Chinatown in Los Angeles © David Butow / Corbis / Getty Images

Vorige zomer overleed in Los Angeles mijn schoonvader, Donald Kao, 95 jaar oud. Vanwege corona kon ik niet naar de begrafenis. Inmiddels heeft Jenny, zijn weduwe, besloten te verhuizen naar de oostkust, dichter bij haar oudste zoon. Daardoor moet ik zonder laatste bezoek afscheid nemen van wat de afgelopen 35 jaar kon gelden als mijn ‘thuisstad’ in Amerika. Ze zeggen dat je tien jaar nodig hebt om een New Yorker te worden, een leven lijkt me niet genoeg om Los Angeles te doorgronden. Toch is de stad me vertrouwd genoeg om hem met enige weemoed achter te laten.

Los Angeles is een conglomeraat van suburbs. In een van mijn favoriete omschrijvingen: 72 suburbs op zoek naar een stad. Dat is precies wat Los Angeles, LA, ‘El Ee’ in ons dagelijks gebruik, zo’n diffuus begrip maakt. Elke suburb heeft een eigen karakter. Niet allemaal even aantrekkelijk, maar wel eigen. Beverly Hills is niet Covina. Manhattan Beach niet Pasadena. East Lost Angeles zeker niet Hollywood. Al die jaren was mijn thuisbasis Hacienda Heights, een stadje van vijftigduizend inwoners in het heuvelachtige gebied op de overgang tussen het vlakke Los Angeles Basin en San Bernardino. Hier woonden Donald en Jenny, de ouders van Karen. Chinees-Amerikaans, zoals veel inwoners van Hacienda Heights.

Donald bereikte Los Angeles eind jaren veertig, vanuit Shanghai, via het gesegregeerde Tennessee, waar hij zijn opleiding als engineer kreeg. Hij kon smakelijk vertellen over de verwarring die Chinezen creëerden in dat Diepe Zuiden. Toen hij stond te treuzelen omdat hij niet wist of hij moest drinken bij het blanke of het zwarte drinkfonteintje pakte een grote blanke man hem op en plaatste hem aan de blanke kant. Jenny kwam begin jaren vijftig uit Taiwan, om te studeren.

Mijn intensieve kennismaking met een etnische gemeenschap toentertijd had een andere kwaliteit dan ik in het land van de melting pot gewend was. In Washington, waar ik toen woonde, had ik vrienden met diverse etnische achtergronden, maar dit was een ander verhaal. Ik was niet alleen aanstaande schoonzoon, maar ook socioloog en journalist, en ik keek mijn ogen uit in de wereld van Chinees-Amerikanen. Karen en haar broers groeiden op met Engels, van het zaterdagschool-Mandarijn was weinig blijven hangen. Bij mijn vrouw zag ik een waaier van identiteiten: Chinees, Californisch, Amerikaans – in die volgorde.

Toen ik later lezingen hield over Nederlandse integratie sprak ik regelmatig over de voorkeur van ouders om hun kinderen binnen hun eigen groep te zien trouwen. Ik kende dat uit Brabant, ik zag het onder Chinezen in Amerika (en Italianen, Ieren, Armeniërs, alle groepen eigenlijk). Zelfs mijn weldenkende schoonouders, zei ik dan! Dat was unfair. Donald en Jenny waren veel te verstandig en te Amerikaans om vragen te stellen bij de keuzes van hun kinderen. Etnische vragen althans, ik bleef natuurlijk wel een eigenwijze Hollander. Het hielp ongetwijfeld dat ik gemakkelijk meeging in de Chinese cultuur, soepeler dan mijn born again evangelische schoonzus. Veel van die cultuur vertaalt zich overigens in voedsel. Ik ben dol op duck feet en houd van red bean soup, vecht met Jenny over de vissenkop en met Donald over de ingewanden van de krab.

