Een chirurgijn in uitgeversland

Deze week nam Pierre Vinken afscheid als hoogste chef van Elsevier. Een on-Hollands harde zakenman, werd van hem gezegd. Koel en klinisch als de neurochirurg die hij vroeger was. `Klinische koelte!‘ reageert hij nu.'Als je ooit met je handen in iemands buik of hoofd hebt gezeten, weet je wel beter.’
Dit is een fragment uit P.I.V, dat verscheen ter gelegenheid van Vinkens afscheid. Het boekje is niet in de handel verkrijgbaar.
PIERRE VINKEN WAS, ondanks al zijn wapenfeiten op zowel intellectueel als zakelijk gebied, in het eerste decennium als on- dernemer nog steeds geen ècht Bekende Nederlander. Hij kwam niet op recepties, meed bijeenkomsten die door zoiets vulgairs als het Stan Huygens Journaal werden geregistreerd, en liet zich niet interviewen, behalve via de kolommen van The Wall Street Journal als de aandeelhouders moesten worden toegesproken.

Eén keer per jaar verscheen hij in het openbaar. Dat was bij de presentatie van zijn jaarverslag. Dan hield hij een professorale voordracht, beantwoordde beleefd de vragen van de aandeelhouders en de financieel-economische pers, en verdween door de zijdeur, terwijl elders in de zaal de glaasjes begonnen te rinkelen.
Tot 1987. Toen stootte hij à contre coeur door van de beurspagina’s naar de voorpagina’s. De oorzaak was zijn poging om het Deventer uitgeversbedrijf Kluwer in te lijven, volgens de Angelsaksische wetten van de hostile take over. NRC Handelsblad sprak over een ,voor Nederlandse begrippen ongekende overnamestrijd’. Die werd door pers en publiek gevolgd met de spanning van een duel voor de Europacup.
Kluwer was gespecialiseerd in een sector van uitgaven waar Elsevier nooit greep op had weten te krijgen: de juridische informatie, van onrendabele proefschriften tot de jurisprudentie, die verplichte lectuur voor elke rechtsgeleerde is. Het fonds bevatte daarnaast, economisch gezien, wat marginalia als het Deventer Dagblad, het Sallands Dagblad, het Zutphens Dagblad en de Gelders-Overijsselse Courant. Niettemin sprak Vinken over ‘een parel van een uitgeverij’ waarvoor hij warme belangstelling had. Maar Kluwer voelde er niets voor overgenomen te worden, niet vriendelijk en niet onvriendelijk, deels uit vrees voor de Elsevierchef, deze koele, gesloten, intelligente, ongevoelige man ’ met zijn hardhandige reputatie.
Kleurde de offensieve strategie van Vinken c.s. eigenlijk wel bij de Nederlandse bedrijfscultuur? Kluwer vond van niet. 'Dat hebben wij in Nederland nog niet veel gezien ’, zei president-commissaris H. Langman, 'en ik hoop ook niet dat dergelijke manieren ingang zullen vinden. ’ J. J. C. Alberdingk Thijm, de voorzitter van de hoofddirectie zei op zijn beurt: 'Als je nu weet dat de hoofddirectie unaniem tegen is, de commissarissen unaniem tegen zijn, de centrale ondernemingsraad unaniem tegen is, de stafdirecteuren unaniem tegen zijn, en als je dan toch blijft doordrammen… ,
DEZE WOORDEN WERDEN gesproken op een door Kluwer belegde persconferentie in het Amsterdamse Okura Hotel. Het geschiedde op advies van een overhaast aangetrokken pr-adviseur. Daarmee werd het beeld opgeworpen van het lam versus de leeuw, de regio versus de grote stad, een keurige, gedegen, provinciale uitgever die door het onscrupuleuze Amsterdam werd overvallen.
Kluwer, die voorzag het niet op eigen kracht te zullen redden, ondernam een tegeninitiatief: een samengaan met de geestverwante uitgeverij Wolters Samsom uit Zwolle. Waarna tussen beide fusiekandidaten, Wolters en Elsevier, een titanengevecht ter beurze losbrak, dat uiteindelijk nipt door Wolters Samsom (51-49) werd gewonnen. De eerste Nederlandse poging tot een hostile take over was in het zicht van de haven gestrand.
Hoe kijkt Pierre Vinken zeven jaar later op de affaire terug?
