uitzaaien. Er zijn speciale opleidingsdagen en strikte protocollen.

‘Als de bloem is uitgebloeid’, zegt Schaminée, ‘dan hebben we vaak niet zoveel aandacht meer voor de plant, maar dát is juist het moment dat je het wonder kunt zien. Dat is het moment dat de zaden zich vormen en een fascinerende wereld zich ontvouwt. Er zitten vaak fantastische patronen in die zaden. Of kleine weerhaakjes of lichaampjes die aan zo’n zaadje vastzitten. Het muurleeuwenbekje heeft bijvoorbeeld zo’n systeem. In het zaadje vormt zich een “mierenbroodje”. De mier neemt dat mee en verspreidt op die manier de zaadjes, soms tot wel tien meter weg van de plek waar de plant bloeide. Zo heeft de plant weer een nieuwe plek weten te bereiken. We gebruiken zaden heel vaak. Denk aan peper, kaneel of nootmuskaat. Maar we hebben meestal geen idee waar het allemaal vandaan komt. Of welk verhaal eraan vastzit.’

Juist ook die verhalen willen de mensen van het Levend Archief bewaren en vertellen. Elke plant krijgt in de kennisbank een zogenaamd ‘plantenpaspoort’, waarin alle zadenbiologische kennis en soortkenmerken zijn opgenomen, maar ook literatuur en andere verhalen over wilde planten worden opgenomen in de kennisbank. Neem de roggelelie, een oranjekleurige lelie die al te zien is op Het laatste oordeel, een beroemd drieluik van Hans Memling dat gedateerd is op het jaar 1473. Petrus staat aan de voet van de trap naar de hemel en heet de mensen welkom die naar de hemel mogen. Naast hem is een roggelelie afgebeeld. De laatste bloem die je ziet voordat je naar de hemel gaat.

‘Een prachtige plant die vooral voorkwam in roggeakkers op esgronden’, vertelt Schaminée. ‘De soort leek in Nederland helemaal verdwenen. We zagen hem alleen nog maar her en der in tuinen; het is zó’n mooie lelie dat iedereen altijd dacht dat het een tuinplant was die via de tuinen op akkers terecht was gekomen. Maar het bleek andersom te zijn! Het was oorspronkelijk een akkerplant, maar mensen vonden hem zó mooi dat ze hem meenamen en in hun tuin zetten. De plant staat nu op de rode lijst van bedreigde plantensoorten, maar met de zaadjes van de lelie heeft Staatsbosbeheer de roggelelie weer teruggebracht in de Drentse Aa. Er is nog één andere akker in Nederland waar hij oorspronkelijk staat, maar die plek houden we zo veel mogelijk geheim. Die bloem is zó spectaculair dat iedereen hem wil hebben, maar ik wil hem zelf graag weer in de akkers zien.’

Ik merk dat ik steeds enthousiaster raak door alle plantenverhalen. Het is het gevoel van de ‘buik vol fladderende vlinders’ dat Oudman en Piersma beschrijven als het gaat om de intrinsieke waarde van de natuur. Een gevoel dat in scherp contrast staat met het wijdverbreide utilitaristische perspectief waarin met begrippen als ‘ecosysteemdiensten’ een poging wordt gedaan om te berekenen wat de natuur mensen oplevert.

plantjes kleine valeriaan worden met de hand bestoven © Joop Schaminée

Hoewel het bij het Levend Archief gaat om de inheemse planten zelf, los van het directe nut voor mensen, blijkt keer op keer dat behoud van inheemse planten leidt tot meer veerkracht in ecosystemen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘gewone’ dijken van Nederland: 95 procent van de zeventienduizend kilometer dijk die in Nederland ligt is geen zeedijk, maar ‘grasdijk’. Hun ‘grasbekleding’ bestaat uit standaard grasmengsels uit Engeland. Ze bevatten in de regel twee soorten gras en een beetje klaver. Omdat het gestandaardiseerde mengsels zijn met nauwelijks variatie eindigen alle wortels van het gras op dezelfde plek. Zo ontstaan ‘zoden’, de plakkaten gras die je kunt oprollen en bijvoorbeeld ook in je tuin kunt leggen.

‘Maar als een golf met water onder die zoden terechtkomt, dan kunnen die zoden eenvoudig loskomen en slaat een deel van de dijk gemakkelijk weg’, legt Van Rooijen uit. ‘Terwijl inheemse mengsels, die zich kenmerken door een grote variatie aan grassen en kruiden, onder de grond een divers netwerk aan wortels laten zien. Sommige wortels liggen diep, andere juist weer ondiep, maar ze raken allemaal met elkaar verknoopt in een soort netwerk dat juist bijzonder stevig verankerd is en niet makkelijk door een golf water wordt weggeslagen. Zo krijg je een veiliger en meer erosiebestendige dijk.’ Schaminée voegt eraan toe dat het ook nog eens mooier oogt, al die verschillende begroeiing op de dijk. Veel dijken worden intensief begraasd door schapen. Een typisch Hollands gezicht, die schaapjes op de dijk. Maar ook dat werkt niet mee aan de stevigheid, want ‘al het gras wordt gemillimeterd’.

