Een constructief defaitist

Hij was een luis in de pels van de DDR en een luis in de pels van het herenigde Duitsland. Heiner Muller, hardvochtig chroniqueur van het bloedbad dat geschiedenis heet. Met zijn dood komt een einde aan een tijdvak.
EPPENDORF, SAKSEN, 9 januari 1929 - Heiner Muller wordt geboren als zoon van een ambtenaar en een textielarbeidster. Als hij vier is, wordt zijn vader, overtuigd sociaal-democraat, opgehaald door ‘vreemden, met bruine uniformen aan’. Samen met moeder bezoekt Muller zijn vader in het kamp, een schrijnende scene achter ondoordringbaar gaas (beschreven in zijn korte verhaal Der Vater). Na de oorlog krijgt vader Muller opnieuw problemen, nu met de Russen. In 1951 vlucht het gezin naar het Westen, zonder Heiner. Die ziet zijn vader nog een keer terug, achter het glas van een isoleerafdeling in een ziekenhuis in West-Berlijn. Hij heeft zijn hardnekkige in-de-communistische-heilsstaat-blijven in interviews altijd uitgelegd als een vadermoord.

In de jaren vijftig wordt Muller journalist en medewerker van de schrijversbond van de DDR. De titels van zijn eerste toneelstukken klinken volgens sommige observatoren als ‘strafwerk’. 'Voor deze stukken (Der Bau, Die Umsiedlerin, Der Lohndrucker, Zement) bestaat anno 1995/96 alleen nog maar belangstelling bij onderzoekers naar de leef- en denkwereld van de voormalige DDR’, aldus Benjamin Henrichs in Die Zeit van 5 januari 1996. 'Geen mens of theater zal er meer naar grijpen. Die teksten zijn as, waarop niks meer groeit.’
Is de toon van toneeldichter Muller aanvankelijk vol hoop over een nieuwe maatschappelijke orde, in latere stukken klinkt de twijfel door. Die Umsiedlerin (1961) wordt verboden, Muller wordt uit de DDR-schrijversbond gezet. In de loop van de jaren zestig wordt hij telkens opnieuw aangevallen. De DDR verlaat hij echter niet. In 1966 pleegt zijn vrouw Inge zelfmoord. Muller schrijft over haar dood de prozatekst Overlijdensbericht. Alleen het eerste deel handelt over Inge’s zelfmoord. Daarna gaat het over de oorlog: een jonge soldaat klampt zich aan Muller vast, hij doodt hem (fictief) drie keer. De tekst laat zich lezen als een metafysische nachtmerrie: 'In mijn droom heeft hij geen plaats meer, sinds ik hem heb gedood.’
DE DRUK VAN HET staatssocialisme radicaliseert Mullers denken. Invloeden beperken zich niet meer tot de Attische klassieken, Shakespeare en Brecht; hij raakt in de ban van Antonin Artaud, de Franse surrealist en theoreticus van het 'theater van de wreedheid’. Hij deconstrueert zijn vroegere teksten en monteert ze als fragmenten in nieuw werk. Zijn obsessie wordt de geschiedenis als permanent bloedbad. De revolutie verslindt haar eigen kinderen - dat is bij hem geen cliche meer, maar een naakte, haast mechanische realiteit. Waar Brecht stelde: 'Verander de wereld, ze verdient het’, postuleert Muller: 'De mens is niet te veranderen, laat het zo.’ Een favoriet citaat is voor Heiner Muller een uitspraak van Ilja Ehrenburg: 'Als het communisme heeft overwonnen en alle economische problemen zijn opgelost, begint de tragedie van de mens. De tragedie van zijn sterfelijkheid.’
Het menselijk tekort en de sterfelijkheid worden door Muller herontdekt. Hamlet en Ophelia zijn geen personages meer, maar raderen in 'eine unendliche Geschichte’. Hamletmachine (1977) wordt een van Mullers verschrikkelijkste en meest onvermijdelijke theaterteksten. 'Ik ben Hamlet niet. Ik speel geen rol meer. Mijn woorden hebben mij niets meer te vertellen. Mijn gedachten zuigen het bloed uit de beelden. Mijn drama zal niet meer plaatsvinden. (…) Ik ben Ophelia. Die de rivier niet bij zich hield. De vrouw aan de strop. De vrouw met de doorgesneden polsen. De vrouw met de overdosis OP DE LIPPEN SNEEUW de vrouw met het hoofd in het gasfornuis. Gisteren ben ik opgehouden met zelfmoord plegen.’
