Profiel: Jozias Van Aartsen

Een carrière vol blunders

Op de apenrots aan de Haagse Bezuidenhoutseweg kon voor het eerst in lange tijd opgelucht achterover worden geleund. Ditmaal had de hoogste baas het eens niet verbruid. Jozias van Aartsen had er zelfs een succesje van weten te maken. Kamal Kharazzi, de Iraanse collega van de vvd-minister, had ten overstaan van de voltallige wereldpers mooi met zijn bek vol tanden gezeten toen Van Aartsen over de mensenrechten was begonnen. «Denk erom dat je het tegen die joden in Shiraz een fair proces laat zijn», sprak de Nederlandse bewindsman zijn ambtsgenoot vermanend toe. Vervolgens moeten er toch wel enkele vette contracten zijn gesloten; alleen voor steun aan hervormingsgezinde oppositie en schofferingen aan het adres van de conservatieven kan het bezoek niet bedoeld zijn. Schofferen van Iraanse machthebbers zet trouwens weinig zoden aan de dijk. Daarvan getuigen ook de gemuilkorfde Iraanse kranten. Zo wilde het landelijk gedistribueerde dagblad Iran slechts melding maken van Van Aartsens lovende uitlatingen over de hervormingen die sedert de verkiezingen van vorig jaar zijn doorgevoerd. Aan de kritiek die Van Aartsen leverde op de mensenrechtensituatie werd afgelopen dinsdag, daags na het bezoek, geen woord vuil gemaakt. Hoewel dat in de krant Kayhan anders was, zal de kop «Protest van Dr. Kharazzi tegen de bemoeizuchtige uitlatingen van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken» geen mensenrechtenactivist kunnen behagen. Het enige effect dat Van Aartsen met zijn bezoek heeft weten te sorteren, is dat de Irani ërs zijn gaan geloven dat hun leiders voor het Westen klaarblijkelijk weer acceptabele partners zijn. Van Aartsen had deze onvolledige uitleg van zijn boodschap op zijn klompen kunnen aanvoelen, al was het maar door even terug te blikken op het bezoek dat zijn Duitse collega Joschka Fischer onlangs aan Teheran bracht. De kranten stuurden toen vergelijkbare hallelujaboodschappen het land door. Van Aartsen, die graag onder de groten der aarde mag verkeren, onderhoudt overigens zeer innige bandenmet de voormalige Strassenkämpfer Fischer, thans salonfähig Gr ünen-politicus. «Ik zal niet verhelen dat ik met mijn Duitse collega een nauwe relatie heb. Hij is een heldere man die niet al te veel van details houdt», vertrouwde Van Aartsen NRC Handelsblad toe. En: «We hebben soms ook wel plezier samen, bijvoorbeeld als collega’s uren in de weer zijn om op detailpunten formuleringen te vinden.» Behalve Joschka Fischer geniet ook een politica als Madeleine Albright het voorrecht zich tot Van Aartsens intimi te mogen rekenen. Kolkend van trots memoreert hij, als de kans zich voordoet, de amicale gesprekken die hij regelmatig met zijn Amerikaanse collega pleegt te voeren. Albright zelf kan zich goed vermaken om de ver naast zijn schoenen lopende Van Aartsen. Toen Buitenlandse Zaken op last van de minister haar een keer voor overleg aan de telefoon hoopte te krijgen en zij daar op dat moment geen tijd voor vrij wenste te maken, verzuchtte Albright dat hij toch gerust aan de pers mocht vertellen dat hij wél met haar had gesproken. Dat Van Aartsen in Iran zo heldhaftig van zich deed spreken, is waarschijnlijk ingegeven door de zware druk vanuit het Nederlandse parlement. Een maand eerder had de minister van Buitenlandse Zaken immers flinke averij opgelopen toen hij weigerde in het ministerscomit é van de Raad van Europa het Russische lidmaatschap vanwege de gewelddadigheden in Tsjetsjenië ter discussie te stellen, wat wel een ondubbelzinnig geformuleerde eis van een Kamermeerderheid was. Dat Van Aartsen zijn koers zou hebben hervonden na de Iraanse spierballentaal die in de Nederlandse pers zo breed werd uitgemeten, voert te ver. Gedurende zijn ministerschap is daarvoor al te veel misgegaan. Hij leek binnen zijn eigen partij onsterfelijke roem te gaan bereiken, een partijleiderschap lag binnen handbereik - jubelden goed ingewijde vvd-partijbonzen in de tijd van Van Aartsens aantreden op Buitenlandse Zaken. De populistisch saxofoon spelende, huidige partijleider Hans Dijkstal kon zich volgens de liberale kenners nauwelijks op enig intellect voor laten staan; het door Bolkestein zwaarbevochten kiezerssurplus zou in 2002 met hem aan het roer direct overboord springen. De naam van Gerrit Zalm, de populaire schatkistbeheerder, gonsde lange tijd als nieuwe leider, maar hij heeft al verschillende keren aangegeven zijn gezinsleven boven de politiek te verkiezen. Zeker was voor iedereen dat Van Aartsen binnen zijn partij een rol van betekenis zou kunnen gaan spelen. Ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar de rising star Van Aartsen in 1998 na vier jaar Landbouw de scepter ging zwaaien, leek weinig mis te kunnen. De immer kwakkelende en in Surinaamse besognes vastgelopen Van Mierlo viel eenvoudig naar de kroon te steken. Geheel in lijn met diens quasi-filosofische politieke visie was van leiding op het departement niet of nauwelijks sprake geweest. In plaats van dat voordeel uit te buiten, staarde Van Aartsen al in zijn eerste maanden op het prestigieuze Buitenlandse Zaken vol heimwee naar de overzijde van de Utrechtsebaan, waar het Landbouwdepartement is gevestigd. Daar had je pas goede ambtenaren. Op Buitenlandse Zaken, zo liet Van Aartsen zich tegenover Elsevier ontvallen, liepen mensen rond die «niet gewend waren op resultaat afgerekend te worden», lieden die in «sleetse carri èrepatronen» vastzaten. Ook de opmerking dat BuZa meer een afspiegeling zou moeten zijn van multinationale bedrijven zette kwaad bloed. «Kijk naar de Unilevers en de Shells», liet de ministeriële manager zich ontvallen. Eerste slachtoffer van de door Van Aartsen nagestreefde nieuwe zakelijkheid werd VN-ambassadeur Jaap Ramaker, die na lang lobbyen voor Nederland een tijdelijke zetel in de Veiligheidsraad wist te bedingen. Iedereen hield er rekening mee dat Ramaker vervolgens zelf de zetel zou gaan bekleden. Van Aartsen promoveerde Ramaker echter weg naar Hare Majesteits vertegenwoordiging in Wenen en benoemde de vut-gerechtigde Peter van Walsum, een goede vriend van Frits Bolkestein, voor de Veiligheidsraad. Bolkestein was het geweest die Van Aartsen van de ambtenarij tot het bestuur riep. En ook hij, de oud-vvd-leider, mag zich tot Jozias» intimi rekenen. «Ik vond hem een interessante man», teemde Van Aartsen. «We gingen bij de Chinees lunchen en praatten over - ja, eigenlijk over alles.» Jozias Johannes van Aartsen, al snel gold hij als een talent. In 1947 te ’s-Gravenhage als kerstkindje ter wereld gekomen, groeide hij geborgen op onder de veilige vleugels van zijn vader, de drievoudige arp-minister in de kabinetten-Drees, De Quay en Marijnen. De hele familie was in shock toen de oude Van Aartsen zijn loopbaan tijdens de zogenoemde jenevercrisis vroegtijdig zag sneuvelen. Zijn zoon: «Mijn moeder is toen afgeknapt op de politiek. Ze kon dat niet zien als politiek theater dat er nu eenmaal bijhoort; zij zag het als een persoonlijke aanval, als een volstrekte desavouering van mijn vader. » Als minister van Volkswoningbouw weigerde Van Aartsen senior in 1960 tegemoet te komen aan een wens van zijn eigen fractie, die wilde dat er snel meer woningen werden gebouwd. In een van alcohol doordesemd debat ruimde de bewindsman met dank aan zijn eigen partij het veld, om eerloos af te vloeien als commissaris van de koningin in Zeeland. Het was niet verwonderlijk dat Van Aartsen senior zijn jongeling negen jaar later niet bij de arp maar bij de vvd introduceerde. Jozias wilde wel. Als goedgereformeerde jongeling was hij aan de Vrije Universiteit ambitieus aan een rechtenstudie begonnen, maar hij slaagde er niet in die tot een succesvol einde te brengen. Fractievoorzitter Molly Geertsema ontfermde zich over de toen 23-jarige knaap, die nog niet eens lid was van de liberale volkspartij. Hij ging als fractiemedewerker aan de slag, werd persoonlijk medewerker van Geertsema’s opvolger Hans Wiegel en vertrok na vijf succesvolle