Oorlog in Rio

‘Een corrupte staat heeft een corrupte politie nodig’

Om het geweld in de sloppenwijken te beteugelen, heeft de Braziliaanse president Temer Rio de Janeiro onder militair bewind geplaatst. De bewoners voelen zich er niet veiliger door. De moord op de politica Marielle Franco belooft weinig goeds.

Medium nyc129193
Rio de Janeiro, drugsdealers in de Cantagalo-favela © David Alan Harvey / Magnum

Met gillende sirenes scheuren we door het stof van de Baixada, de hete vlakte achter Rio de Janeiro waar vier miljoen mensen op elkaar gepakt leven. Het geloei moet vrij baan scheppen voor de twee toegetakelde politieauto’s van hoofdinspecteur Willians Batista. Om ons heen knetterende brommers, walmende eetstalletjes en ezelskarren. Als we aankomen kauwt een man op een broodje. ‘Die ligt daar al sinds vanochtend vroeg’, wijst hij. ‘We hebben er maar niet aan gezeten.’ Tegen een afgebladderde groene muur ligt het lichaam van een man in bermuda. Inspecteur Batista draait hem op zijn rug. Opengesperde dode ogen. Een arm die recht omhoog blijft staan. De lijkschouwer duwt zijn vingers diep in een hoofdwond. Even verderop spelen kinderen voetbal met een prop papier.

‘Waarschijnlijk geëxecuteerd door een van de doodseskaders’, zegt Batista leunend op zijn gebutste auto. ‘Daarna is hij hier neergegooid. Niemand hier in de straat kent hem.’ Dan kraakt de radio. Tijd voor meer onderzoek is er niet. Snel wurmt het moordteam van de Baixada zich weer in de auto’s. Sirenes aan. Op naar het volgende slachtoffer.

Dit is de dagelijksheid van de dood in Brazilië, met zeventigduizend moorden per jaar het meest dodelijke land ter wereld. Meer dan in Syrië. En meer dan in het tien keer grotere India. Alleen al in Rio wordt elke anderhalf uur iemand vermoord. De laatste drie jaar steeg het aantal moorden met 25 procent, na een daling rond het WK voetbal en de Olympische Spelen.

‘De georganiseerde misdaad heeft Rio overgenomen.’ Met dit argument nam president Michel Temer in februari voor de deelstaat de meest extreme maatregel sinds het einde van de dictatuur: hij plaatste Rio onder militair bewind. De hoogste baas van de deelstaat is nu een viersterrengeneraal. Commandant Walter Braga Netto mag met zijn tanks door de stad rijden, sloppenwijken binnenvallen, mensen arresteren en ook doodschieten: ‘Een militair kan zich niet laten afmaken’, verduidelijkte Temer fijntjes. De enige aan wie Braga verantwoording hoeft af te leggen is Temer zelf, een corrupte president die twee jaar geleden aan de macht kwam dankzij een meerderheid van eveneens corrupte parlementariërs die vreesden berecht te worden. Met minder dan drie procent van de bevolking achter zich breekt Temer al maanden het record van meest impopulaire leider ter wereld.

‘Puta merda!’ Scheldend probeert een agent van het team van Batista zijn geweer door te laden. Maar het ding blokkeert. ‘Dit is de porra waar we mee moeten werken. Als we in een vuurgevecht waren beland, was ik nu dood.’ De man veegt het zweet van zijn voorhoofd en gooit het geweer met zijn scherfvest op de balie. ‘Wat doet u hier’, bast hij tegen een vrouw. Ze zit ineengedoken op een van de kapotte stoelen van het politiebureau. Een bloedheet prefab-gebouwtje vol zwerfhonden en een paar computers uit het jaar nul. Dit is het hoofdkwartier van het team dat meer dan duizend moorden per jaar moet oplossen. Haar ogen staan dof. Ze zit hier al vanaf acht uur vanochtend, vertelt ze. ‘Ik ben opgeroepen om te getuigen over de moord op mijn zoon.’ Hij is dit weekend doodgeschoten. Samen met een vriendje. ‘Ik weet niet waarom’, zegt ze. ‘Ik weet alleen dat ze zijn mobiel hebben meegenomen.’ Ze zwijgt even. Dan zachtjes: ‘En die was nog niet afbetaald.’