'Kluwer was een niet optimaal geleid bedrijf, dat te weinig winst maakte“ zegt hij reconstruerend. 'Wij hadden daar veel meer mee kunnen doen. Dus wilden wij Kluwer hebben en deden een bod. Inderdaad, de hel brak los. Terwijl het toch de normaalste zaak ter wereld was. De aandelen-Kluwer werden door Kluwer zelf gewoon te koop op de beurs aangeboden. Natuurlijk hebben wij, achteraf gezien, een fout gemaakt. Je moet, hebben wij toen geleerd, in zo'n geval direct een knockout-bod doen, zodat de tegenstanders er niet meer aan te pas komen. Als wij ons bod hadden verdubbeld, was het ons zeker gelukt. Niemand had toen ervaring met dit soort overnames. Onze adviseurs waren de beste van Nederland. Maar ook zij wisten niet wat wijsheid was. Hadden wij toen Amerikaanse of Engelse adviseurs gehad, dan was Kluwer van ons geweest. Die hadden gezegd: Boys, geen geouwehoer! Je hebt dat geld toch liggen? Gewoon pakken! Overkill!’
Nog is hij verwonderd over het 'mediacircus’ rond de zaak met alle 'culturele verontwaardiging’ van dien.
Vinken: 'Ja, wat dacht ik wel! Zoiets doe je toch niet! Je passeert de top van een bedrijf als Kluwer toch niet zomaar? Hoe durf je ! Je kent elkaar toch? Nou, ik kende alleen de voorzitter van Kluwer. Oppervlakkig, ik was met hem in principe overeengekomen dat wij Kluwer op vriendelijke wijze zouden overnemen. Maar dat was een paar maanden voordat hij met pensioen zou gaan - en zijn opvolger voelde er niets voor om door hem aan Elsevier te worden verkocht. Er waren trouwens in een eerder stadium óók al onderhandelingen tussen Kluwer en Wolters Samsom geweest, waar toen, door toedoen van Kluwer, niets van terecht was gekomen. Toen voelde Kluwer zich nog te goed voor Wolters Samsom. Nu wist Kluwer niet hoe snel ze naar Wolters Samsom terug moest hollen, waarna het zich volledig heeft moeten laten scheren.’
ONDERTUSSEN ZAT Vinken zelf zwijgend als een sfinx in zijn werkvertrek, terwijl de stapel negatieve persreacties steeds hoger werd. Was dit tactisch gezien verstandig?
'Wij wisten a priori dat wij aan de verkeerde kant van het gezonde volksgevoel zaten’, zegt hij. 'Maar er was nauwelijks of geen jurisprudentie in dit soort kwesties. Daarom was het levensgevaarlijk voor onze campagne om het risico van een onvoorzichtige uitlating te nemen. Die zou onmiddellijk door de Ser-fusiecommissie tegen ons in stelling worden gebracht. Vergeet niet, alle belangrijke Nederlandse juristen zijn op de een of andere wijze met Kluwer verbonden en alle juridische commissies zitten daar dus vol mee. Kluwer en Wolters hadden dat probleem dus niet of veel minder. Ze konden daardoor meer risico nemen en dat hebben ze ook gedaan. Maar voor hùn overtredingen kneep de fusiecommissie oogje dicht door eenvoudigweg niet, of te laat, bijeen te komen. Daarentegen zou door één fatale bijzin onzerzijds ten overstaan van een journalist de campagne in gevaar zijn gekomen. Daarom is van de zijde van Elsevier door niemand ooit één mededeling gedaan, op de persberichten na, waarvan er geen een de deur uitging dat niet zorgvuldig door specialisten was gecontroleerd. Trouwens, to hell with public opinion! Wij wilden Kluwer hebben, wat er ook over ons werd geschreven.
Goed, Kluwer heeft uiteindelijk gewonnen. Een Pyrrus-overwinning, als je het achteraf bekijkt. De meeste Kluwer-mensen die er bij betrokken waren, van Langman tot Alberdingk Thijm, zijn er allang niet meer. Ik heb Kluwer als een koe naar de markt proberen te brengen, klaagde Alberdingk Thijm toen. Welnu, ik kan alleen maar constateren dat die koe zelf in paniek de slagerij is binnengevlucht.’
Zijn voormalige VNU-collega Evert Bloembergen kwam in die dagen met de avontuurlijke theorie dat het bod op Kluwer onderdeel van een masterplan van de zijde van Elsevier moet zijn geweest, met het doel de gefuseerde ondernemingen in de handen van de Brit Robert Maxwell te spelen. 'Ja, hoe vind je dat!’ zegt Vinken. 'Hoe komt zo'n man erbij ! Die ijdeltuit die jarenlang de sanering en de uitbouw van de VNU heeft belemmerd! ’
Ook Bloembergen hanteerde in die dagen, als zovelen, het beeld van de neurochirurg die zich met 'klinische koelte ’, een scalpel in de hand, zijn weg door uitgeversland baande. 'Terwijl ik Bloembergen kan verzekeren’, zegt Vinken, 'dat de neurochirurgie werkelijk een zéér warme en bloederige besogne is. Klinische koelte ! Als je ooit met je handen in iemands buik of hoofd hebt gezeten, weet je wel beter.’