jaren naar de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de vvd. De gesjeesde student werd daar directeur en maakte zich snel sterk voor zijn belangrijkste programmapunt: een fusie van D'66 en de vvd. «Het wordt tijd dat die familievete wordt beëindigd», schreef hij in Liberaal Reveil, het blad van de Teldersstichting. In de zomer van 1972 schrijft de jonge Van Aartsen in het buitenverblijf van Hans Wiegel in het Friese Ee, aus einem gutz het programma voor de Tweede Kamerverkiezingen van een jaar later bij elkaar. «De vloer bezaaid met stapels papier, gerangschikt naar onderwerp. Ik met een sigaar in mijn hoofd, ijsberend door de kamer. Jozias achter een grote schrijftafel. Ik riep wat, hij schreef het op. Een mooie coöperatie», memoreerde Wiegel in 1997 de samenwerking in een interview met Dagblad De Stem. Ook Wiegel werd een onafscheidelijke kameraad. Van Aartsen liep over van ontzag voor zijn nestor. Wiegel beschikt volgens Van Aartsen net als vriend Bolkestein «over een ontzaglijke snelle geest». Het respect is ongetwijfeld wederzijds - al zal de ernstige Van Aartsen zich door zijn politiek vader niet altijd even serieus genomen voelen. «Hij zou een hele goeie minister van Buitenlandse Zaken zijn», aldus Wiegel tijdens Van Aartsens landbouwministerschap. En dan: «Hij vindt de buitenlandse contacten interessant, spreekt zijn talen en hij heeft mooie streepjespakken aan.» Het was overigens deze zelfde Wiegel die hem ruim twintig jaar eerder binnenhaalde op het ministerie van Binnenlandse Zaken. De veelbelovende vertrouweling van Wiegel die destijds vice-premier was, werd er chef van het bureau van de secretaris-generaal. Na enkele jaren en met hulp van de elkaar snel opvolgende bewindspersonen op Binnenlandse Zaken (Van Thijn, Rood, Rietkerk, De Korte, Van Dijk, Dales en wederom Van Thijn) stoomde Van Aartsen zelfs op naar de hoogste ambtenarenbetrekking op het ministerie. Een kleine smet op zijn carrière vormde het misgelopen burgemeesterschap van Utrecht, in 1992. Samen met Ivo Opstelten dong Van Aartsen naar de ambtsketen van de Domstad. Voor de vertrouwenscommissie was het al vlug duidelijk dat Van Aartsen geen serieuze kandidaat was. «Gezien zijn ambtelijke invalshoek is het maar de vraag of hij over voldoende bestuurlijke capaciteiten beschikt voor de grote stad», stond er geschreven. De ambtelijke mentaliteit die kennelijk bezit van hem had genomen, heeft Jozias nooit meer verlaten. Niet alleen in vertrouwenscommissies, ook op Landbouw en nu op Buitenlandse Zaken werd het hem nagedragen. Als verantwoordelijk minister stapelt de eens gevierde apparatsjik fout op fout. Als Landbouwminister vervreemdde hij de volledige boerensector van zich door rigoureus te snijden in de varkensstapel om zo het mestoverschot te lijf te gaan. In smetteloos pak - blauw overhemd met witte boord - en ook verder met het voorkomen van een uit het snelle bedrijfsleven overgestapte crisismanager legde hij de boze boeren uit dat het allemaal niet anders kon. Een groter contrast met cda'ers Braks en Bukman was nauwelijks denkbaar. Zij voelden mee met de traditionele familiebedrijven en trokken tijdens een veldbezoek af en toe de overall aan om het boerenleed te verzachten. Onlangs bleek trouwens dat door de slordige afwikkeling van de varkenspest - dat andere grote probleem dat Van Aartsen technocratisch het hoofd dacht te bieden - Nederland nog altijd een Europese boete van 220 miljoen gulden boven het hoofd hangt. Het was Van Aartsens centralistische aanpak op Landbouw die menige liberale wenkbrauw deed fronzen. In een interview gooide de minister olie op het vuur. «Ik vind dat de overheid moet doen wat zij nodig acht en niet altijd alles moet overlaten aan de vrije markt», zei hij, en schopte daarmee tegen het zere been van de koopmannen van de vvd. Doorslaggevend voor de toekomstige carrière van de voormalige ambtenaar werd dit niet. De leidersrol die hem daags na zijn aantreden op het eliteministerie van Buitenlandse Zaken