Een circusjongen

Gerrit Komrij was ‘een heer op afstand’ en wist het verhevene en het banale bij elkaar te brengen zoals niemand dat kon. Met meestal een duister randje. ‘IJdelheid, je staat verbluft van zoveel ijdelheid.’

Medium hh 16146749

Afgelopen voorjaar verraste Gerrit ­Komrij nog met zijn roman De loopjongen. Losjes gebaseerd op het absurde historische feit dat de Nederlandse geheime dienst in 1970 een nep-­maoïstisch-leninistische partij had ­opgericht om potentiële radikalinski’s op het spoor te komen, was het in de kern een roman over het verlangen naar vriendschap. Het verheven ­ideaal van ­verbondenheid dat de timide middelbare ­scholier Alfred koestert, maakt hem, hongerend en zoekend in de grote stad, de ideale prooi voor een partij die de camaraderie hoog in het ­vaandel heeft staan. Alfred was op zoek naar zielsverwantschap, gelijkheid, maar wordt zonder dat hij zich ervan bewust is een loop­jongen van de revolutie. Een ironisch gegeven dat door Komrij opvallend niet-ironisch werd uitgewerkt.

Met De loopjongen kreeg Komrij iets voor elkaar dat hem met zijn beide eerdere romans, De klopgeest (2001) en Hercules (2004), niet was gelukt: los te komen van het bordkarton, en iets van ontroering teweeg te brengen. Hercules bleef honderdvijftig pagina’s lang twijfelen tussen essay, roman en apologie (‘wees me genadig, koketterie’), en De klopgeest, dat zich afspeelde in negentiende-eeuws Amsterdam, maakte een nogal oubollige indruk.

‘Mijn snaren zijn met velen’, dichtte Komrij in Help, opgenomen in de bundel Lucht­spiegelingen (2001). Waarschijnlijk was hij te zeer een gretig, op het hier en nu belust ­essayist en feestredenaar, en een pestkop bovendien, om ook nog eens een romanschrijver te zijn die het aandurfde zijn personages dubbelzinnigheid mee te geven.

Zijn dichterlijke loopbaan is een ander verhaal. Hij debuteerde als 24-jarige met het daverende Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968). Werd hij tot zijn eigen ergernis te vaak vergeleken met Piet Paaltjens, heel vreemd is dat niet, de soms nogal melige ‘pointes’ in de slotregel in aanmerking genomen. In het plechtige dichterlijke landschap, altijd bereid op te kijken tegen ‘duistere lullenkoek’, zoals de jonge dichter later zijn collega’s Hans Faverey en H.C. ten Berge zou afschrijven, was de poëzie van Komrij onmiddellijk een baken van helderheid en humor. Het verhevene en het banale gingen bij hem een gelukkig huwelijk aan, met een duister randje. Zoals in Het ijzeren bed, opgenomen in De verschrikking (1977):

Er kijken een meisje en een kat

In een spiegel als door een sleutelgat

En zien weer een meisje en een kat.

Er komt nooit een einde aan de last

Van ’t spiegelglas en de ladenkast.

Daar zit heel wat poëzie aan vast.

Gedichten als dozen waar niets in zit.

Of zit er iets in, dan enkel dit:

Een ziekenhuisbed in een serre, wit.

De ladenkast is een terugkerende metafoor voor de schrijver in spe, snakkend naar openbaring maar tegelijkertijd zijn schatten koesterend: ‘Bij aller volken tal is de nieuwsgierigheid/ Heer. Ze snuffelen in bijna al je laden,/ Dat het verre van mooi is. (…) Ze laten de laden bonkend zoef-zoef glijden./ Jouw kast is ook zo vreselijk proppensvol.’

Hij keert terug in de bundel die in het jaar erop verschijnt, Alle vlees is als gras of Het knekelhuis op de dodenakker, in het gedicht Op je rug: ‘Het is of je een commode op je rug draagt,/ Zo’n rotdag. En als je je rug wilt strekken/ Valt la na la eruit. ’t Is godgeklaagd,/ Je zit verdomme vol met bonte plekken. (…) Te erg is het. Laatst zag je iemand, die/ Zijn kast van voren droeg, net als een mars-/ Kramer, maar dan toch wel een slimme. Stie-/ Kem had hij haar gelijmd, je zag geen barst.’

Het dromerige jongetje uit Winterswijk, homoseksueel vanaf zijn geboorte, ontdekte dat hij zich op school het best kon handhaven door middel van maskerade. Letterlijk, door mee te gaan spelen in het schooltoneel, en al gauw door zelf de toneelstukken te schrijven. Met groot succes. Door zijn tics uit te vergroten – zijn hand achter zijn dove oor te klemmen, met nog lijziger dictie te spreken – kreeg hij de lachers op zijn hand.