In Chinatown kwamen we zelden, daar woonden Californische Chinezen niet. Of in elk geval: niet meer. Ooit was dat de enige plek waar ze huizen mochten kopen, nu vonden we ze in Alhambra en Monterey Park, voorheen suburbs vol arme hispanics. Dat Monterey Park een Chinese enclave werd, kwam door de inspanningen van Frederic Hsieh, een onroerendgoedhandelaar die het in Taiwan wist te verkopen als een Beverly Hills voor Chinezen. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd Monterey Park een favoriete bestemming, inmiddels is meer dan de helft van de inwoners Chinees. In restaurants of winkels was ik vaak de enige ‘round eye’. In supermarkt Ranch 99 stonden niet 99 varianten cornflakes maar 99 soorten sojasaus. In een achterhoedegevecht dwong de gemeenteraad nog wel af dat uithangborden zowel Engels als Chinees moesten zijn.

Alhambra en Monterey Park waren de plekken waar we gingen lunchen, dimsum natuurlijk. Het wende al snel om drie kwartier te rijden voor het beste restaurant, zoals nbc Seafood of Atlantic met hun ratelende dimsumkarren. Chinese restaurants zijn groot en lawaaiig. Chinezen houden van herrie. In zo’n restaurant hadden we in 1987 ons huwelijksbanket, een exquise menu, natuurlijk uitonderhandeld door Jenny. Zoals dat hoort, ging ik met Karen van tafel naar tafel om de gasten te danken voor hun komst. In ruil kreeg ik rode envelopjes vol dollarbiljetten, aan het einde van de avond puilden de zakken van mijn jasje uit.

Donald en Jenny’s wijk, Tor Heights, telt zo’n negentig gelijksoortige huizen, een zwembad en twee tennisbanen. De wijk ligt op een heuvel. De hogere delen van LA zijn in trek, je hebt er kans op een zeebriesje. En je zit er boven de luchtvervuiling, al is die dankzij Californië’s strikte beleid sterk teruggelopen. Het is een ‘gated community’. Klassensegregatie heeft in Zuid-Californië zijn vervolmaking gevonden. In Tor Heights wonen mensen met ongeveer hetzelfde inkomen, in staat en bereid om ongeveer hetzelfde bedrag uit te geven aan een woning. De eerste keer dat ik in Tor Heights kwam, woonden er een paar Chinezen, nu is het de meerderheid. Makelaars adverteren ermee.

Donald en Jenny wonen op de beste plek, op een hoek met uitzicht over de stad in de vlakte. Rechts in de verte de San Gabriel Mountains. Links iets hogere onbewoonde heuvels, te steil om te bebouwen. ’s Nachts hoor je er coyotes. Er tussenin zie je nog net het dak van de boeddhistische Hsi Lasi Temple die hier in de jaren tachtig is gebouwd, volgens de monniken de grootste in het Westen. Hun gezang zweeft weleens over de wijk.

Het huis heeft de kwaliteit van woningen in Californië: slordig gebouwd. Het is houtsysteembouw, met gebrekkige geluidsisolatie. Veel ongeschaafde balken. De oorspronkelijk metalen vensters lekten. Zoals in veel Amerikaanse huizen komt de voordeur direct in de kamer uit, dat geldt ook voor het toilet. Daar zal ik nooit aan wennen, al helemaal niet aan de Amerikaanse gewoonte om de deur open te laten staan om aan te geven dat hij onbezet is.

De tuin, een ’s zomers snel verdorrende graspunt op de hoek, is mijn favoriete plek, met de San Gabriel Mountains aan een verre horizon. Tuinmeubilair staat er niet, mijn schoonouders zijn Californisch genoeg om nooit buiten te zitten. Er is blijkbaar ook zoiets als te veel zon.

In Los Angeles leer je al snel passend vocabulaire. Aanvankelijk hoor je een ratjetoe van nummers, maar in no time weet je waar de 5, de 10, de 605, de 405 en de Pomona Freeway lopen. Ik maak kennis met de Hollywood Interchange, een spaghetti van vier freeways voordat je downtown bereikt. Ik besef dat Inland Empire het gebied is van Riverside en San Bernardino. Surface roads blijken alle wegen die niet freeway zijn, met stoplichten dus. Als je de weg weet, zijn ze sneller dan de zesbaanswegen met hun vastgelopen verkeer. In de loop van de jaren heb ik mijn eigen routes gekregen.