werd toegedicht, lijkt inmiddels evenwel zo goed als vervlogen. Vooral het gebrek aan tact breekt de minister telkens op. Duidelijk kwam dit het afgelopen jaar naar voren tijdens Van Aartsens steriele analyse van de kwestie Oost-Timor. «Goed effectief buitenlands beleid kan niet gebaseerd zijn op primaire emoties», vertrouwde hij een omvangrijk gehoor toe op de vijfde Duits-Nederlandse conferentie. Dergelijke technocratische ambtenarenretoriek krijgt een sinistere bijklank als zij wordt gebezigd op een dag waarop gruwelijke beelden uit de voormalige Portugese kolonie de wereld worden overgeseind, en juist bekend wordt dat de Nederlandse journalist Sander Thoenes ter plekke om het leven is gebracht. Hans Wiegel had zijn pupil toch minstens moeten hebben bijgebracht dat de kiezers, de mensen in het land, gunstig zijn te stemmen wanneer je je geschokt toont door de onlusten in Zuidoost-Azië. Maar liever klaagde Van Aartsen in zijn voordracht in Duisburg de rol van de media aan. «Het nieuws krijgt steeds meer een soapgehalte. Burgers zijn bezig te verdrinken in een information overload, een digitale oersoep. Burgers en politici - geconfronteerd met mensonterende beelden - scharen zich binnen luttele uren achter een of andere zaak. De roep om harde actie klinkt dan luid», aldus de weinig fijnzinnige mediafilosoof Van Aartsen. Tijdens de navo-bombardementen op Kosovo kondigde Van Aartsen als eerste van de westerse leiders in het openbaar aan dat de bommenwerpers waren opgestegen. Tot aan de hoogste navo-baas, secretaris-generaal Solana, werd geschokt gereageerd op de loslippigheid van de minister die zo fier het Nederlandse parlement op de hoogte stelde. Een misser, die onder de behoedzamer opererende diplomaten van Van Aartsens departement tot de nodige hilariteit heeft geleid. Met Abdurrahman Wahid onderhield Van Aartsen al voor diens aantreden als president van Indonesië een moeizame verhouding. Weigerde de minister eerst de belangrijke kandidaat in de strijd tegen Habibie op zijn departement te ontvangen, enkele maanden later verraste hij de gekozen president door haast om de dag met een nieuwe uitwerking van zijn standpunt over een wapenembargo tegen Indonesië te komen (opheffen, handhaven en - na een gesprek met Wahid - weer opheffen). De net weer enigszins herstelde verhoudingen werden helemaal nodeloos op de proef gesteld toen Van Aartsen op 30 december van het vorig jaar een brief naar Wahid stuurde waarin hij zich bezorgd toonde over de verslechterde situatie op de Molukken. Wahid moest weten dat Nederlandse troepen best bereid waren in te grijpen om orde op zaken te stellen. Wahid, die kennelijk over meer historisch besef beschikte, wees het voorstel vriendelijk van de hand. Het volgende brievenincident had afgelopen april in Oostenrijk plaats. Zonder ruggespraak besloot Van Aartsen minister Ferrero-Waldner (övp) uit te nodigen bij de opening van het Europees Waarnemingscentrum tegen Racisme en Vreemdelingenhaat in Wenen. Als övp-bewindsvrouwe had Ferrero-Waldner actief meegewerkt aan de totstandkoming van een kabinet met extreem-rechts. Bestuurslid van het Waarnemingscentrum Ed van Thijn, die zich over Jozias van Aartsen sinds hun samenwerking op Binnenlandse Zaken de laatste jaren toch overwegend complimenteus had uitgelaten, wist nu ook niet meer hoe hij zijn voormalige topambtenaar moest verdedigen. Zoiets was onvergeeflijk. En wederom weinig tactvol. Van Aartsen had het al aangekondigd bij zijn aantreden op BuZa: hij zou efficiëntie brengen, geen «actionisme», maar «effectiviteit» en «pragmatisme». Dat de bovenbaas van het Nederlandse corps diplomatique daarvoor weinig subtiliteiten nodig heeft, is zijn ambtenaren inmiddels een doorn in het oog. Eind deze week wordt Van Aartsen gehoord door de commissie-Bakker die onderzoek doet naar de besluitvorming rond militaire uitzendingen. Zijn optreden kan doorslaggevend zijn voor zijn verdere carrière. Benieuwd welke fijnzinnigheden hij voor de commissie in petto heeft.