In Der Auftrag, over een mislukte opstand in het Caribisch gebied, geschreven tien jaar voor de val van de Muur, staat Mullers meest indringende toneelmonoloog: alleenspraak van een eenzaam individu in een lift. 'Ik sta tussen mannen die ik niet ken, in een oude lift en terwijl hij omhoog gaat, klapperen metalen stangen. Ik ben gekleed als een kantoorbediende of als een arbeider op zijn vrije dag. Ik heb zelfs een stropdas omgeknoopt, de kraag schuurt langs mijn hals, ik zweet. Ik heb een afspraak met de chef (in gedachten noem ik hem nummer Een), zijn kantoor is op de vierde etage of was het de twintigste, amper denk ik erover na en ik weet het al niet meer zeker.’ Inspiratiebron voor deze monoloog was Mullers afspraak met DDR-chef Honecker in het Palast der Republik, Oost-Berlijn, jaren zeventig.
Voor de DDR is hij in de jaren tachtig nog steeds een lastpak, maar ook een onvermijdelijke luis in de pels. Zijn toneelstukken worden vooral in het Westen opgevoerd, vaak onder uitgeweken Ossi-regisseurs, of in de regie van de auteur, een nu permanente Umsiedler: het verbod uit 1961 is tot lauwerkrans geworden. Muller krijgt een jaar voor de val van de Muur zelfs de DDR-Staatsprijs voor de literatuur. Na november 1989 schrijft hij nauwelijks toneel meer, laat alleen nog zijn memoires optekenen, Krieg ohne Schlacht - Leben in zwei Diktaturen. Tijdens de turbulente gebeurtenissen van dat najaar regisseert hij een geruchtmakende voorstelling van Shakespeare’s Hamlet in combinatie met zijn Hamletmaschine. Muller is op zijn zestigste zijn eigen monument geworden.
In 1992 neemt hij Brechts toneelgezelschap, het Berliner Ensemble, over, samen met vier oude heren, die de een na de ander in Muller hun meerdere moeten erkennen. Als laatste verlaat de prominentste theaterautoriteit van de Wessis, Peter Zadek, het gezelschap. De dood zit Muller dan al op de hielen. Hij trouwt een jonge vrouw en krijgt een kind.
Zijn enscenering van Brechts De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui wordt in juni 1995 een voltreffer. Hij schrijft een nieuw stuk, over Stalin en Hitler, volgens Muller twee burgermannetjes die te klein waren voor de Grote Geschiedenis waarin ze verdwaald raakten. Van Wolfgang Wagner (Muller regisseerde in 1994 in Bayreuth Tristan und Isolde) hoorde hij de anekdote dat Hitler in 1939, op bezoek in huize Wagner, een Reichsmark opgooide om te zien of hij de oorlog zou beginnen of niet. Muller: 'Hitler war ein Spieler’. Boven zijn werktafel hangt een uitspraak van Stalin: 'Ik ben de ongelukkigste mens van de wereld! Ik ben bang voor mijn eigen schaduw.’ Muller: 'Stalin is natuurlijk een Shakespeare-personage.’ Het werk aan het Stalin-Hitler-stuk (werktitel Germania 3 Gespenster Am Toten Mann) vordert traag. Muller in Der Spiegel van 20 maart 1995): 'Toen de DDR nog bestond, lukte me het me niet om ze met elkaar te laten praten. Ik kon Stalin niet aan de praat krijgen. Hij bleef een stom personage. In de afgelopen maanden begon hij plotseling te spreken.’ De premiere van wat Mullers laatste theatertekst is geworden, stond gepland voor maart 1996. Regie: Heiner Muller.
FLARDEN UIT een jaarwisseling die snel geschiedenis zal zijn.
29 december 1995. Die Zeit heeft een interview met regisseur Einar Schleef. Morgen gaat zijn versie van Brechts Herr Puntila und sein Knecht Matti in het Berliner Ensemble in premiere. Iedereen kijkt ernaar uit. Sinds Schleef in 1993 in ditzelfde huis van Rolf Hochhuths tekst Wessis in Weimar een Pruisisch schreeuw- en laarzenoratorium maakte, heeft hij het schandaal aan zijn kont hangen. Zolang Peter Zadek deel uitmaakte van het directorium in dit Brecht-mausoleum, was Schleef er persona non grata. Maar Muller heerst nu alleen in het Berliner Ensemble en hij haalde Sprachkunstler Schleef terug.
Het gezelschap kan een publiekssucces trouwens goed gebruiken. De door Muller voorgeschreven agenda van het Ensemble marcheert nog niet echt goed. Mullers enscenering van de Hitler-pastiche De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui was de enige voorstelling waarvoor het publiek weer massaal naar de Bertolt-Brecht-Platz stroomde. In het gesprek tussen Schleef en Die Zeit wordt opvallend veel gesproken over Mullers ziekbed. Schleef solliciteert in het interview op bijna genante manier naar het intendantschap van het Berliner Ensemble.