In de koffer van haar auto heeft Jenny het standaard noodpakket dat de overheid aanbeveelt. Dekens, water, een zaklamp. Voor The Big One, de grote aardbeving die al decennia overtijd is. Het is niet overdreven. Op 17 januari 1994 trof de Northridge-beving Fernando Valley, 6,7 op de schaal van Richter. Tien seconden waren voldoende om het huis van vrienden van zijn fundamenten af te schuiven.

Leeuwendans voor Chinees Nieuwjaar, Los Angeles, 1952 © Los Angeles Examiner / USC Libaries / Cornis / Getty Images

Eigenlijk had ik hiermee moeten beginnen: Los Angeles is a freak of nature. Een woestijn aan de zee. Een stad in die woestijn. Een vlakke kom, open naar de oceaan en verder omringd door bergen. Het blijft een verrassing als je vlucht LA nadert, als de kale woestenij van Utah en Nevada plaatsmaakt voor eindeloze rijen huizen met in de tuin blauwe postzegels. Wegen, heel veel wegen. En dan de oceaan met aan de rand lax, het ooit futuristische vliegveld. Je stapt uit in een andere wereld.

Dat licht bijvoorbeeld! Het soort licht dat je nergens anders ziet. Puur, vlak, hard. Zoals James McCain schreef: ‘Het zuigt de kleur uit alles dat het raakt, haalt het groen uit de bladeren en het sap uit twijgen, maakt mensen klein en van geen betekenis. Het geeft alles die onbeweeglijke kwaliteit van dingen die je ziet in een woestijn.’ Vandaar dat die San Gabriel Mountains zo scherp aan de horizon staan.

Het verschilt door het jaar heen. Dat harde, letterlijk oogverblindende licht als je uit de cocon van een shoppingmall komt, dat is zomerlicht, vanaf ongeveer juli. Ik ben geen zonnebrildrager, maar hier kun je niet zonder. In het najaar is er wat sommige Angelenos ‘nostalgisch licht’ noemen. Tussen december en juli is het gunmetal grey. Je hoort vaak dat er geen seizoenen zijn in LA. Dat is onzin. In het voorjaar zijn de heuvels groen, in het najaar zijn ze dor en bruin. En Kerst kan grijzer zijn dan je zou verwachten.

Eenmaal geland na elf uur vliegen, waarbij de kinderen toen ze jong waren altijd een uur voor aankomst pas in slaap vielen, is de aanblik van het lokale uniform, shorts, T-shirts en flip flops, meestal voldoende om mijn stemming snel te verbeteren. Zon en blauwe hemel beloven een warmer bestaan. Daar maakt de freeway in eerste instantie korte metten mee: vanuit de auto laat Los Angeles zich niet van zijn mooiste kant zien. Gelukkig hebben ze hier diamond lanes, vrije banen aan de linkerkant waar je mag rijden als je niet alleen in de auto zit. Goed idee, in Nederland genekt door De Telegraaf. Evengoed zijn we meer dan een uur onderweg.

Op een gewoon dagelijks niveau is LA de stad waar het ­lokale nieuws avond aan avond nieuwe slachtoffers voorschotelt

Los Angeles is een horizontale stad. Uitgestrekt en uitgerekt. Altijd geweest, al in de tijd van de haciënda’s. De eerste suburbs ontstonden aan de eindpunten van de tram- en trolleylijnen. Want ooit had Los Angeles een uitgebreid systeem van openbaar vervoer. Een onverslijtbare mythe wil dat de autobedrijven het openbaar vervoer de nek omdraaiden. Dat is te veel eer. De burgers zelf deden het in 1926 door geen geld beschikbaar te stellen voor vrije trambanen. Ze stonden in de file graag naast de ook vastgelopen tram, dat voelde beter. De trams zijn weg, de auto’s staan er nog steeds.

Een andere mythe is dat LA nooit een downtown had. Ik daag u uit de oude foto’s te bekijken. Een van de herkenbare monumenten is de City Hall met zijn vijftig meter hoge toren in art-decostijl. Tot de meer recente nieuwbouw was het het hoogste gebouw in de stad. Feit is wel dat naarmate het aantal suburbs groeide het hart van de stad steeds leger werd. In de afgelopen vijftien jaar is downtown in veel opzichten verbeterd. Er wonen steeds meer mensen, er is een nieuwe concertzaal. Ik vind er mijn favoriete boekhandel, The Last Bookstore, gevestigd in een oud bankgebouw, vlak bij de modieuze Grand Central Market.