Het zal nog wel even duren voor de vrouw aan de beurt komt. De beschikbare agenten zijn bezig met twee mannen die smeken een jong familielid van hen te beschermen. Afgelopen nacht was de jongen getuige van een moord voor zijn deur. ‘Als je dat niet doet hebben jullie zo meteen weer een lijk’, zegt een van de mannen. ‘Wij hebben eenvoudig de middelen niet’, verzucht de jonge hoofdinspecteur even later. In het bureau van Batista liggen tussen de koffiebekertjes tientallen foto’s met donkere, toegetakelde lijken. ‘Eerst was het martelen vooral iets van de doodseskaders’, zegt Batista. Hij bedoelt de groepen van corrupte politieagenten en ex-agenten die vooral hier in de Baixada een schrikbewind voeren. Die doden raken hem altijd het meest. ‘Agenten zijn aangesteld om de burgers en kinderen te beschermen. En dan maken ze hen af.’ Batista wijst op een foto van een naakte jongen met snij- en brandwonden op zijn lichaam. Hij is dertien of veertien jaar oud, zijn armen zijn met een plastic tiewrap op zijn rug gebonden. Ook om zijn nek zit een tiewrap, zo strak aangetrokken dat het hoofd er bijna af valt. ‘Vroeger verstikten ze hun slachtoffer met een plastic zak. Nu dit’, zegt hij. ‘Alles is uit evenwicht. Alles escaleert.’

Gelooft deze 29-jarige hoofdinspecteur met zijn beugeltje en zijn rechtenstudie in de nieuwe militaire bezetting van Temer? Batista haalt zijn schouders op. ‘Dat er iets moet gebeuren is duidelijk’, zegt hij. Nadat Rio met de Spelen failliet was gegaan, staat meer dan de helft van zijn wagenpark te verrotten. Voor benzine hebben ze een potje gemaakt dat ze vullen met een deel van hun eigen maandloon van negenhonderd euro. Politieonderzoek doen ze met een derde van de mensen, omdat geen enkele vacature wordt opgevuld. De agenten hebben geen chirurgische handschoenen of steriele bakjes om dna of ander sporenmateriaal te verzamelen. Ook het gerechtelijk laboratorium heeft geen middelen. ‘Is het verwonderlijk dat 95 procent van de moorden ongestraft blijft?’ Batista schudt zijn hoofd. En nee, het gaat niet alleen om geld. ‘Al twintig jaar voeren we hier een veiligheidspolitiek van grootscheepse invallen en nog eens invallen in de arme gebieden van de stad. Wat zijn we ermee opgeschoten? Niets. En dan gaan we nu hetzelfde met het leger doen?’

Gevaarlijk vindt hij het. Nu al heeft de legerleider geëist dat er straks ‘geen tweede Waarheidscommissie komt’. De Waarheidscommissie deed onderzoek naar de misdaden van de militaire dictatuur tussen 1964 en 1988. ‘Dit betekent dat ze de vrije hand eisen. Daar word ik bang van’, zegt Batista. Met een breed gebaar veegt hij de foto’s bij elkaar en hangt zijn badge om. ‘Weet je. Zolang je niet zorgt dat er in die arme wijken fatsoenlijke voorzieningen komen, los je het geweld niet op. Dat is mijn mening.’ Voordat hij de deur uit loopt draait hij zich nog even om. ‘Het parlement is op dit moment de plek met de hoogste concentratie misdadigers van Brazilië’, zegt hij. ‘Toch stelt niemand voor daar het leger op af te sturen. Typisch nietwaar?’

