KUNST

Een centaur

Julian Schnabel

Het is iets meer dan dertig jaar geleden dat Julian Schnabel (1951) zijn spectaculaire doorbraak beleefde, gekatapulteerd in New York als het Amerikaanse boegbeeld van de ‘nieuwe expressionisten’, een stroming die in Europa vertegenwoordigers had in Duitsland (Neue Wilden, Mülheimer Freiheit), Italië (Transavantguardia ) en ook wel in Nederland. Dit was de kunst die een broertje dood had aan het steriele intellectualisme van de jaren zeventig en zocht naar het grote gebaar en de grote emotie, figuratief, kleurig en op groot formaat. In 1980 vertegenwoordigde Schnabel de VS in Venetië, in het voorjaar van 1982 kreeg hij in het Stedelijk Museum Amsterdam een groot overzicht.
Het contrast, in dat Stedelijk, met de geest van de tijd, was groot. Schnabels doeken waren kolossaal, bedekt met gebroken serviezen en vazen, opgenaaide stukken textiel, hertengeweien, ensembles als de krullerige altaarstukken van een zeventiende-eeuwse Italiaanse parochiekerk. Zijn schilderwerk, over die scherven heen, was luidruchtig, vet, alles voor de expressie, en de onderwerpen grepen met panache terug naar de Grote Beeldmakers uit de geschiedenis - Caravaggio, Velasquez. Daar kwam bij dat Schnabel zich graag met veel branie presenteerde: 'I’m the closest thing to Picasso that you’ll see in this fucking life.’ Sindsdien heeft zijn werk zich verbreed tot de cinema (vier films, vijf Oscarnominaties, een Gouden Palm), de fotografie (vorig jaar nog in Den Haag te zien), de muziek en het theater.
In Museo Correr in Venetië is een overzicht van zijn schilderwerk sinds 1979 te zien. Het is schrikken: het overzicht begint met The Unexpected Death of Blinky Palermo in the Tropics, eigendom van het Stedelijk, ooit deel van die tentoonstelling in 1982 en daarna al lang niet meer gezien. Een 'wild’ schilderij op donkerpaars fluweel, met een paar gezichten of maskers in groen en oranje, een sfeer van onheil. Onmiddellijk raakt die energie je, net als dertig jaar geleden, direct en intens als een Picasso of een Delacroix, en dat blijft een wonderlijke ervaring, dat dat kán, dat zo'n ding na dertig jaar nog even sterk is. In de tentoonstelling kom je meer stukken tegen die dertig jaar geleden in het Stedelijk hingen. The Sea, bijvoorbeeld, een slagveld van rood aardewerk, quasi-Grieks, overspoeld met schuimend wit en blauw.
Maar wat kwam daarna? Van alles. Doeken met 'traditionele’ portretten die met harde autolak werden overdekt. Kolossale monochrome vlakken van acht bij acht meter met barokke prints en één of twee grote spataders van verf. Bronzen beelden. Grote zwart-witfoto’s van elegant vakantievolk uit de jaren vijftig, aangetast met grote vegen en vlekken.
Dit is een groot kunstenaar die groot werk maakt. Ik moest denken aan een citaat uit Henry Millers The Colossus of Maroussi: 'If men cease to believe that they will one day become gods then they will surely become worms’, wat lijkt te kloppen, hier: Schnabel blijft werken als de god, of halfgod, of toch op z'n minst centaur, die hij wil zijn, om niet af te dalen tot iets anders dan grootsheid. Het overzicht geeft echter de indruk dat waar het schilderkunst betreft, Schnabel als een Sibelius of een Mahler na zijn eerste symfonie er nog tien geschreven heeft, de volgende nooit kleiner dan de vorige, maar altijd binnen hetzelfde format. De dynamiek is sinds 1980 hetzelfde gebleven. In die zin is Schnabel niet een schilder als Picasso, die veel meer wendingen aandurfde - maar die maakte daarentegen weer geen speelfilms als Basquiat, Before Night Falls en The Diving Bell and the Butterfly, die alle drie een heel ander gevoel voor kunstenaarschap, leven, liefde en dood aan de dag leggen. Alhoewel.

Julian Schnabel, Permanently Becoming and the Architecture of Seeing, Museo Correr, Venetië, t/m 27 november, www.julianschnabel.com, www.museiciviciveneziani.it