De heropleving van downtown begon met de opening van het Staples Center, een multifunctioneel sportcomplex, in 1999. In hetzelfde jaar nam de gemeenteraad de Adaptive Reuse Ordinance aan, die het gemakkelijker maakte om bestaande maar vervallen commerciële gebouwen om te zetten in appartementen en lofts. Nieuwe bewoners brachten trendy restaurants en cafés. Niet langer was downtown ’s avonds uitgestorven. Er wonen nu zo’n zeventigduizend mensen, viermaal zo veel als in 2000.

Onveranderd aanwezig zijn de daklozen, verslaafden en prostituees die op 5th en 6th kamperen. Letterlijk: op het trottoir staat een tentenkamp waar het menselijk wrakhout van Zuid-Californië aanspoelt. In de sjofele hotels rond die straten wonen de mensen die nog net niet van de laatste sport van de ladder zijn gevallen. Laat u niet vertellen dat dit het gevolg is van de grijp-en-graaicultuur sinds de jaren tachtig. Deze straten zijn het oorspronkelijke skid row, ze bestaan al bijna honderd jaar. Dat maakt het niet minder shockerend.

In de vlakte krijg je dat idee niet, maar dit is een stad van heuvels, soms oogt en voelt het als Griekenland. Het ruikt als Griekenland. Mediterraan, en dat was precies de aantrekkingskracht in de laat negentiende eeuw toen hier alleen nog ranches lagen en valleien met sinaasappelbomen. LA had niets, enkel haar klimaat. Staatshistoricus Kevin Starr, acht delen ver in zijn prachtige geschiedenis van Californië, noemt LA de Great Gatsby van de Amerikaanse steden, naar de self made hoofdpersoon van de gelijknamige roman van Scott Fitzgerald. In de woorden van een andere historicus, Carey McWilliams: Los Angeles is man made, een gigantische improvisatie. Een circus zonder tent, zegt hij ook ergens.

Ik kan niet zeggen dat ik veel wist van Los Angeles. Mijn beeld als tiener beperkte zich tot de Beverly Hillbillies, de televisieserie over een door olie rijk geworden familie uit de Appalachen die naar Los Angeles verhuisde. Op mijn netvlies staat het beeld van de T-Ford truck, met granny in haar schommelstoel achterop, buks binnen handbereik. Deze nouveaux riches werden neerbuigend behandeld door de locals, vooral door de bankier die wel graag hun geld aannam. De bottom line was natuurlijk dat de Clamptons menselijker en socialer waren dan al die Hollywood-types.

De televisieserie ging dieper dan ik ooit had kunnen denken. Het gaf de ongelijkheidsstructuur van Los Angeles goed weer, het snobisme van groot geld. Maar het was ook een metafoor voor het verhaal van de mensen die tussen 1880 en 1940 naar Californië kwamen, voornamelijk plattelanders uit het midden van Amerika. Dat provinciale element is nog herkenbaar in een stompzinnig soort conservatisme in Orange County, maar het biedt ook een verklaring voor de fundamentalistische kerken met flamboyante predikanten waar Los Angeles het patent op lijkt te hebben. Rond 1900 had men het over Iowa on the Sea. De naam herinnert eraan dat Anaheim, thuishaven van Disneyland, ooit Duits was. Geen wonder dat ze het vliegveld in Orange County John Wayne Airport noemden.

