Een conventionele president

President Obama presenteerde zich als de anti-Bush, maar zijn buitenlands beleid lijkt ongemakkelijk veel op dat van zijn voorganger. Twee van ‘s werelds bekendste analisten van internationale politiek over Obama’s beleid tot nu. 'Over negentig procent van de buitenlandse agenda bestaat overeenstemming tussen de Republikeinen en Democraten.’

Het is een terugkerend ritueel in de Amerikaanse presidentsverkiezingen: Republikein maakt Democraat uit voor watje waar de wereld om zal lachen. Maar komende herfst zal dat voor de verandering anders zijn. President Obama kan voor zijn herverkiezing leunen op buitenlandse successen die zijn voorganger George Bush jarenlang vruchteloos najoeg. Bin Laden? Die werd onder Obama gevonden en gedood. Irak? Daar kon Obama halverwege zijn ambtstermijn al weg. Ook andere trofeeën zouden Republikeinen liever aan de gordel van George Bush hebben zien hangen, zoals de scalp van Muammar Kadhafi. Democraten moesten juist vaak slikken toen zij de man in actie zagen die zich voor zijn verkiezing als anti-Bush had gepresenteerd. Het gevangenenkamp Guantánamo? Dat bleef open, tot nader order. Vervolgen van marteling tijdens de _war on terror? _Niet onder Obama.

Hoe erg Obama ook wordt gehaat door Republikeinen, op het gebied van buitenlands beleid krijgt hij even vaak hun handen op elkaar als in zijn eigen partij. En dat is niet alleen vanwege de resultaten die hij oogst. In de drie jaar dat Obama in het Witte Huis zetelde, leek de buitenlandse politiek van de VS vaak veel meer op _business as usual _dan op een radicaal nieuwe koers. En niet alleen voor het oog van de leek: ook twee van de meest gerenommeerde analisten op het gebied van internationale politiek zien veel oude wijn in nieuwe zakken.

De eerste, Joseph Nye, is al bijna een halve eeuw een invloedrijke naam in de politicologie. Hij is hoogleraar aan Harvard, zit een trits Amerikaanse buitenlandcommissies voor, was onderminister in de regering-Clinton en schreef een aantal invloedrijke politicologische werken. Zijn concept soft power, waarmee Nye de internationale invloed aanduidde die een land kan bereiken via zijn ideeën, idealen en principes, is inmiddels een wereldwijd ingeburgerd begrip. ‘Het beleid van Obama en Bush lijkt identiek’, zegt hij in een telefonisch interview. 'Maar dat komt vooral vanwege de situatie die Obama erfde van George Bush: een nationale en internationale economische recessie, de nucleaire gevaren van Iran en Noord-Korea en twee oorlogen in het Midden-Oosten. Obama kon niet van de ene op de andere dag een van deze onderwerpen laten vallen.’

Maar de gelijkenis tussen het beleid van Bush en Obama is schijn, meent Nye. Op het gebied van soft power onderscheidt Obama zich duidelijk van Bush, meent Nye: 'Obama heeft dit bewezen met zijn speeches in Praag, Oslo en Caïro. Hij zoekt, veel duidelijker dan Bush, de dialoog met de rest van wereld. Hij heeft ook veel intensere aandacht voor Azië, een regio die Bush volledig uit het oog verloren leek te zijn.’ Bush vertrouwde, zoals meer Republikeinse presidenten, op hard power: het vergroten van de Amerikaanse militaire macht en het uitoefenen van economische druk. President Clinton gaf soft power de nadruk in zijn buitenlands beleid, maar onder Bush werd na de aanslagen van 9/11 hard power acht jaar lang nadrukkelijk de norm.

De tweede analist is Stephen Walt, net als Nye hoogleraar aan Harvard, een bekend blogger over internationale zaken en vaste medewerker van het blad Foreign Policy. _Walt was onder politicologen al lang een grote naam voordat hij in 2007 bij een breed publiek bekend werd als co-auteur van _The Israel Lobby, een kritische kijk op de relatie tussen de VS en Israël. 'Obama heeft inderdaad een moeilijke situatie geërfd, maar hij had zich de afgelopen jaren duidelijker kunnen distantiëren van Bush op verschillende punten. Verschillen in toon en stijl tussen de twee vallen door niemand te ontkennen, maar er is duidelijk een grote mate van continuïteit in het gevoerde buitenlandse beleid. De sluiting van de militaire basis op Guantánamo Bay laat nog altijd op zich wachten. Obama is niet verder gekomen dan het stoppen van martelpraktijken, een methode van informatiewinning die onder het bewind van zijn voorganger wel toegestaan was, maar een sluiting van de gevangenis op Cubaans grondgebied lijkt even ver weg als in 2008.’ Obama trok weliswaar de Amerikaanse troepen terug uit Irak, maar dat duidt volgens Walt niet op een breuk met Bush’s 'oorlogen tegen terreur’. 'In Afghanistan is juist meer Amerikaanse bemoeienis sinds het aantreden van Obama’, zegt Walt. 'De achterliggende gedachte voor deze keuze ligt in een snellere en vooral succesvolle aftocht uit het land, maar daarvan lijkt weinig terecht te komen.’ De regering-Obama blijft vasthouden aan het voornemen om in 2014 de troepen uit Afghanistan volledig terug te trekken, maar voorlopig zijn er nog steeds meer Amerikaanse troepen in Afghanistan dan bij het vertrek van Bush uit het Witte Huis.

