Een colijn kent geen twijfel

VOOR DE Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse politiek ruim een kwart eeuw gedomineerd door Hendrikus Colijn. Na de oorlog kon hij geen goed meer doen. Hij zou in mei 1940 trillende knieën hebben gehad; hij was een door en door autoritaire regent geweest; hij had zich in onze koloniale oorlogen schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden; hij was een ordinaire zakkenvuller geweest die in weelde leefde terwijl de massa van werklozen steeds verder werd uitgezogen. Hij was kortom een man aan wie Nederland niet graag herinnerd wilde worden. Een standbeeld of straatnaambordje kon er niet af, zelfs geen vertrek in het Tweede-Kamergebouw.

In zijn oratie Een standbeeld voor Colijn? (1994) ging historicus Jan de Bruijn in op de vraag wat de oorzaak was van dit negatieve beeld van Colijn. Dat Colijn fouten heeft gemaakt, is evident. Voor welke politicus geldt dat niet? Volgens De Bruijn was hier meer aan de hand en hebben we hier te maken met een geval van ‘zelfprojectie’: 'Al ons onbehagen over oorlog en kolonialisme, crisis en werkloosheid, verzuiling en autoriteit, calvinisme en kapitalisme, wordt in de figuur van Colijn geprojecteerd. In die zin is het populaire Colijn-beeld een spiegelbeeld van ons onverwerkte verleden. Het weerspiegelt onze irritatie over een zekerheid en zelfbewustheid die we zelf zijn kwijtgeraakt. Het is de vaderfiguur uit onze naoorlogse letterkunde die de schuld krijgt van onze ongelukkige jeugd, die zondebok die de woestijn in wordt gejaagd.’
Een beeld dat zo sterk is, wordt al snel immuun voor de feiten. Zo heb ik dikwijls bejaarden met grote woede over Colijn horen spreken, bijvoorbeeld omdat hij een bom op de Zeven Provinciën had laten gooien, of omdat hij op 9 mei 1940 de mensen had aangeraden rustig te gaan slapen. Colijn was zozeer het symbool geworden van alle narigheid van een heel tijdperk, dat het collectieve geheugen vergeten was dat hij ten tijde van de muiterij op de Zeven Provinciën nog geen premier was, terwijl hij dat ambt aan de vooravond van de Duitse inval al negen maanden niet meer bekleedde.
NU IS ER niet uitsluitend negatief over Colijn geschreven. Sterker nog, als historische figuur is hij decennialang gemonopoliseerd door G. Puchinger, net als Colijn afkomstig uit antirevolutionaire kring. Zijn uit 1962 daterende Colijn: Momenten uit zijn leven was een onversneden hagiografie. In Puchingers monumentale, tussen 1969 en 1993 verschenen trilogie Colijn en het einde van de coalitie werd het wierookvat wat minder uitbundig gehanteerd, maar Colijn bleef wel de grote held.
Nu bevatten deze drie dikke boeken geen biografie van Colijn maar vormen zij een kroniek van de kabinetsformaties tussen 1918 en 1939. Van de biografie die Puchinger aanvankelijk wilde schrijven is het nooit gekomen. Volgens Jan Rogier, in een vernietigende recensie van het eerste deel van de Colijn-trilogie, heeft Puchinger van het biografieplan afgezien omdat hij er tijdens zijn onderzoek achter kwam dat Colijn helemaal niet zo'n bewonderenswaardige figuur is geweest.