‘Vroeger verstikten ze hun slachtoffer met een plastic zak. Nu dit. Alles is uit evenwicht. Alles escaleert’

Als chef Batista naar de rechtbank is om te getuigen, stijgt opeens de spanning. Op het bureau komt het bericht binnen dat aan de andere kant van de stad een politieagent is doodgeschoten. Hij was in burger, maar reageerde met zijn dienstpistool op een overval. ‘De mitrailleur eroverheen’, roept een van de oudere agenten. ‘Nee, eerst de namen van al die andere klootzakken eruit raggen’, verbetert de dikste. ‘Daarna op een rij zetten en executeren. Zul je zien hoe snel het is afgelopen.’

De agenten discussiëren over de militaire interventie. ‘Mooi hoor, het leger inzetten. Maar dan moeten de soldaten vrij zijn om de doodstraf uit te voeren.’ Ik voer aan dat de politie in Rio nu al elke dag vijf mensen vermoordt, waaronder veel kinderen, vrouwen… ‘Altijd die argumenten van jullie van de mensenrechten’, ontploft de dikke. ‘Altijd zeuren over die 99 procent zogenaamd onschuldige slachtoffers die in de favela wonen. Waarom denk je dat die mensen daar wonen. Nou?’ Hij kijkt de kring rond en geeft zelf het antwoord: ‘Omdat ze lekker gratis water en elektriciteit hebben. Omdat ze goedkoop gestolen spullen kunnen kopen van de bandieten in de wijk. Waarom geven ze die lui niet aan als ze het zo erg vinden dat er gewapende invallen zijn? Als je wil profiteren, moet je ook de gevolgen dragen.’

De agenten springen in hun auto’s als even later de melding komt van doden in een sloppenwijk verderop. ‘Dit is Syrië hoor’, zegt de oudste. ‘Het is oorlog. Weet je zeker dat je dit wilt zien?’

Hoe vaak heb ik het niet gehoord: het is oorlog in Rio. Twintig jaar geleden onderging ik mijn vuurdoop. Ik maakte mee hoe tientallen agenten met Rambo-wapens de sloppenwijk naast mijn huis binnenstormden. Helemaal in het zwart en met doodshoofden op hun mouw geborduurd. Schreeuwend openden ze het vuur in de nauwe steegjes waar kogels recht door de muren van de huisjes gingen. Het geknetter van geweervuur duurde eindeloos. Soms dichtbij, dan weer wat hogerop in de wijk. Toen het ophield zag ik hoe de agenten een dode tiener achter zich aan sleurden, alsof het een zandzak was. Het kind liet een lang bloedspoor na. Huilende vrouwen kwamen de berg af. Ze probeerden met hun vuisten op de mannen met de doodshoofden in te slaan. Maar die lachten en zongen rijmpjes. Pas later verstond ik de woorden: ‘Een ondervraging is makkelijk te beginnen/ Je pakt een favelabewoner en slaat hem buiten zinnen. Een ondervraging is ook makkelijk te beëindigen/ Je pakt de bandiet en schiet hem naar het oneindige.’

Geschokt kwam ik het kantoor binnen van ex-politieman Hélio Luz, op dat moment veiligheidsadviseur voor de linkse arbeiderspartij (PT) van de latere president Lula. Twee jaar lang had Luz als hoofdcommissaris geprobeerd de politie van Rio te hervormen. ‘Natuurlijk ben ik ontslagen’, zei de rossige man. ‘Een corrupte staat heeft nu eenmaal een corrupte politie nodig.’ De les die deze politieman me leerde was hard, maar verhelderend. ‘Natuurlijk valt de politie schietend en moordend de sloppenwijken binnen’, stelde Luz. ‘Je betreedt het territorium van de vijand niet met sussende woorden: rustig nou maar, leg je erbij neer dat je honger hebt, geen werk, geen afvoer, geen school. Dat is iets voor de kerk. Een politieman is er om te schieten. Dat is zijn werk. Het zou hypocriet zijn het anders te noemen.’