Wayne is een mooi symbool voor een minder aantrekkelijk aspect van Los Angeles. In zijn rol als nep-cowboy waarschuwde Wayne dat je altijd je rug in de gaten moet houden. Net iets anders geformuleerd: ik kijk hier altijd over mijn schouder. De terreur van dagelijks geweld die Amerika als geheel teistert is in deze stad altijd voelbaar. LA heeft een hoog gehalte aan gevaarlijke types met te veel wapens. Een eenvoudige ruzie of vermeende belediging leidt al gauw tot geweld. In ons latente geheugen zat altijd de zaak van Polly Klaas, een meisje van twaalf dat in 1993 van een ‘slumber party’ werd ontvoerd en vervolgens vermoord. Dat gebeurde in Petula, niet in LA, maar de zaak stond symbool voor willekeurig geweld waarvan iedereen het slachtoffer kan worden. Er lopen te veel mafketels rond. Toen de kinderen klein waren, hield mijn vrouw altijd een naar mijn idee overdreven oog op hen, in restaurants, malls of parken. Uiteindelijk was zij er opgegroeid. Ze kende het gevoel.

In mijn geheugen zat LA als de stad van Charles Manson, van de rituele moord op Sharon Tate en zes anderen. Het maakte op ons, jaren-zestig-types, diepe indruk. Helter Skelter, van The White Album van de Beatles, was hiermee voorgoed verbonden. Dichterbij in de tijd was LA ook de stad van de moorden door O.J. Simpson en die bizarre achtervolging op de freeway. En de ridicule vrijspraak die door zwarte Amerikanen als een overwinning werd gevierd. Op een gewoon dagelijks niveau is LA de stad waar het lokale nieuws avond aan avond nieuwe slachtoffers voorschotelt. Het nestelt zich. Je bent hier onzeker, ook, misschien vooral, in de ogenschijnlijk veilige beslotenheid van je auto, waar je haast kunt vergeten dat er arme en gevaarlijke buurten zijn. Lang was dit mijn nachtmerrie: pech langs de freeway, op het verkeerde moment, in de verkeerde buurt. Het overkwam de zoon van Bill Cosby. Hij overleefde het niet. En er is de lapd, de politie, waar je liever niet mee te maken krijgt. Vraag maar aan Rodney King, die in 1991 werd aangevallen door politieagenten, wat per toeval werd gefilmd. De agenten werden vrijgesproken, wat leidde tot dagen van rellen. Het kan morgen weer gebeuren. Een onafhankelijk rapport van december 2020 over de reacties van de politie op de George Floyd-onrust is kritisch.

Verwoestingen na rellen met als aanleiding de dood van Rodney King, een zwarte man die omkwam door politiegeweld, Los Angeles, 1992 © Paul Fusco / Magnum / ANP

Kijk ik zo terug over al die jaren, dan is er afgezien van een breed gevoel, Amerika-breed, dat het land naar de Filistijnen gaat, weinig revolutionair veranderd. Sinds het begin van de eindeloze oorlogen hangen aan de lantaarnpalen langs Colima Road in Hacienda Heights banieren met de namen van militair personeel. Als uit namen integratie blijkt, dan zie je dat hier. Lokale winkels, toch al niet dik gezaaid, hebben het moeilijk. Jenny slaat groot in bij Costco, Walmart is nadrukkelijker aanwezig dan tevoren. De Puente Hills Mall, ooit bruisend, is zijn anker-winkels kwijtgeraakt en leidt nu een kwijnend bestaan. Giga malls op rijafstand – een uur of zo – bieden meer luxe merkwinkels. De enige boekwinkel, een kleine Barnes and Nobles met te veel geloofgerelateerde boeken, legde ergens rond 2005 het loodje.

Ook onveranderd maar meer besproken dan in 1987 zijn de immigranten, legaal en illegaal. Ze staan nog steeds ’s ochtends vroeg bij een van de mini malls om voor weinig scrupuleuze aannemers te werken als dagarbeider. Bij Donald en Jenny komt één keer in de twee weken een groepje hispanics langs die met een blower door de tuin razen. Hispanics lijken een monopolie te hebben op dit soort tuinieren. Je rekent cash af. Jenny’s schoonmaakster/kok is natuurlijk Chinees. Ze spreekt nauwelijks Engels maar redt zich in deze regio zonder problemen.

