Opheffer

Een burgerlijk zootje

En soms zijn we het oneens… Zo zijn Gawie Keyser en Jacq Goderie aan de ene kant (mannen wier mening ik altijd op prijs stel) en ik aan de andere kant het volstrekt oneens over de film Leef! van de onlangs gestorven Willem van de Sande Bakhuyzen. Hun juichbesprekingen verbaasden mij.

De film maakte mij… hoe moet ik dat omschrijven… verdrietig, een woord waarvan ik hoop dat het iets diepers uitdrukt dan «teleurgesteld». Niet om het plotselinge overlijden van Van de Sande Bakhuyzen, die ik niet kende, maar meer om Maria Goos, die ik als scenariste en columniste hoog heb zitten en wier scenario van Leef! ik domweg slecht vond. (Ik vermoed dat een hoeveelheid dramaturgen de film kapot heeft gedramatiseerd.)

Voor de inhoud leze men in De Groene van vorige week de bespreking van Gawie Keyser.

De reden dat ik de film slecht vond, lag in iets wat me zelf verbaasde: de burgerlijkheid van het verhaal. Een man gaat vreemd – aanleiding voor mooi drama met mooie dialogen. Die mooie dialogen vallen wat tegen, wat niet eens zo erg is, maar die man wordt voor zijn vreemdgaan gestraft! Met een hernia. En dat niet alleen. De vrouw met wie hij vreemdging, was toch eigenlijk een hoer, want kijk eens: ze gaat er al meteen met iemand anders van kantoor vandoor. Nou ja, zo’n lijntje mag je in een verhaal hebben. Maar alle lijntjes waren zo moralistisch. Punkdochter keert op haar schreden terug nadat ze verkracht is door haar vrienden, compleet in truttenkleren en truttenkapsel. Het meisje met het slechte hart krijgt een nieuw hart en leeft nog lang en gelukkig. De Beroemde Schrijver wil liever de dochter dan de moeder en grijpt de dochter. Foei! De allochtone stagiaire blijkt een goed mens te zijn. Het huwelijk wordt op tijd gered. En Anna, de hoofdpersoon, heeft uiteindelijk de moord niet gepleegd…

Wat mij verbaasde was dat me dit ergerde.

Is moralisme een criterium waarop je een film mag of moet beoordelen?

Gerard Reve heeft een katholiek moralisme, en die bewonder ik – zelfs zijn slechtste boeken vind ik nog goed. Céline was een antisemiet en dacht volstrekt anders dan ik, toch hou ik van al zijn boeken, ook de antisemitische geschriften. Van de moraal van Sartre blijkt achteraf ook niets te deugen – ik hou nog steeds van zijn romans. Moralisme of amoralisme kan me eigenlijk niets schelen.

Maar waarom ergert het me dan zo?

Vermoedelijk heeft dat te maken met het feit dat ik de film niet anders kan zien dan als een product dat juist dat moralisme als thema heeft.

Het zit al in de titel: Leef! Een titel met een vorm van Youp van ’t Hek-enthousiasme… «En we moeten leven! Elke dag kan de laatste zijn! We gaan naar Parijs! Nu… et cetera, et cetera.» Leef! Dus laat je leven niet verpesten met gedachten aan de dood; er is altijd iets om voor te leven! Heb je een slecht huwelijk? God straft de vreemdganger. Is je dochter ongeneeslijk ziek? Het nieuwe hart klopt al in de kluizen van het ziekenhuis… De allochtone medemens? Hij is begaan met de zwakken en bejaarden. Mooi hoor. Dus: Leef! Het leven is namelijk de moeite waard. Het leven heeft zin!

De enige die naar mijn maatstaven daadwerkelijk leefde – ook als personage – was de punkdochter. Maar verdomme, ook die komt tot «inzicht» nadat haar vrienden haar in een gangbang hebben verkracht en keert terug als non in de moederschoot. De film ademde een CDA-mensbeeld. Vooruit, een GroenLinks-mensbeeld. En dan de clichés waarmee een en ander was geïllustreerd. De hoofdpersoon wil schrijfster zijn (wie houdt haar eigenlijk tegen? vroeg ik me af, ze schrijft toch?), dat kan. Maar als ze dan in wanhoop met een koffer vol manuscripten wegrent, vliegt die koffer op straat open en dwarrelen al haar manuscriptvelletjes op de grond en worden door de wrede wind verwaaid. (Noem minstens drie andere films waarin we dit beeld tegenkomen.) Het is een romantisch beeld dat past bij dat moralisme, en daarom ergerde het mij.

Maar nog is dan de vraag niet beantwoord of een moralisme waar ik het mee oneens ben een criterium kan zijn waarop je een film moet beoordelen. Als dat zo zou zijn, zou de beoordeling van films makkelijk zijn. Wat in je straatje te pas komt, vind je goed, de rest wijs je af. Er moeten ook andere zaken zijn. Het spel, de montage, de structuur van het verhaal.

Het spel was goed, de montage ook, de structuur van het verhaal… Tja, daar had ik wat meer moeite mee. De film kende veel lagen. Anna heeft een paar alter ego’s, de spiegelstructuren vlogen je om de oren en hoofdstuk 3 en 4 van Film Art en het gehele oeuvre van Patricia Pisters werden geïllustreerd…

Soms meende ik dat het juist de gladde manier van vertellen was die me irriteerde. Veellagigheid heeft volgens mij alleen zin als die in dienst staat van het verhaal of de personages – een laag met lucht blijft een laag met lucht.

Na afloop zag en hoorde ik dat verschillende mensen hadden gehuild.

Wat kun je nog meer hebben? Maar toen ik ernaar vroeg hadden ze gehuild op dezelfde momenten dat de hoofdrolspeelster huilde – en die huilt nogal eens…

Kortom, ik ben er nog niet uit. Ondertussen heb ik mensen gesproken die het volstrekt met mij oneens zijn en mensen die nog harder oordelen dan ik.

Ga de film zeker zien om er zelf een oordeel over te vellen.

Ik heb zelden bij een film gezeten en zo gehoopt dat het niet waar was wat ik zag, omdat ik voor iedereen die eraan meedeed bewondering heb en had.

Uiteindelijk kies ik dan voor het woord «verdriet» omdat ik hoopte vrienden te ontmoeten, maar slechts buren tegenkwam met wie ik niets te maken wil hebben.

Een burgerlijk zooitje.