Klinisch. De klinische neurochirurg die toevallig in de uitgeverij is terechtgekomen… Het is een beeld dat alle portretten van Pierre Vinken domineert. Wat moet hij daarmee? Hij kan die kranten toch moeilijk een ingezonden brief sturen waarin hij verklaart dat de 'klinische’ kant van zijn karakter in de praktijk wel pleegt mee te vallen? Nee, liever stuurde hij (het is typerend voor zijn manier van denken) een artikel naar De Nieuwe Taalgids met als titel 'Over de betekenis van het woord ’ 'klinisch “ ’. Daarin constateerde hij dat het woord 'klinisch’ al jarenlang ten onrechte wordt gebruikt in de betekenis van koel, koud, kil, ongevoelig, cerebraal, verstandelijk, droog, rationeel, bloedeloos, zakelijk, logisch, amoreel, onromantisch en analytisch. Het is een hardnekkig misverstand, schreef Vinken. Het woord 'klinisch’ heeft in werkelijkheid recht op een positieve connotatie. 'Immers, in de besloten gemeenschap van een zaal of een afdeling van een kliniek bestaat over het algemeen een nauwe en medelevende relatie tussen de mensen die er verblijven, oftussen de patiënten en hun familieleden en vrienden, relaties die vaak verder gaan dan de band die zij buiten het ziekenhuis met collega’s of kennissen onderhouden. ’
Dus zijn ex-VNU-collega Evert Bloembergen ('Ik zie in Vinken nog steeds de neurochirurg. Die klinische koelte komt nu weer tot uiting in zijn beschouwingen als uitgever’) had het destijds helemaal mis?
'Dat Elsevier evenveel verdiende als VNU en Wolters Kluwer tezamen is geen kwestie van medicijnen, maar een kwestie van managment’, antwoordt Pierre Vinken koel.
Al die negatieve verklaringen kunnen hem trouwens niets schelen. 'Ik zou pas reden tot benauwenis hebben als er in de kranten al te positiefover mij werd geschreven. Iedereen kent toch de bewonderde managers die door journalisten of door zichzelf in de hoogte worden gestoken? Zij ontvangen prijzen van hun collega’s, zij houden voordrachten over de vraag hoe een onderneming moet worden geleid. Weken, maanden, jarenlang - om daarna door diezelfde journalisten en collega’s in dezelfde kranten onder de grond te worden gespit. Mij kan wat dat betreft weinig gebeuren. Mijn reputatie kan nauwelijks slechter en is daarmee rock- en shockproof Zoals de Duitse dichter zegt: Ist der Ruf erst ruiniert,/ lebt sich’s völlig ungeniert… Misschien was het een voordeel dat ik uit de wetenschap afkomstig ben, een milieu waarin je elke zin moet verantwoorden. Ik kom uit de school van Huizinga, Lorentz de Haas en Biemond, die het ’'Maar is dat nu wel zo?” op de lippen bestorven lag. Als je daar de intellectuele discipline van de gemiddelde, continentale manager mee vergelijkt…’
Ja, het hindert hem dat men zich een lichtvaardig oordeel over zijn karakter aanmatigt. 'Dat zijn meestal mensen die mij nog nooit hebben gezien, laat staan gesproken’, zegt Vinken. 'Als je, zoals ik, iets bij voorkeur rationeel onder woorden probeert te brengen, wordt dit al snel als cerebraal, dus als gevoelloos ervaren. Elk mens heeft in zijn binnenste een borrelende vulkaan. Maar sommigen eisen dat je, in emotionele omstandigheden, al gauw in tranen uitbarst, of tenminste een brok in je keel krijgt. Dat gebeurt bij mij niet. Waarschijnlijk ben ik even emotioneel als ieder ander mens, maar ik heb er kennelijk voor gekozen te proberen mijn gevoelens op een heldere wijze te ordenen.’