En soft power? In tegenstelling tot Nye ziet Walt geen grote rol weggelegd voor soft power als indicator van buitenlands beleid. 'Uiteindelijk bestaat er over negentig procent van de buitenlandse agenda consensus tussen Democraten en Republikeinen. Beide partijen vinden dat de Verenigde Staten de dominante wereldmacht dienen te blijven. Ze menen dat er voor de VS in het internationale systeem een centrale rol is weggelegd om zich te bemoeien met conflicten van welke aard dan ook.’

Het behoud van suprematie in de wereld is een terugkerend thema in de Amerikaanse discussies rond het buitenlandse beleid. Walts co-auteur van The Israel Lobby John Mearsheimer schetste in Imperial by Design de twee belangrijkste doelstellingen voor dominantie: het behouden van het Amerikaanse primaat in het internationale systeem en het verspreiden van democratie over de wereld. De onderliggende aanname is dat potentiële liberale democratieën vredig en pro-Amerikaans zullen zijn; uiteraard een aantrekkelijk langetermijnperspectief voor de VS.

De VS hebben die utopie te veel dichterbij willen brengen met militaire middelen, meent Joseph Nye. Na andere veldtochten is Afghanistan nu de plek waar de VS hun tanden stukbijten. 'In Afghanistan zouden de Verenigde Staten de afgelopen tien jaar meer op de achtergrond hebben moeten opereren’, stelt hij. 'Al in de jaren vijftig adviseerde president Eisenhower om oorlogen op het vasteland van Azië te vermijden. Dat zou nog steeds een pijler moeten zijn in het buitenlands beleid van de VS. Niet alleen omdat het een moreel principe is, maar ook omdat het een heel praktisch advies is.’

Voor Walt toont de oorlog in Afghanistan aan hoe groot de continuïteit is tussen Obama en Bush in het Midden-Oosten, voor beiden een cruciaal aspect van hun buitenlands beleid. 'De maatschappijen in die regio staan - in tegenstelling tot wat velen in de VS roepen - lijnrecht tegenover militaire interventie van buitenaf, laat staan bezetting. De VS kunnen het wantrouwen in de regio alleen keren door al hun hele grond- en luchtmachtbases op te doeken in het hele Midden-Oosten, ook de bases in Saoedi-Arabië. Obama zou dan van buitenaf een machtsevenwicht kunnen proberen te stimuleren en ervoor zorgen dat de VS alleen in het Midden-Oosten hoeven in te grijpen als de regionale balans in groot gevaar komt.’

Kort gezegd behelst dit voor het Midden-Oosten dat de regio haar problemen intern moet oplossen. Maar er zijn weinig tekenen dat Obama dit werkelijk overweegt. Zijn beleid ten opzichte van Israël verschilt, ondanks de regelmatige wrijvingen, weinig van dat van zijn voorganger. En zonder een omslag op dat punt kan Obama meer sympathie in de regio op zijn buik schrijven. Walt: 'De meeste moslims kunnen de onvoorwaardelijke Amerikaanse steun aan Israel moeilijk verkroppen. Hoewel Obama serieuzer werk maakt van een Palestijns-Israëlische vrede dan Bush ooit heeft gedaan, is zijn regering hierin ook onsuccesvol. Om dezelfde reden als zijn voorgangers: dat er te weinig druk wordt uitgeoefend op de Israëliërs.’

Sommige Amerikaanse presidenten ontpoppen zich pas in hun tweede ambtstermijn op buitenlands gebied. Verlost van de druk om herkozen te worden, kunnen zij zich dan veel meer op hun eigenlijke idealen richten. Maar volgens Walt is bij een herverkiezing van Obama de kans op een koerswisseling niet groot: 'Het grondvest van Obama’s buitenlands beleid is zeer conventioneel. Bovendien zal Obama zich niet meer, maar minder met het Midden-Oosten willen gaan bezighouden. De focus zal nog meer komen te liggen op de opkomende economieën in Azië. De economische strijd met die landen heeft nu eenmaal meer prioriteit voor de Verenigde Staten.’