30 december 1995. In de vroege avond een vriend uit Berlijn aan de telefoon: Heiner Muller is vanmiddag gestorven. Doodsoorzaak: complicaties na een longontsteking. Mullers lijf was door een tweede aanval van de slokdarmkanker waaraan hij in 1994 was geopereerd, vrijwel volledig gesloopt. Muller overleed in hetzelfde ziekenhuis als waar veertig jaar geleden Brecht stierf. Vanavond geen Puntila maar Mullers laatste enscenering, Arturo Ui, in het Berliner Ensemble, vertelt mijn vriend.
’s Avonds de televisie in de gaten gehouden. Nederland kent Heiner Muller niet, Belgie een beetje, Engeland weet van niks, CNN is vanouds blind voor cultuur. De Duitse televisie is opvallend mager in de berichtgeving. Ik graaf door recente stapels Muller en vind een van zijn laatste teksten, geschreven in het aangezicht van de dood: 'Im Spiegel mein zerschnittener Korper./ In der Mitte geteilt von der Operation, die mein Leben gerettet hat./ Wozu?/ Fur mein Kind, eine Frau, ein Spatwerk?/ Leben lernen mit der halben Maschine./ Atmen, essen, verboten die Frage: wozu/ die zu leicht von den Lippen geht./ Der Tod ist das Einfache./ Sterben kann ein Idiot.’
31 december 1995. Berlijnse vriend aan de telefoon, heftig verontwaardigd. Rolf Hochhuth, die de zeggenschap over het Berliner Ensemble wil verkrijgen, heeft nu al een bod gedaan op de aandelen die Muller in het Berliner Ensemble had. Iedereen spreekt er schande van. Ik vraag naar de vorige avond in het BE: bomvolle zaal, video’s met Muller-interviews in alle foyers, mensen van in de zestig leggen in de wandelgangen aan twintigers uit hoe vergelijkbaar de sfeer in toneelminnend Berlijn was in de dagen na de dood van Brecht in augustus 1956: verdriet, verslagenheid. De acteurs van het Berliner Ensemble willen vanaf 2 januari 1996 een marathonlezing van Muller-teksten houden, die gaat duren tot de negende januari, de datum waarop Muller 67 zou zijn geworden. De eerste tekst die wordt gelezen gaat over zijn stervende grootvader, Bericht vam Grossvater uit 1950. En die eindigt zo: 'Ik ben altijd een goede arbeider geweest, zei hij toen vaak, dan moet ik nu toch goed af zijn in de arbeidersstaat. Hij begreep niet dat je geduld moet hebben om de gevolgen van geduld weg te werken. Te velen hadden te veel te lang geduld. Ik zie hem nog voor me met zijn gerimpelde kindergezichtje, volmaakt tevreden en later, toen het op zijn eind liep, verstarrend in de korzelige grimas van een afgeschminkte komediant, hij, mijn grootvader, arbeider uit Saksen, gestorven in 1946, vijfenzeventig jaar oud, ongeduldig, ten gevolge van geduld.’
De eerste januari van 1996. Op weg naar het Centraal Station stikt het van de bedelaars. In de trein blader ik in een boekje dat vol staat met Mullers voornaamste recente wapenfeiten: interviews. Hij is sinds de Wende werkelijk blind geinterviewd. De gesprekken zijn zonder uitzondering ware kunstwerken. Ik vind een anekdote over bedelaars. Zou hij een bedelaar iets geven? Muller: 'Nee. Ik neem hem mee naar het cafe. Ik steek een extra dikke sigaar aan. Ik bestel voor mijzelf een dure whisky. En ik leg hem uit hoe goed het de rijke mensen vergaat. Dat zal zijn woede opwekken.’ Een ware Brecht-scene.
Op de Duitse teletekst veel reacties op de dood van Muller. En in de Frankfurter Allgemeine Zeitung eert SPD-leider Lafontaine Mullers bijdrage aan de Duitse eenwording. Muller zou hier homerisch om gelachen hebben. Mijn Berlijnse vriend meldt dat vroeg in de eerste ochtend van 1996 een band in een kroeg in Kreuzberg een regel aan een lied heeft toegevoegd: 'Und denkt jetzt nicht an Heiner Muller.’
2 januari 1996. De grootste krant van Nederland kent Heiner Muller niet. De Volkskrant heeft ene W. Hansen op het onderwerp losgelaten, wat een stuk vol fouten en omissies oplevert. De NRC meldt dat Muller de afgelopen tijd vooral in het nieuws kwam omdat hij jaren voor de Stasi gewerkt had. Jaren? Drie dinerrekeningen en een systeemkaartje met daarop 'Inoffizielle Mitarbeiter Heiner’. En nog altijd geen bewijs dat Muller land- of lotgenoten aan de Stasi zou hebben verraden.
