Een clichebeeld ontleed

IN DE zomer van 1782 sloeg er een golf van paniek door het Habsburgse keizerrijk. In het Hongaarse district Hoth waren 133 zigeuners opgepakt omdat ze reizigers zouden hebben beroofd en opgegeten. Hoewel niemand als vermist was opgegeven en men geen ooggetuigen had, bekenden 53 mannen en 31 vrouwen dat ze schuldig waren. Maar waren ze dat ook?

Het is een van de vele vragen die Wim Willems zich stelt in zijn dissertatie Op zoek naar de ware zigeuner, waarop hij op 1 februari in Leiden promoveerde. Willems, cultureel antropoloog, wil achterhalen op wat voor manieren wetenschappers en politici door de eeuwen heen tegen zigeuners aankeken. Daarbij gaat het hem niet eens zozeer om de zigeuner zelf, maar om diens plaats in de geschiedenis. Want de eigenlijke zigeuner kan volgens hem pas worden beschreven als de officiele geschiedenis is ontdaan van zijn klassieke vooroordelen.
OM DE oorzaken van de scheve verhoudingen bloot te leggen, gaat Willems in op drie belangrijke schrijvers van de zigeunergeschiedenis. Aartsvader van die geschiedschrijving was de Duitser Grellmann, die een jaar na de opschudding over het kannibalisme een standaardwerk schreef. Grellmann was de eerste die de zigeuners beschreef als een volk met een gemeenschappelijk land van herkomst, namelijk India. Maar vol bewondering als hij was voor de verlichte vorst Jozef II, leek zijn boek vooral bedoeld als bijdrage aan het heropvoedingsbeleid voor onbeschaafde lieden, waartoe men alle zigeuners rekende.
De negentiende-eeuwse romanticus George Borrow veroorzaakte met zijn folkloristische zigeunertype een literaire rage waardoor ook schrijvers als Poesjkin zich lieten meeslepen. Borrow ontwikkelde de zigeunerfiguur als edele wilde. Hoewel het hem niet lukte zijn ervaringen met zigeuners, die best aardig bleken te zijn, met de heersende beelden in overeenstemming te brengen, bleef hij consequent van stereotypen uitgaan.
BEGIN twintigste eeuw wordt er steeds nadrukkelijker gewerkt aan de verwijdering van de zigeuner uit de samenleving. Onder aanvoering van Robert Ritter worden de zigeuners en zigeunerachtigen binnen het Duitse taalgebied in kaart gebracht. Aanvankelijk om hun zogenaamde verloedering te onderzoeken, later om verdere degeneratie tegen te gaan. Als in 1933 een sterilisatiewet wordt uitgevaardigd, is het alleen nog een kwestie van tijd voordat 400-duizend Gemeinschafstfremden (gehandicapten, joden, zigeuners) onvruchtbaar zijn gemaakt. Dat het er niet meer zijn geworden, komt enkel omdat de nazi’s tot nog doeltreffender methoden overgingen: de concentratiekampen. Volgens de meest conservatieve schattingen zijn in deze kampen minstens 220-duizend zigeuners omgekomen.
Centrale vraag van Willems is hoe het zover kon komen. Hij wijt de nazipraktijken met name aan een vijftiende-eeuws clichebeeld, dat nooit door de geschiedschrijvers aan de werkelijkheid is getoetst en los van de echte zigeuner is blijven voortbestaan. Doordat bovendien geen enkele onderzoeker een vergelijking maakte met soortgelijke groeperingen, zijn conclusies getrokken die hun waarde verliezen als je bedenkt dat ze misschien wel voor de halve bevolking opgingen.
Op uiterst leesbare wijze beschrijft Willems de verschillende onderzoekers: hun eerzucht, hun rigide vooruitgangsidealen en hun onwetenschappelijkheid. Zijn boek is dan ook vooral een boek geworden waarin mythes worden doorgeprikt. Nu nog een boek dat antwoord geeft op de vraag wat de ware zigeuner is.