In Memoriam Amos Oz (1939-2018)

Een consequente grensganger

Amos Oz weigerde het ene te kiezen met uitsluiting van het andere. De tegenstander was niet de Palestijn of de jood, maar de fanaticus. Zijn hele werk, het literaire en het politieke, is van die overtuiging doortrokken.

Amos Oz zocht beschutting in het ‘draagbare vaderland van de literatuur’ © Sipa Press / HH

De Israëlische schrijfster Zeruya Shalev schreef in een necrologie dat zij zich bij het bericht van zijn dood voor de tweede maal verweesd voelde, ditmaal niet van haar biologische maar van haar literaire vader. Amos Oz had haar van jongs af aan op afstand begeleid, moed ingesproken, geïnspireerd, haar ‘de haast demonische kracht van de fantasie’ doen voelen. Shalev gaat nog verder in haar lof: de staat Israël heeft met de dood van Oz zijn ‘helderste morele ster’ verloren, iemand die met pijn in het hart begrip had voor beide, elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende partijen en beide opriep tot toegeeflijkheid.

Want helderheid was voor Oz niet hetzelfde als onvoorwaardelijke trouw aan de leer of het eigen volk. Integendeel: al heel jong wist hij, eerst intuïtief, later ook intellectueel, dat zulke noties noodlottige implicaties hebben. Wat met een eufemisme het Israëlisch-Palestijnse conflict wordt genoemd is geen kwestie van goed tegen kwaad, evenmin gaat het in deze schijnbaar uitzichtloze, bittere strijd primair om een etnische tegenstelling, een tribale oorlog van joden tegen Arabieren, al heeft het daar vaak de schijn van.

Oz weet wel beter: beide bevolkingsgroepen zijn buiten hun schuld, als gevolg van een eeuwenoude geschiedenis van kolonialisme, onderdrukking, verdrijving en erger, in een situatie beland waarin ze een grondgebied niet groter dan de helft van Nederland met elkaar moesten delen, een afgedwongen co-existentie die alleen min of meer goed had kunnen verlopen als beide partijen behalve van hun eigen rechten ook overtuigd zouden zijn geweest van de rechten van de ander. En dat was, zo bleek al gauw, te veel gevraagd.

Oz was een consequente grensganger. Hij weigerde het ene te kiezen met uitsluiting van het andere, en voelde zich alleen thuis in ‘een sfeer van ambivalentie’. De tegenstander was niet de Palestijn of de jood, de tegenstander was de fanaticus. Zijn hele werk, het literaire en het politieke, is van die overtuiging doortrokken, het meest expliciet in een reeks lezingen uit het begin van deze eeuw die zijn gebundeld onder de titel Hoe genees je een fanaticus, recentelijk geactualiseerd als Beste fanatici. In feite is de scheiding tussen literaire en politieke geschriften bij Oz trouwens kunstmatig, beide werelden gaan, steeds met andere accenten, in elkaar op. Oz noemt al zijn werk autobiografisch. De mensen in zijn omgeving hebben altijd model gestaan voor zijn personages, soms onder eigen naam, soms incognito en vervreemd; ook zijn het altijd zijn eigen twijfels, problemen en verlangens waar hij een literaire vorm voor zocht. Zijn mindere boeken, durf ik daar wel aan toe te voegen, zijn uitgerekend de meest fictieve, zoals de late roman Judas, die onbegrijpelijke stilistische en compositorische zwakheden vertoont.

Het belangrijkste boek van Oz, daarover bestaat geen twijfel, is Een verhaal van liefde en duisternis, afgerond in 2001, maar pas vier jaar later in Israël en vijf jaar later – in de voortreffelijke vertaling van Hilda Pach – in het Nederlands verschenen. Het omvangrijke boek is een mijlpaal, een summa ook van zijn eerdere werk; in de lopende tekst en in voetnoten verwijst hij er herhaaldelijk naar. Ik heb het zojuist herlezen en ben, meer nog dan indertijd, onder de indruk van de in elke regel voelbare authenticiteit, van het verlangen naar een veelzijdige, uitputtende, vaak inderdaad ambivalente eerlijkheid.

