Maar haar grootste rol was die van plaatsvervangende moeder toen haar dochter van vijftien zwanger bleek. Dat zogenaamde nakomertje is een albino met vlashaar die op het eind nog altijd niet praat, in een kast leeft, overgevoelig is voor licht, met een fabelachtig vermogen tot imitatie van geluiden, waardoor ze al als driejarige zonder enige oefening elke melodie op de piano kon naspelen. ‘Wie houdt wie eigenlijk voor de gek?’ zegt Doris tegen het inmiddels zeventienjarige wezen. De lezer zit dan al een paar honderd pagina’s met die vraag, maar een echt antwoord komt niet.
Als Gordon, het gezinshoofd, doorkrijgt dat zijn dochter indertijd bezwangerd is door de rosharige reus die enkele uren daarvoor de homoseksuele relatie met hem had afgebroken, krijgt hij een hartverzakking. Pas later hoort hij dat zijn vrouw het met andere vrouwen deed. Dat de tweede dochter een dienstregeling nodig had om haar minnaars uit elkaar te houden, wist geen van de anderen; terwijl zij op haar beurt niet wist dat haar jongste zusje, met wie ze telepathisch contact had - ze dachten en droomden hetzelfde - eigenlijk haar nicht was. Op het einde - het is de tijd van flower power en Nixon - staat het gezin dat van leugens en geheimen aan elkaar hangt, op springen.
e vraagt je toch al af hoe de schrijfster van al deze extravaganties en aberraties nog een roman weet te maken. Zoals het rariteitenkabinet van dit gezin wordt bijeengehouden door Joan, de albino, zo is het ook met de roman: zij is het bindende element in het middelpuntvliedende kwartet van halvegaren. Van de geluidsbanden die Joan bewaarde, dacht iedereen steeds dat ze piano-opnamen bevatten. Op het eind blijkt het meisje alle gesprekken met huisgenoten te hebben genoteerd en daarvan een muzikale collage te hebben gemaakt op de wijs van vaders lievelingslied, ‘Mister Sandman’. In het lied bekent ieder al z'n geheimen, al blijft het de vraag of ze dat letterlijk zo gezegd hebben of dat Joan hun woorden aan elkaar geplakt heeft in een compositie van haar ideeën over het viertal. Opmerkelijk is dat het boek ondanks alle rariteiten vrij geloofwaardig is, dankzij het geheimzinnige wezen, maar ook doordat Barbara Gowdy (1951) met al die burleske ingrediënten de verleiding van de hilarische overdrijving heeft weten te weerstaan.