In derdewereldlanden als Brazilië vertegenwoordigt de staat slechts een kleine elite die zichzelf met geweld in het zadel houdt, zei Luz: ‘Kijk naar de rijke strandwijken als Copacabana en Ipanema. Zelfs daar wonen vijf keer meer armen in de sloppenwijken tegen de heuvels dan in de luxe flats op zeeniveau.’ Bij die flatbewoners heerst een diepgewortelde angst dat de inwoners van de favelas op een dag ‘naar beneden komen’. Hoe hou je zo’n explosieve situatie onder controle? Onmogelijk. ‘Dus is het oorlog. Een oorlog van een corrupte elitestaat tegen de arme meerderheid. De politie is hier niet om medeburgers te beschermen, maar om de vijand uit te schakelen. En als het de politie niet lukt, dan haal je het leger erbij. Want tegen de vijand is alles geoorloofd. In een oorlog praat je niet over mensenrechten. Je moordt en je martelt. Dat is alles.’

Medium nn11424572
Rio de Janeiro, de favela Maré © Bruno Barbey / Magnum / HH

Tien jaar lang hielpen de woorden van Luz me te begrijpen wat ik zag. Moeders die dagenlang hun doodsbange kinderen onder het bed verstopten. Want dan reed de caverão, het ‘grote doodshoofd’, weer door de straten: zwarte tanks van de politie, vol schietgaten. De materialisatie van de grote boze wolf voor elk favelakind. Ik zat er ook in. Voelde de kogels uit de kalasjnikovs van de drugsbazen op de wanden ketsen. Pure adrenaline en testosteron in een bijna zuurstofloze ruimte. Lukraak vuurden de agenten hun machinegeweren af door de schietgaten: de wereld van de favela gereduceerd tot een vijandige kijkdoos: ‘Filhos da puta, jullie gaan er allemaal aan!’

‘Je betreedt het territorium van de vijand niet met sussende woorden. Dat is iets voor de kerk’

Langzaam begreep ik ook het mechanisme beter. Miljoenen mensen zonder water, elektriciteit, scholen of werk. Voor de overheid staan de armen van Brazilië eenvoudig niet op de kaart. Hoe letterlijk dit geldt, bleek toen Google Maps uitkwam. Keurig had het bedrijf alle duizend favelas van Rio op zijn kaarten ingevuld. De autoriteiten werden woedend en sommeerden Google ogenblikkelijk alle sloppenwijken te verwijderen. ‘Die wijken bestaan niet’, zei het stadsbestuur, ‘want ze zijn illegaal.’ Google gehoorzaamde.

Voor de politiek bestaan de favelas nog steeds niet. Maar de ‘bandieten’ of ‘drugsbazen’ die ze beheersen des te meer. ‘Wij zijn de coffeeshops van Rio’, lachte zo’n drugssoldaatje eens toen ik vertelde dat ik uit Nederland kwam. Het joch hield de wacht bij een van de drugsverkooppunten in de favela. Een wankel tafeltje met wat zakjes marihuana. Hij was dertien of veertien. Een pistool in de band van zijn laaghangende bermuda. Bloot bovenlijf en blote voeten. Het geweer in zijn handen was bijna even groot als hijzelf. Toch had het joch gelijk. Voor de meer gewiekste jongeren uit de favelas is deze handel de beste en vaak enige manier om geld in het laatje te brengen. Alle drugs zijn illegaal in Brazilië. Dus vindt de detailhandel plaats in wijken die toch al ‘illegaal’ zijn verklaard. Elke middenklasser koopt er zijn jointje of snuifje coke. Al sinds de jaren tachtig. Een deel van de opbrengst wordt door de drugsbaas gebruikt voor het aanleggen van water en het aftappen van het elektriciteitsnet. Ze zorgen ervoor dat de allerarmsten iets te eten hebben. En als het nodig is, betalen ze de ziekenhuisopname van oma.