PRECIES EEN JAAR later stond hij waarachtig weer op alle voorpagina’s. Op de voorpagina van de Volkskrant bijvoorbeeld, bekroond door de onheilspellende koppen 'Dagbladfusie roept grote weerstanden op ’ - 'Regisseur Pierre Vinken blijft achter de schermen bij plan voor samengaan ’. Het betrof het beoogde samengaan in concernverband van Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad (uitgaven van Elsevier) met respectievelijk Trouw, Het Parool en de Volkskrant (uitgaven van de Perscombinatie). Dat betekende dat vijf van de zes landelijke kranten in Nederland door één uitgever op de markt zouden worden gebracht, waarmee de concurrerende Telegraaf, zoals deze in een commentaar vergenoegd constateerde, 'het enige echte onafhankelijke dagblad’ in den lande zou worden.
Op de persconferentie, waarop het voornemen werd toegelicht was Vinken ander- maal de grote afwezige. Daar werd de beoogde fusie verdedigd door Max de Jong, president-directeur van de Perscombinatie, en B. Q. Voors, directievoorzitter van de Elsevierdochter NDU. De Jong smeekte om 'het voordeel van de twijfel’. Voors liet weten dat er geen 'in ijzer en beton gegoten garanties’ waren dat de betreffende kranten in de markt zouden worden gehouden.
Daarmee goten deze krantenmagnaten ten overstaan van een zaal vol sceptische verslaggevers (die voor een groot deel hun eigen werknemers waren) olie op het vuur. Even eerder waren alle betrokken bestuurders vóór geweest, inclusief de hoofdredacteuren. Nu waren vrijwel alle journalisten tegen, zich beroepend op de pluriformiteit van de publieke meningsvorming. De Volkskrant publiceerde een vernietigend portret ( 'Max de Jong is gek op geld’) van de chef van de Perscombinatie. In NRC Handelsblad bracht Vinkens vriend André Spoor 'als hoofdredactionele veteraan ’ 'enig aartsvaderlijk gebrom ’ ten gehore over dit 'ongelukkige idee ’, waarover hij 'zo mijn twijfels ’ had. Een andere oud-NRC-hoofdredacteur, H. J. A. Hofland, schreef op zijn beurt een paginavullend stuk waarin werd geconstateerd dat er 'met ons gesold werd’.
Vinken nam er stoïcijns kennis van. 'Ach, Hofland’, zegt hij nu. 'Ik vind Pamela Hemelrijk in het Algemeen Dagblad eerlijk gezegd leuker.’
Uiteindelijk sneuvelde het voornemen op het nee van de stichting Het Parool, de stichting de Volkskrant en de stichting De Christelijke Pers.
Wat was er dit keer misgegaan? 'Degene die toentertijd de verkeerde inschatting heeft gemaakt, is Max de Jong’, zegt Vinken. 'Die zei tegen ons: Harry Lockefeer regelt de Volkskrant-redactie wel. Maar toen de Volkskrant-redactie zei: Wat maak je me nou! draaide Lockefeer ter plaatse honderdtachtig graden om.’
Wat was trouwens het belang van Elsevier in een concern waarvan twee van de drie kranten - Trouw en Het Parool - in alle eeuwigheid nooit aan zijn strenge, structurele twintig-procent-winstnorm zullen kunnen voldoen?
Vinken: 'Straks, als die fusie lukt, redeneerden wij, beschikken wij over vijf landelijke kranten. In het ergste geval gaan er in de toekomst drie over de kop. Dan resteert ’s morgens, naast De Telegraaf, een van de twee andere, de Volkskrant of het het Algemeen Dagblad en ’s avonds NRC Handelsblad. Daarmee was een ijzersterke levensverzekering voor de beide dagbladuitgeverijen afgesloten.’
DAT MASSALE VERZET tegen de fusie getuigde zijns inziens van weinig realiteitszin. 'De mensen wisten niet waarom het ging. Ik las onlangs nog een interview met Lockefeer. Zou de dagbladconcentratie nog verder toenemen? was de vraag. Welnee, zei Lockefeer. Terwijl in Nederland in werkelijkheid voortdurend kranten worden opgeheven, zoals er overal ter wereld kranten verdwijnen. De persconcentratie gaat door. Er is geen enkele reden om te denken dat dit Nederland bespaard zal blijven. Kijk naar Limburg, waar De Limburger zojuist met het Dagblad voor Noord-Limburg is gefuseerd. Zoals de Zeeuwse Courant ongetwijfeld ooit zal samengaan met een krant uit Brabant of Zuid-Holland.’
Geen krant in Nederland die in de woelige dagen van de beoogde fusie tussen Elsevier en Perscombinatie géén bezorgd hoofdartikel heeft gepubliceerd. 'Een fusie tussen Elsevier en Perscombinatie lijkt net een stap te ver. In een goede uitgeverij bestaat altijd een evenwicht tussen puur zakelijke en ideële overwegingen ’, schreef de Leeuwarder Courant. 'Vooralsnog overheerst daarom het gevoel dat de pluriformiteit van de Nederlandse informatievoorziening door deze fusie bedreigd wordt’, schreef het Nieuwsblad van het Noorden.