In Verwoest Arcadië (1980), het autobiografische relaas van een jeugd, dat tot het mooiste behoort wat Komrij schreef, beschreef hij het gevecht van zijn jonge alter ego Jacob Witsen met zijn schrijversroeping. ‘Hij leek, als je niet meer dan een vluchtige blik op hem wierp, nog het meest op een vooral saai meubelstuk. Op een hoge, gesloten ladenkast. Maar, o wee, als hij onverwacht een laatje opentrok! (…). Als hij zich aan zijn schrijftafel zette en zijn pen in de hand nam, trok hij behoedzaam een laatje open. Hij was vreeslijk bang om te schrijven. Hoe hield je de rest van de kast gesloten? (…) Maar toch, hij moest schrijven. Schrijven was een bittere drift bij hem, want la na la moest worden gelucht. Er moest wat wind doorheen, anders stikte hij. Hij moest zich blootgeven, of hij wilde of niet.’

In de autobiografische verhalen, gebundeld onder de titel Demonen (2003), dat te lezen is als een vervolg op Verwoest Arcadië, staan alle laden inmiddels wel zo’n beetje vrolijk open, ook de la van het gif en die van de nijd. Het is onmogelijk om deze bundel op te slaan en niet meteen in lachen uit te barsten. ‘Ik hoopte op een wereld die op een kermis zou lijken, met alle dagen feest en grandioze bedriegers. Ik kwam terecht in een grafkelder’, schrijft hij onder het lemma ‘Hoop’. En: ‘Eens hoopte ik schrijver te worden (…) maar zie, ik belandde in de Nederlandse literatuur.’

Met die Nederlandse literatuur had Komrij inderdaad de spreekwoordelijke haat-liefde­verhouding. In Daar is het gat van de deur (1974) werden zijn vermakelijke boutades over de laffe Nederlandse literatuur verzameld. Hij toonde zich zowel grafdelver als ontsluiter, ook in de verschillende poëziebloemlezingen die hij samenstelde. Toen zijn De Nederlandse Poëzie van de 19de en 20ste Eeuw in 1000 en Enige Gedichten uitkwam in 1979 was dat een sensatie.

‘Meteen kopen’, droeg docente Marita Mathijsen ons studenten Nederlands op, ‘voordat het uit de handel wordt gehaald. Dan heb je straks de eerste, unieke, druk in huis.’

De dikke pocket ligt nu naast me, kapot­gelezen, vol met knipsels en geeltjes. ‘Voor degenen die menen dat iedereen kunst kan maken, dat alle gedichten even goed zijn en dat alleen de inzet en niet het resultaat telt, is deze bloemlezing niet bedoeld’, schreef de bloem­lezer in zijn voorwoord. ‘Voor zulke mensen zijn er raffia mandjes en kruiswoordraadsels. Dichters dichten niet omdat ze zich vervelen.’ De uitgever voegde eronder in bedrieglijk rustige bewoordingen aan toe: ‘De dichters J. Bernlef, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Bert Schierbeek zijn het niet eens met de door Gerrit Komrij gemaakte keuze.’ Iedereen wist dat de pleuris was uitgebroken onder de dichters die ooit te paard gingen als ‘de Vijftigers’. Komrij had het voor elkaar om van het au fond sufste genre dat er bestaat, de bloemlezing, iets hoogst urgents en actueels te maken. Het leek alsof alle duizend-en-één gedichten persoonlijk door zijn toverstaf waren aangeraakt, en zo was het natuurlijk ook een beetje.

Ondanks het feit dat hij al decennia in Portugal woonde samen met zijn geliefde Charles Hofman was Komrij een van de meest aanwezige schrijvers van Nederland. Zeker nadat hij het schrijven over televisie tot een kunst had ver­heven, was hij een publiek figuur geworden. Terwijl ik dit stuk schrijf, buitelen de herhalingen van televisieprogramma’s waarin hij optrad over elkaar heen. Hij was een dankbare gast, immer goed geluimd, ad rem en welbespraakt, en niet te beroerd om deze of gene tot het bot te beledigen. In Verwoest Arcadië beschrijft hij de opwinding van Jacob als het circus zijn dorp aandeed, eens per jaar. Opeens stonden de straten onder stroom, kon er in plaats van de gebruikelijke boerenpummel zomaar een slanke jongen met krullend zwart haar om de hoek verschijnen. Net als Gerard Reve hield Komrij van het circus, en speelde hij zijn rol van artiest met verve. En natuurlijk fungeerde Harry Mulisch als de kop van jut van de vaderlandse letterkunde. ‘IJdelheid, je staat verbluft van zoveel ijdelheid.’