De standaard mengsels worden vaak gebruikt, want in de praktijk is werken met afgemeten, uniforme wortellengtes handig. Je kunt op die manier de factor van het gras eenvoudig in modellen stoppen om de veiligheid van een dijk te berekenen. Maar, zoals zo vaak blijkt in discussies rond biodiversiteit, zorgt juist de variatie voor de broodnodige veerkracht en daarmee ook voor meer veiligheid. En die veerkracht zullen we hard nodig hebben in een toekomst die onzeker en onvoorspelbaar is. Paradoxaal genoeg kan het principe om juist níet uit te gaan van direct menselijk nut ons mensen misschien uiteindelijk wel het beste helpen.

Schaminée merkt dat bij Rijkswaterstaat het roer nu echt om is. ‘Ze gaan nu werken met grassen van inheemse kwekers en zien de noodzaak om ook kruiden mee te mengen. Voor de Afsluitdijk is dat zelfs contractueel vastgelegd. Dat zijn van die kleine winstjes. Er verandert wel wat.’

In Nederland is op dit moment 95 procent van alle ‘houtige gewassen’ niet-inheems materiaal, weet Van Rooijen. Schaminée vult aan: ‘Er is daarover ook een Kamercommissie bijeen geweest en het was duidelijk dat we dit niet meer moeten willen. In Duitsland is zelfs een wet aangenomen die mensen verplicht om met materiaal uit de buurt te werken. Daar zijn specifieke geografische gebieden voor aangewezen. We gaan proberen erop in te spelen dat zo’n wet ook in Nederland wordt aangenomen. Natuurbeschermingsorganisaties hebben we daar ook in meegekregen. We moeten echt veel bewuster zijn dat het hier gaat om zaken van nationaal belang.’

Als we toe willen naar meer inheemse planten, dan is het wel belangrijk om een goede definitie te hebben. Want was is inheems en wat niet? Deze vraag is niet altijd eenvoudig te beantwoorden, geeft Schaminée toe. Korenbloemen of klaprozen zien we als wilde planten, maar ze zijn oorspronkelijk met de Romeinen mee naar Nederland gekomen. Hij legt uit dat in de vegetatiekunde grofweg een driedeling wordt gehanteerd. Het meest inheems zijn de soorten die al in Nederland zijn sinds de ijstijd, dus twintigduizend jaar geleden. Toen het ijs wegtrok vestigden deze zich op de zogenaamde ‘terra nuda’, de naakte grond. ‘Dit zijn er meer dan duizend, veel van de gewone soorten die je overal tegenkomt in Nederland, zoals margrieten en boterbloemen.’

Dan is er vervolgens de periode vóór 1500, planten die zijn meegekomen met de Romeinen, uit het Midden-Oosten, Zuidoost-Europa. Bijvoorbeeld de tamme kastanje. Deze soorten zijn zo ingeburgerd dat we die ook als wild zien. Na 1500 beginnen veel planten zich te verspreiden via ontdekkingsreizen en kolonisatie, zoals nog maar kort geleden het bezemkruiskruid dat nu overal massaal langs onze snelwegen groeit. Dat proces van inburgering, mede onder invloed van klimaatverandering, gaat nog steeds door. Het is niet statisch en de grenzen zijn soms lastig te trekken. Per jaar komen er zelfs zeven soorten bij. Het ‘spel tussen plant en omgeving’ blijft immers altijd doorgaan.

Op de nieuwe Afsluitdijk staat Cerian van Gestel met een donker stuk zeewier in haar handen. Ze betast het materiaal, ruikt eraan en bekijkt het van alle kanten. ‘Ik denk toch dat dit te hard is. Misschien zou het als voeding wel geschikt zijn, maar dan zou er iets bij moeten dat ervoor zorgt dat het water er ook echt ín komt.’ Van Rooijen denkt mee: ‘Je zou er misschien ook een soort agar van kunnen maken.’ Van Gestel kijkt bedenkelijk. ‘Het zou natuurlijk wel mooi zijn om materiaal uit deze omgeving te gebruiken.’ Het is duidelijk dat de puzzel nog niet is opgelost. Maar ze zijn alle drie vastbesloten om al hun kennis en expertise in te zetten. Schaminée: ‘We kunnen al die fraaie soorten op de Afsluitdijk niet verloren laten gaan. Dit is ons botanisch erfgoed.’