Hoe het ook zij, onderhand werd het wel tijd voor een serieuze levensbeschrijving van Colijn. In talrijke studies over Nederland en Nederlands-Indië in de periode 1890-1940 werd weliswaar aandacht besteed aan Colijn, maar een overzichtelijk beeld van zijn leven was er nog altijd niet. Het werkje Hendrikus Colijn, anti-revolutionair van Jan Bank en Chris Vos bood dat bepaald niet. Ook de in 1994 verschenen bundel Colijn: Bouwstenen voor een biografie was, zoals de ondertitel aangeeft, niet de omvattende biografie waarop gewacht werd. Wel werden in dit boek enkele van de mythen rond Colijn doorgeprikt. Deze bundel werd behalve door de reeds genoemde Jan de Bruijn geredigeerd door VU-historicus Herman Langeveld. Laatstgenoemde heeft daarna de zware taak van Colijn-biograaf op zich genomen. Deze week verschijnt het eerste deel van zijn biografie, dat de periode tot 1933 behandelt.
De vraag is nu of Langeveld erin geslaagd is een beeld te schetsen waarin de gebreken en fouten van Colijn aan de orde komen, zonder dat hij nu onmiddellijk als de ultieme schurk wordt voorgesteld. Veel bezwaren die wij tegen Colijn kunnen aanvoeren, moeten immers gezien worden in het licht van de tijd waarin Colijn opereerde. Dit betekent niet een klakkeloos goedpraten van alles wat Colijn heeft gedaan, maar wie wil begrijpen waarom hij in zijn tijd zo werd bewonderd, zal Colijn binnen zijn historische context moeten plaatsen.
TIJDGENOTEN bewonderden Colijn niet in de laatste plaats omdat hij het prototype was van de self-made man. Een boerenzoon uit de Haarlemmermeer die in het leger ging en opklom van soldaat tot gedecoreerd officier in Nederlands-Indië, die vervolgens carrière maakte als ambtenaar, politicus, topondernemer, om uiteindelijk minister-president te worden. Hoewel Colijn veel geld overhad voor het bewijs dat hij afstamde van de zestiende-eeuwse Amsterdamse regent Pieter Colijn, was hij inderdaad van eenvoudige afkomst. Zijn grootvaders waren boeren uit de Alblasserwaard en speelden een rol in de Afscheiding van 1834 - de scheuring in de Hervormde Kerk waarbij streng-orthodoxe calvinisten zich verzetten tegen modernistische tendensen in de officiële theologie.
De jonge Driekus Colijn, geboren op 22 juni 1869, groeide op in de Haarlemmermeer en, van zijn zesde tot zijn twaalfde, bij zijn grootouders in de Alblasserwaard. Het boerenbestaan trok hem niet, zodat hij op zijn veertiende kwekeling werd aan de christelijke school van de oostelijke Haarlemmermeer. Een carrière in het leger leek meer perspectief te bieden, zodat Colijn begin 1886 dienst nam bij het instructiebataljon in Kampen. De rekruut was bijzonder gemotiveerd en werd uiteindelijk zelfs toegelaten tot de opleiding tot officier.
Het strenge 'geloof der vaderen’ verwaterde bij de jonge beroepsmilitair al snel tot een vaag soort vrijzinnigheid. Totdat hij verliefd werd op zijn steil-calvinistische nichtje. Nadat zij de boot een tijdje had afgehouden, raakte Colijn plotseling 'bekeerd’. Was dit een uiting van opportunisme, een van Colijns meest in het oog springende karaktertrekken? De gereformeerde officier zag het anders: zijn geliefde was 'een middel in ’s(Heeren hand om mij tot Hem te brengen’. In ieder geval stond niets een huwelijk meer in de weg. Enkele maanden later, in september 1893, vertrok het pasgetrouwde stel naar de gordel van Smaragd.
Juist in deze jaren viel er voor een avontuurlijk officier veel te beleven in 'ons Indië’, aangezien er eindelijk serieus werk werd gemaakt van de zogenaamde 'pacificatie van de buitengewesten’. In de zomer van 1894 liep de eerste strafexpeditie naar Lombok in een hinderlaag. Colijn, die er als correspondent voor het antirevolutionaire dagblad De Nederlander wat bijschnabbelde, schreef: 'Wij zullen niet weten wat genade is! Het is onze heilige roeping Mataram en Tjakra Negara voor eeuwig met den grond gelijk te maken, opdat zelfs de herinnering verloren ga en men de plaats niet meer wete aan te wijzen waar eens het verraad in eere zetelde! Tida kassi ampon! (geen kwartier!).’