De Duitse kranten puilen uit van Heiner Muller. Maar de mooiste kop is van Colette Godard in Le Monde: Dichter over de scheuren in onze eeuw. De Anglo-Amerikaanse kranten zwijgen massaal - Muller werd in Engeland en Amerika nauwelijks gespeeld. Uitzondering: The Independent, die Mullers dood vernoemt naar de titel van het laatste televisieportret dat van hem is gemaakt: Apokalypse mit Zigarre. De Duitse televisie herhaalt vanavond deze prachtige film van Michael Kluth.
VEEL IN MEMORIAM-schrijvers herinneren zich hem graag als de kroniekschrijver van de communistische revolutie. Maar dat is hij nooit geweest. Muller is van meet af aan de hardvochtige chroniqueur van het onontkoombare bloedbad dat geschiedenis heet. Janine Brogt in haar inleiding bij de bundel Het eiland van het grote bloedbad: 'Elke revolutie vraagt onmenselijke offers van haar revolutionairen, waardoor het doel van die revolutie - een betere wereld - bij voorbaat onmogelijk is geworden. Het is het mechanisme waardoor marxisme degenereert tot stalinisme. Het is een bloedige kringloop waarin alleen het rucksichtslos onder ogen zien van de feiten enige hoop biedt: een “constructief defaitisme”, zoals Muller het noemt.’
Dat rucksichtslos onder ogen zien van de feiten en daaruit enige hoop putten, dat is wat me in het werk van Heiner Muller aantrok. In het programmaboek van De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui liet hij in juni 1995 over Hitler optekenen: 'De Geallieerden wisten vrijwel alles over de concentratiekampen, maar ze lichtten hun bevolkingen niet in. Ze hoopten dat Hitler de Sovjetunie zou vernietigen. Hitler was een Duitse herdershond, die iedereen aan een zeer lange lijn heeft laten hollen, zodat hij het communisme zou doodbijten. Toen de hond wild werd, moest-ie dood.’
Hadden de herdershonden van de DDR hem liever naar het Westen zien verdwijnen? Der Spiegel vroeg het hem in maart 1995. Muller: 'Mijn collega Christa Wolf heeft me eens verteld dat ze tegen een functionaris van het Centraal Comite van de SED heeft gezegd: “Als jullie Muller ook verdrijven, weet ik niet meer waar dit hier allemaal nog toe dient.” De functionaris antwoordde: “Die Muller stoort ons niet. Wat die man schrijft begrijpt niemand.” ’ De schrijver vond het een goede grap. Hij verborg zich graag achter die grappen. En ze werden slecht begrepen.
In een tamelijk boosaardig stukje van Pieter Kottman in de NRC van 5 januari 1996 wordt dat onbegrip geetaleerd: 'Toen Muller na de ineenstorting van het Oostblok gevraagd werd of de wereld niet helderder geworden was antwoordde hij: “Ja, dat kan zijn, misschien zelfs te helder. Maar dat is geen probleem, je kunt het bij het schrijven weer onhelder maken.” Dat vond ik - ook als het ironisch bedoeld was - een heel raar antwoord voor een schrijver. (…) Een schrijver die eropuit is onhelder te maken wat helder is, lijkt me een charlatan, ongeacht de lijken die nog uit de Stasi-kasten kunnen komen vallen. Ik durf te voorspellen dat Mullers werk, anders dan gebruikelijk na de dood van een schrijver, nauwelijks nog uitgevoerd gaat worden.’
Ik breng de eerste dagen van het nieuwe jaar door met het lezen van de teksten en interviews die Heiner Muller in de afgelopen tien jaar liet verzamelen onder de titel Gesammelte Irrtumer 1 (1986), 2 (1990) en 3 (1994). De titel is ontleend aan een citaat van Bertolt Brecht: 'Waaraan werkt U op het moment, werd aan de Heer K. gevraagd. Heer K. antwoordde: Het kost me nogal wat moeite, maar ik bereid mijn volgende vergissing voor.’
Mijn vriend uit Berlijn belt met de opzienbarende mededeling dat Heiner Muller pas op 16 januari wordt begraven, op het kleine kerkhof, waar ook Brecht ligt. Zodat zoveel mogelijk vrienden erbij kunnen zijn. Waaronder vast ook die chirurg uit Munchen. Der Spiegel: 'Heeft de operatie aan slokdarmkanker u veranderd?’ Muller: 'Nee. Maar ik heb een hoop mensen leren kennen die ik anders nooit had ontmoet. Bijvoorbeeld mijn chirurg in het ziekenhuis in Munchen. Voor de operatie vertelde hij me dat er zoveel vragen naar mijn gezondheidstoestand waren, dat er een persbericht moest worden uitgebracht. Zet daar maar in dat ik altijd graag in Munchen gegeten heb, zei ik. En hij voegde er een uitspraak aan toe die ik zelf had willen verzinnen: Zo graag, dat ik nu mijn slokdarm in Munchen achterlaat.’