Hoelang zal het nog duren, denkt Vinken, voordat Leeuwarder Courant en het Nieuwsblad van het Noorden zelf noodgedwongen zullen versmelten?
'Mij lijkt het een illusie te denken dat de noordelijke provincies zich twee eigen kranten zullen kunnen blijven veroorloven’, zegt hij. 'Er moeten straks nieuwe persen komen, of ze moeten worden gereviseerd. Dat kost tientallen miljoenen, of meer. Het begint met bezuinigingen, dan gaat het over de techniek, en ten slotte zal iemand bedenken dat het onzinnig is om met twee volledige redacties te blijven werken.’
Heeft Elsevier trouwens nooit een begerig oog op De Telegraaf geworpen?
'Nee’, zegt Vinken. 'Dat heeft geen zin. De Telegraaf is in vaste handen. Mooie krant, trouwens, commercieel gezien, een slapende prinses waarmee weinig avontuurlijks is gebeurd.’
En het Financieele Dagblad?
'Het Financieele Dagblad is, nadat Hendrik Sijthoff zich door zijn personeel zijn aandelen afhandig heeft laten maken, praktisch de gijzelaar van het personeel geworden, en dat wenst door niemand te worden overgenomen. Zij maken een blad, aldus de redenering, en al te veel winst vinden zij niet nodig. Ik schat dat het Financieele Dagblad tussen de vijftig en honderd miljoen waard zou zijn. Een groot deel daarvan heeft de oude Sijthoff min of meer weggegeven. Het blad is betrekkelijk onkwetsbaar, hoewel het veel te weinig advertenties heeft. Want dat willen zij eigenlijk niet, ze willen, afgeschermd en wel, in Spakenburg blijven leven.’
Heeft hij trouwens, in de dagen waarin zelfs de eigen kranten zich tegen een fusie met de Perscombinatie keerden, nooit de neiging gehad om de telefoon te grijpen om de betreffende hoofdredacteuren eens flink uit te foeteren?
'Nederlandse uitgevers kunnen en moeten zich niet met de inhoud van hun kranten bemoeien’, zegt Vinken. 'Het brengt de prioriteit van de uitgever, de winst, in gevaar. Dan onstaat een conflict en dat heeft bijna altijd een negatief effect op de winst en dus op de kwaliteit van de onderneming. Wij hebben in Nederland meestal een redelijk evenwicht gekend tussen de belangen van redactie en uitgever. Er is dus niet al te veel reden tot klagen.
’ Niettemin, hij kan zich voorstellen dat krantenmagnaten elders in de wereld hier anders over denken.
Vinken: 'Natuurlijk, daar laat de eigenaar de krant maken die hèm voor ogen staat, door een hoofdredacteur die in een gewone arbeidsverhouding tot hem staat. De eigenaar beslist wat hij met zijn eigendom wil doen. Wij vormen in Nederland wat dit betreft een eiland in de wereld. Voor journalisten is het leuk. Maar als ik zie hoe onze collega,s in Londen het doen… En hoe Robert Maxwell het deed, die pakte de telefoon en… Zelf taal ik daar niet naar, misschien wel omdat het nooit kon of hoefde. Je zal, als uitgever, toch elke dag moeten bedenken wat in je krant moet verschijnen!
’ HEEFT HIJ DIE twee affaires - de mislukte fusie met Kluwer en de mislukte fusie met de Perscombinatie - als een nederlaag ervaren?
'Zakelijk gezien was het afspringen van de fusie met de Perscombinatie tamelijk onbelangrijk’, zegt Vinken. 'Althans in vergelijking met het mislukken van de fusie met Kluwer. Kluwer had een miljardenaffaire kunnen worden, terwijl het bij de Perscombinatie hoogstens om een paar honderd miljoen ging. Dus daar zaten wij niet zo mee. Het was een poging om een veilige greep op de Nederlandse dagbladmarkt te krijgen. Dan hadden wij met vrijwel absolute zekerheid op de lange termijn tenminste twee echt sterke kranten overgehouden. lk heb de gebeurtenissen rond de Perscombinatie toentertijd overigens grotendeels van een afstand gevolgd; wij hadden alle vertrouwen in Max de Jong. Halverwege de onderhandelingen met de Perscombinatie was ik alweer druk met de Engelsen bezig.’