Aangezien hij deel uitmaakte van de tweede expeditie in november van dat jaar kreeg Colijn de kans de daad bij het woord te voegen. Doordat hij het praatje rondstrooide dat hij zijn zieke compagniescommandant had vervangen tijdens de aanval op Tjakra Negara, werd hij beschouwd als de man die als eerste de poeri van de radja was binnengedrongen. Historici hebben dit later voor zoete koek aangenomen.
Fraai is dit gedrag van Colijn niet, maar je kunt je erger dingen voorstellen. Zoals datgene wat binnen de vesting van de radja gebeurde. De met lansen en antieke voorladers gewapende Balinezen waren geen partij voor de Ambonese soldaten onder leiding van Nederlandse officieren. Colijn beschreef in een brief aan zijn vrouw het ongelijke gevecht waaraan hij met zijn peloton deelnam. Een vrouw met een kind op de arm viel de Nederlandse troepen aan. Beiden werden gedood. Colijn: 'We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. ’t Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen.’
In een brief aan zijn ouders, een maand later geschreven, heeft hij het verhaal wat afgezwakt, en gaf hij geen bevel tot deze moordpartij maar bood hij zijn manschappen slechts de gelegenheid ertoe, door demonstratief een sigaar te gaan roken.
WAS COLIJN een oorlogsmisdadiger? Gemeten met de maatstaven die we thans hanteren, moet deze vraag bevestigend beantwoord worden. Toen werd dit soort optreden, als het tenminste ging om niet-Europese volken, gezien als betrekkelijk normaal. Hoewel Langeveld oog heeft voor deze context, blijkt uit zijn doorgaans vrij nuchter en vaak zelfs gortdroog vertelde verhaal dat hij vrij verontwaardigd is over de wreedheid en leugenachtigheid van Colijn. Niet minder is trouwens zijn verontwaardiging over het feit dat Puchinger, die deze brieven ook onder ogen heeft gehad, nooit melding heeft gemaakt van deze gruwelen. Verzuilde geschiedschrijving is één ding, geschiedvervalsing is toch wel wat anders.
Na de 'heldendaden’ op Lombok, waarvoor hij de Militaire Willemsorde ontving, heeft Colijn nog jaren gediend op Atjeh, waar dit soort expedities routine waren. Terwijl Van Heutsz, wiens rechterhand hij spoedig zou worden, op zeker moment van mening was dat er minder geplunderd en gebrandschat moest worden, was Colijn voorstander van de tactiek van de verschroeide aarde. Toen in 1902 een andere officier, J.J.B. Fanoy, geschokt was over het beestachtige optreden van het leger en op eigen houtje een onderzoek instelde, schreef hij 'dat niemand Colijns beweerd Christelijk geloof in overeenstemming kon brengen met zijn daden. Hij wordt als een der ergste Atjehers-afmakers genoemd.’
De beschuldigingen die Fanoy later tegen hem zou uiten, werden door Colijn nauwelijks ontkend. In een guerrillaoorlog was er geen alternatief. Met christelijke ethiek had dat volgens Colijn niets te maken. Het calvinistische leerstuk van de predestinatie mag dan bij sommige mensen leiden tot passiviteit en zelfs fatalisme, Colijn had daar geen last van. Integendeel, als alles door God is voorbeschikt, dan hoef je je toch nergens meer druk om te maken. Het was Gods wil dat Nederland regeerde over Indonesië, en in zijn Goddelijk plan was blijkbaar ook voorzien in het afslachten van vrouwen, kinderen en gewonden, het afbeulen van dwangarbeiders, het platbranden van dorpen en dergelijke.