Komrij wist zijn publiek voor zich in te nemen, wat misschien een wonder is bij zoveel geëtaleerd chagrijn. Dat had allereerst te maken met het simpele feit dat je om hem kon lachen. Begin jaren tachtig verzorgde hij de aftrap in de lezingenreeks De Brandende Kwestie, georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Hij vertelde over hoe hij in museum Fodor werd getroffen door de vieze lappen en slijmerige frutsels die daar werden tentoongesteld. Het feit dat het een en ander aan waslijnen hing, deed hem vermoeden dat hier vrouwelijke exposanten in de weer waren geweest. Omdat de boel ook nog eens stonk naar vaatdoek moest het wel feministische kunst zijn, zo concludeerde hij. Om vervolgens even overtuigend als geestig de vloer aan te vegen met de hoogdravende interpretaties van de landelijke kunstkritiek.

Wat voor Komrij pleitte is dat hij zichzelf niet buiten schot hield. In zijn spottende teksten kwam hij uiteindelijk vaak bij zichzelf uit, of het nu ging om zijn niet-aflatende meisjesachtige dweepzucht of om zijn uiterlijk verval.

Zo beschrijft hij in Spiegelbeeld, in Demonen, de ontmoeting tussen de komende en de gaande autoriteit op bloemleesgebied. Eerst lacherig en vilein, maar halverwege sluipt er een andere toon in het verhaal. Want nu is het zíjn beurt om tussen de hoog met boeken opgetaste wanden, bevend en loerend, jonge dichters te ontvangen. ‘Ik probeer me te concentreren op de grijze, vogelachtige bloemlezer van destijds met zijn delirium tremens – de ster die is ondergegaan. De beelden van hem en mij vloeien dooreen, ik zie hoe hij met mijn ogen naar zichzelf kijkt en hij ziet hoe ik naar hem kijk alsof ik het zelf ben. Twee, vier, acht, zestien ogenparen vullen zich met tranen.’

In de essaybundel Morgen heten we allemaal Ali (2010) spot hij met zijn alomtegenwoordigheid op festivals en andere evenementen. ‘Kom, dachten ze op de burelen, we vragen de heer Komrij om een bijdrage. En ik overwon mijn aarzeling. Ik zei ja. Eenmaal een heer, altijd een heer. We vragen hem hoe hij naar het Nederlandse boekenlandschap kijkt. De heer Komrij schijnt ver weg te wonen. (…) Een heer op afstand is een uitkomst.’

De voorkomendheid van Komrij had één nadeel: zijn geactualiseerde bloemlezing van de negentiende tot en met de 21ste eeuw in tweeduizend en enige gedichten die in 2004 verscheen, had veel minder zeggingskracht. De bloemlezer zat te dicht op zijn eigen coterie om nog eerlijke keuzes te kunnen maken. Wat dat betreft was zijn behandeling van poëzie in de rubrieken die hij op de achterpagina van NRC Handelsblad in de jaren negentig schreef, In Liefde Bloeyende en Trou moet Blijcken, een stuk waarachtiger en onverminderd indrukwekkend. De simpele formule van het nauwlettend en liefdevol lezen en toelichten van een enkel uitverkoren gedicht leverde vele stukken op die ik nu als knipsels terugvind in zijn boeken. In een van de stukjes loopt hij regel voor regel een gedicht na van de mij verder onbekende Th. van Os, Verjaren getiteld, waarin afscheid wordt genomen van een geliefde.

Bij de laatste strofe – ‘Alleen zijn naam bestaat, een steen/ nog even en hij is geruimd, dag Romeo’ – schrijft Komrij: ‘Geen punt erachter, nee, een groet die wegechoot in het niets. We zullen nooit weten of de dichter het dag Romeo achteloos, wegwuivend bedoelde of dat het klinkt als een angstig piepje. Een tabee of een help. Wat doet het ertoe? Er hééft iemand geleefd en hij heette Romeo.’


Gerrit Komrij, De loopjongen, € 17,50

Gerrit Komrij, De loopjongen, € 13,95 (e-book)

Gerrit Komrij, Hercules, € 16,50

Gerrit Komrij, Hercules, € 13,50 (e-book)

Gerrit Komrij, De Klopgeest, € 14,95 (e-book)

Gerrit Komrij, Luchtspiegelingen, € 15,90

Gerrit Komrij, Demonen, € 18,50

Gerrit Komrij, Morgen heten we allemaal Ali, € 19,90

Gerrit Komrij, Morgen heten we allemaal Ali, € 15,95 (e-book)


Beeld: Marco Okhuizen / Hollandse Hoogte