Zoals de meeste boeken van het hoogste niveau kan Een verhaal van liefde en duisternis niet tot een eenduidig genre worden gerekend. Het is een roman, vooruit, maar ook een familiegeschiedenis, een geschiedenis van het Midden-Europese jodendom, een minutieuze karakterisering van Jeruzalem in de onzekere, tumultueuze en dramatische jaren kort voor en kort na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948, daarnaast bevat het boek een galerij haarscherpe portretten van joodse intellectuelen en politici uit die tijd, zoals van Menachim Begin en David Ben Goerion, die de jonge Amos van zeer nabij en op een ontluisterende manier heeft leren kennen. Maar bovenal laat Oz zijn kindertijd herleven, de jaren waarin hij als gevoelig, dromerig, fantasierijk jongetje de eigenschappen ontwikkelde die bepalend zouden worden voor zijn schrijverschap: zijn waarnemingsvermogen, zijn geheugen, zijn zelfdiscipline, zijn lees- en schrijfverslaving.

Het Israëlische fanatisme is in al zijn verschijningsvormen ‘bijna in zijn geheel meegekomen met de joden uit Europa’

De boekengekte had hij niet van een vreemde. Oz is een telg van de joodse intelligentsia die – van Heinrich Heine tot George Steiner – bij gebrek aan een geografisch afgebakend vaderland beschutting zocht in het ‘draagbare vaderland van de literatuur’. Bij welke oom of grootvader Amos ook over de vloer kwam, altijd moest hij zich een weg banen in een labyrint van boeken. Zijn vader sprak zestien of zeventien talen, zijn moeder vier of vijf en las er zeven of acht. Maar hun intellectuele niveau was in het nationalistische, antisemitische Midden-Europa allesbehalve een garantie voor maatschappelijk succes. Zijn vader kwam uit Odessa en Wilna, zijn moeder uit het Poolse Rovno, de jodenhaat dreef hen in de vroege jaren dertig naar Palestina, waar ze genoegen moesten nemen met een leven ver beneden hun mogelijkheden.

Dat moest tot nieuwe teleurstellingen leiden, die voor de moeder uiteindelijk te zwaar bleken. Oz beschrijft haar als een betoverend mooie, maar ook in zichzelf gekeerde vrouw, ‘een begaafde lezeres van wie elke schrijver droomt in de eenzaamheid van zijn schrijftafel’. Maar zij lijdt aan ongeneeslijke depressies, die haar uiteindelijk, 36 jaar jong, tot zelfmoord brengen. Met zijn vader, een geleerde maar vooral ook betweterige en in flauwe grappen wegvluchtende man, heeft de schrijver nooit over de dood van zijn moeder kunnen praten, later, met zijn vrouw en kinderen evenmin, maar nu, in Een verhaal van liefde en duisternis, haalt hij de schade in, in grofweg de laatste honderdvijftig bladzijden volgt hij haar fatale lijdensweg tot in alle onbegrijpelijke, smartelijke details.

Dit boek zou verplichte literatuur moeten zijn voor iedereen die zich een mening aanmatigt over het Israëlisch-Palestijnse conflict; ter completering van het beeld zou het vervolgens goed zijn ook het grote boek van Sari Nusseibeh, Oz’ tien jaar jongere bewonderaar en Palestijnse tegenhanger, te lezen. Nusseibeh is afkomstig uit een meer dan duizend jaar oude, zeer welgestelde en verlichte bestuurdersfamilie, hij is onder veel meer president van de Al-Quds Universiteit, de enige Arabische universiteit in Jeruzalem. Zijn Once Upon a Country (2008), dat vreemd genoeg nooit in het Nederlands werd vertaald, maakt onmiddellijk duidelijk dat het een parallelboek van het meesterwerk van Oz wil zijn: op beide omslagen staan zachte zwart-witfoto’s van de auteurs als aandoenlijke tien- of elfjarige jongetjes ergens op een onbestemde plek, de blik gericht op de fotograaf.