LANGEVELD kenschetst Colijns geloof als 'tamelijk mechanistisch’. Na zijn 'bekering’ in 1893 werd hij nooit meer geplaagd door religieuze twijfels. Door andere twijfels trouwens ook niet. Colijns karakter werd, behalve door een ongelooflijke hardheid, ook gekenmerkt door een ongeremd zelfbewustzijn, dat volgens Langeveld regelmatig overging in zelfoverschatting.
Colijns carrière verliep zeer voorspoedig, hij kreeg functies met steeds meer verantwoordelijkheid. In 1909 ging hij terug naar Nederland om kamerlid te worden. Al snel was hij minister van Oorlog. Daarna vroeg Deterding hem directeur te worden van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, de grootste werkmaatschappij van de Koninklijke/Shell. In diezelfde jaren wees de voorman van de Anti-Revolutionaire Partij, Abraham Kuyper, hem aan als zijn opvolger, en nadat Colijn in 1922 was teruggekeerd naar de politiek werd hij zeer snel minister van Financiën en daarna zelfs, zij het kortstondig, minister-president.
Veel mensen die voor dit soort functies worden gevraagd, worden overvallen door twijfels. Colijns biograaf heeft hiervan zelfs niet het geringste spoor gevonden. Colijn twijfelde geen moment. Hij kon het. Sterker nog, alles wijst erop dat hij van mening was dat hij het beter kon dan wie dan ook. Dit zelfvertrouwen sloeg nogal eens om in potsierlijke zelfoverschatting, bijvoorbeeld toen hij in 1918 uitgenodigd werd om te komen praten met topfiguren van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Zelf was hij ervan overtuigd dat men in hem de ideale figuur zag om te bemiddelen met Duitsland, terwijl de Britten hem alleen gebruikten in een propagandacampagne.
COLIJN MOCHT dan door Deterding zijn binnengehaald als een soort wonderkind, zijn directeurschap bij Shell was geen onverdeeld succes. Hij liet zich veel te veel afleiden door bijzaken en kon zich beslist niet meten met Deterding of andere topondernemers. Zijn exorbitante salaris was hij eigenlijk niet waard. Of Colijn zich dit bewust was, mag overigens betwijfeld worden. In ieder geval nam hij vrolijk zijn politieke loopbaan weer op.
Nou ja, vrolijk? Eigenlijk vond hij het parlementaire stelsel een waardeloze uitvinding. Kamerdebatten bestonden volgens hem voornamelijk uit 'hopeloos gewauwel’, waarbij eindeloos geredekaveld werd over 'hoe groot de middellijn van het gat in een wc moet zijn’. Het enige wat een beetje telde, was het ministerschap, hoewel hij daar ook niet bijster enthousiast over was: 'Het is altijd een groote opoffering om een mooie carrière te breken voor een ambt waarbij men zich, voor een zeer karig loon nog wel, moet laten uitschelden door Jan en Alleman, zonder dat men af en toe eens met een karwats kan antwoorden.’ Zijn minachting voor de politiek bleek ook uit de onbeschaamde wijze waarop hij zijn politieke contacten en bevoegdheden gebruikte ten gunste van zichzelf.
Opportunisme, meedogenloosheid, tomeloze ambitie, zelfoverschatting, antidemocratische opvattingen - Langeveld wordt er in zijn epiloog niet vrolijker op. Bovendien geeft hij al min of meer aan dat ons in het volgende deel, dat de periode 1933-1944 zal behandelen, nog meer te wachten staat. In zijn oratie weet Jan de Bruijn het negatieve beeld van Colijn vooral aan 'een eigenschap, die ons van vader op zoon en van moeder op dochter is doorgegeven, een eigenschap die ons de eeuwen door eigen was en eigen zal blijven, zolang de aarde om haar as draait: het onveranderlijke, onverbeterlijke en onhistorische moralisme, waarmee wij onszelf en anderen blijven kwellen.’
Moralisme of niet, wie dit eerste deel van de Colijn-biografie gelezen heeft, kan toch moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat Colijn gewoon een nare man is geweest.