Van eind jaren tachtig herinner ik me het toen ietwat shockerende verkeersbord langs de weg naar San Diego: een geel bord met in het zwart silhouetten van een man en vrouw, een kind aan de arm meeslepend. Caution! Op het terrein van immigrantenafkeer en gemeenheid liep Californië voorop. In 1993 al besliste een referendum dat de kinderen van illegale immigranten geen onderwijs en geen gezondheidszorg meer kregen. Lang vóór Trump speelden politici hier de immigrantenkaart. Het heeft iets surrealistisch, dat gezeur, want zonder al die hispanics die gras maaien, tuinen schoonblazen, auto’s parkeren, op de baby’s passen en schoonmaken, zou de lokale economie behoorlijk onthand zijn. Jenny stemde Trump: veel te veel immigranten, vindt ze. Het is niet een onderwerp waar we het vaak over hebben.

Wat ik zie is dat LA een soort 21ste-eeuws New York is: de stad waar honderdduizenden nieuwkomers voor het eerst kennismaken met Amerika, waar ze hun Amerikaanse droom zoeken en soms vinden. In LA zijn witte Amerikanen al in de minderheid. Geen stad heeft zo’n verbijsterende multiculturele samenstelling. Wie wil zien hoe tweede en derde generatie immigranten vanzelf integreren, kan hier bewijzen voor zijn optimisme vergaren. Amerika is en blijft een immigratieland.

Aan de andere kant, het land waar die immigranten uit Europa naartoe gingen tot in 1924 de poort werd gesloten, was een ander Amerika dan dat waar moedeloze mensen uit Amerika’s achtertuin aan de grenzen staan. Toen bood Amerika de toekomst, het zat vol leven, energie, hoop, ruimte zelfs. Het Amerika van nu is moe, zonder energie of energiek voor de verkeerde zaken. Zeker, voor nieuwkomers is het nog steeds beter dan wat ze achterlaten. Als ik nadenk over de balans van veertig jaar Amerika, dan kan ik over die toekomst niet optimistisch zijn.

Los Angeles is een stad in een staat die naar het westen kijkt, naar de Pacific. Dat ga je vanzelf ook doen, en je begrijpt waarom de Atlantische gemeenschap voor dit deel van Amerika minder betekent dan een Pacific gemeenschap. President Franklin Roosevelt had in 1942 grote moeite om zijn volk – en zijn militairen – ervan te overtuigen dat Europa eerst bevrijd moest worden. Deze Pacific gemeenschap is alleen maar sterker geworden. China ligt dichterbij dan Europa.

Sta je vandaag op Laguna Beach, of loop je op het strand van San Clemente, waar Nixon ooit wandelde vanuit zijn westelijk Witte Huis, en kijk je uit over de oceaan, dan bekruipt je eerder het gevoel dat een tijdperk is afgesloten. Dat Amerika niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk zijn grenzen heeft bereikt. Dat de drang naar het westen, de zucht naar leven op de rand van het continent, heeft plaatsgemaakt voor een drang weg van de oceaan, landinwaarts. Texas en Florida groeien, hightech beweegt zich naar het Midden-Westen. Het land keert zich in zichzelf.

Jenny had geen moeite haar huis te verkopen. Het weekend dat het op de markt kwam voor negen ton ging het weg voor ruim een miljoen. Een ‘seller’s market’ zei de tevreden makelaar, die wel heel erg gemakkelijk haar commissie opstreek. Voor ons is het de vraag of Jenny op haar 81ste de overgang kan maken naar een New Yorkse suburb in New Jersey waar Chinezen bezienswaardig zijn, de winters serieus en behoorlijk Chinees eten toch minstens de Lincoln Tunnel verwijderd is.

Toen zij haar vertrek aankondigde, wisten wij dat we in Los Angeles niet meer terug zouden komen. Dat ging mij iets meer aan het hart dan mijn vrouw die er opgroeide en het ondertussen wel gezien heeft. Mijn Los Angeles was niet Hollywood, Disneyland, Santa Monica, Rodeo Drive, laat staan Universal Studios. Mijn LA was diversiteit, restaurants in oneindige etnische variaties, magistrale musea, een paar geweldige boekenwinkels, en raar als dat misschien mag klinken, de natuurlijke omgeving. Ik houd van de heuvels, de stranden, de parken en zo nu en dan zelfs de manier waarop je in LA moet leven, met wegen en malls. Maar nee, missen zal ik het niet.