Het huis van de Nusseibehs stond op vijftig meter afstand van het huis van Oz, aan de andere kant van de door de Jordaniërs opgetrokken muur die de joden van de Arabieren scheidde, vanuit zijn slaapkamerraam keek de jonge Sari daar overheen. Terugblikkend fantaseert hij over Amos Oz, die daar als jongen ‘op de vloer van de kleine, donkere woning van zijn ouders zat en gecompliceerde militaire strategieën verzon ter verdediging van het joodse volk’, ‘maar hij wist niets van de oeroude, met kinderkopjes geplaveide steegjes van de Oude stad’ en ook had hij geen vermoeden van het onrecht dat Sari’s moeder was aangedaan ‘door dezelfde zionistische beweging waar Amos zijn leven aan te danken had. Arabieren kwamen in zijn geschiedenis nauwelijks voor, de wereld van mijn kindertijd was hem volkomen onbekend.’

Maar dat verandert gauw na de dood van zijn moeder. Op zijn veertiende besluit Amos het verstikkende milieu van het kelderleven met al die boeken, maar ook van de gefnuikte ambities, van ‘alle onderdrukte en gecensureerde verlangens naar Rovno en Wilna’, achter zich te laten. Hij vlucht, hij wil af van die benauwende woestijngeneratie van diaspora-joden die je met hun eeuwige eisen en bevelen geen moment vrij laten ademhalen. Hij vertrekt naar de kibboets Choelda in het noorden van het land. Ter bevestiging van zijn voornemen radicaal opnieuw te beginnen doet hij afstand van zijn familienaam Klausner en noemt zich Oz, Hebreeuws voor kracht. Onder die naam schrijft hij op zijn 26ste zijn eerste boek, Mijn Michael.

Maar de kibboets blijkt geen totaal andere wereld, ook de meest doorgewinterde landbouwers lezen ’s avonds boeken waar ze overdag, net als thuis in Jeruzalem, over discussiëren en ruziën. Vooral in Onder vrienden (2013), een van zijn beste verhalenbundels, laat Oz zien dat er van het ideaal van een collectieve nederzetting op semicommunistische grondslag, van het verlangen naar een gezond boerenbestaan met zijn traditionalisme, ascese en natuurverheerlijking, geen spaan heel blijft. De gedroomde idyllische gelijkheidsgemeenschap blijkt een autoritaire stressgemeenschap. Onbuigzame Prinzipienreiterei, openlijke controle en stille dwang beperken de individuele vrijheid tot een voor menigeen onverdraaglijk minimum.

Niettemin zal Oz er tot 1986 blijven, dan voorgoed genezen van de laatste resten radicaal idealisme. Als schrijver en vredesactivist wordt hij de pragmatische grensganger, de welbespraakte verdediger van het compromis, de man die altijd oog heeft voor de andere kant. Dus trekt hij ook op met gelijkgezinde Palestijnse ‘tegenstanders’ als Sari Nusseibeh, die, schrijft deze, in zijn gelukkige schooltijd ‘niet het geringste teken van etnisch of religieus chauvinisme’ heeft waargenomen. Oz wordt, net als het jongetje in zijn verhaal Panter in de kelder, een expert op het gebied van het vergelijkend fanatisme. In Beste fanatici legt hij nog maar eens uit dat het Israëlische fanatisme in al zijn verschijningsvormen ‘bijna in zijn geheel (is) meegekomen met de joden uit Europa (…) en dat de immigranten uit de Oriënt (…) juist een erfenis meebrachten van generatielang gepraktiseerde tolerantie’.

Amos Oz is op 28 december 2018 overleden – tot het laatst bepleitte hij de noodzaak van een tweestatenoplossing, zowel tegen de joodse extremisten als zijn radicaal-linkse vrienden die één gemeenschappelijke staat wilden. ‘Na honderd jaar bloedvergieten, tranen en tragedies kun je onmogelijk van Israëli’s en Palestijnen verwachten dat ze ineens samen in het tweepersoonsbed springen en wittebroodsweken vieren.’ De utopie van de ene staat zou volgens Oz tot zelfvernietiging leiden. Want die staat zal een Arabische staat zijn, ‘van de zee tot aan de Jordaan’, en daarin wilde hij niet leven, aangezien Arabische regeringen in het Midden-Oosten minderheden plegen te onderdrukken en vernederen. Aan het voorkomen van die catastrofe heeft Oz zijn immense levenswerk gewijd.