De drugsbazen zijn de enige autoriteit in de wijk: sociale dienst, politie en rechter in één. Terwijl de ‘echte’ staat zich alleen met gewelddadige invallen laat zien. De politie arresteert of vermoordt wat mensen en verdwijnt weer. Meestal in ruil voor een aandeel in de drugswinst. Een keer stond ik er zomaar met mijn neus bovenop. Ik stapte net uit de bus toen de hoogste drugsbaas van de sloppenwijk naast mij bij een politie-inval was doodgeschoten. Tussen de zwaailichten onderhandelden wat agenten met drugsbaas nummer twee van de wijk. ‘25 procent’, eisten de agenten. ‘Twintig procent’, bood de nieuwe baas. Uiteindelijk werd het er ergens tussenin. Plus smeergeld van drugsbaas nummer twee om niet gearresteerd te worden. ‘Zonder ons kan de politie niet bestaan’, filosofeerde een andere drugsbaas eens. Lachend liet hij me geweren zien die de politie diezelfde ochtend in beslag had genomen. Hij had ze voor tweeduizend euro per stuk net weer teruggekocht.

‘Politiebureaus ín de sloppenwijken? Impossível, onmogelijk! Zoiets kan nooit’, zei hoofdcommissaris Hélio Luz in 1998. Hij moest om het voorstel lachen: ‘Heb je ooit een wijkagent in een getto gezien?’

Toch gebeurde juist dat in Rio. In dezelfde favela waar Michael Jackson ooit zijn protestnummer They Don’t Care About Us had opgenomen speelde in 2008 de politiefanfare. Ook de gouverneur en de linkse president Lula waren gekomen. Net als bij Jackson zag het zwart van de juichende mensen op de daken. Lula was net herkozen voor een tweede termijn, hij was de meest geliefde president van Brazilië ooit. Voor het eerst in de geschiedenis had dit oude slavenland een leider die wél om de armen gaf. Voor het eerst een politicus die aan herverdeling deed. Lula’s sociale programma’s maakten dat miljoenen mensen uit de armoede konden klimmen. En het werkte. Terwijl de rest van de wereld onder de bankencrisis zuchtte, floreerde Brazilië.

‘De politie moet nu leren in en met de gemeenschap te leven, in plaats van ertegen te vechten’, sprak Lula de 120 vers opgeleide wijkagenten vaderlijk toe. Daar stonden ze, trots in hun on-militaristische lichtblauwe overhemdjes voor het witgekalkte politiebureautje. Hun baas was een zwarte vrouw. Zij vormden de eerste eenheid van de nieuwe zogeheten Pacificatie Politie (upp). ‘Vanaf nu is dit een wijk van vrede’, speechte ook de nieuwe veiligheidschef José Mariano Beltrame met zijn zacht verzoenende stem. Hij was de bedenker en uitvoerder van het hele plan dat hij had afgekeken van de Colombiaanse stad Medellín, ooit de hel van narcobaas Pablo Escobar, nu de welvarendste tech-hub van Latijns-Amerika.

Legertanks, helikopters, soldaten, scherpschutters. Met groot vertoon werd het ‘verloren territorium’ steeds verder door de staat ‘ingenomen’. Soms bleef het leger maandenlang aan als bezettingsmacht. In andere favelas werd de autoriteit al snel overgedaan aan de agenten in de blauwe hemdjes. Zo installeerde Beltrame in vijf jaar tijd 38 wijkbureaus of upp’s in de duizend favelas van Rio. Bijna allemaal in sloppenwijken rond de rijke strandwijken en de stadions. De upp’s waren immers het antwoord op de eis van ‘maximale veiligheid’ van de Fifa en het ioc tijdens het WK voetbal (2014) en de Olympische Spelen (2016).

‘Het is zo’n raar bloot gezicht zonder hun wapens’, zei mijn vriendin Suely lachend. We dronken een biertje bij een stalletje vlak bij het drugsverkooppunt. Er werd nog gewoon gehandeld. Maar geen van de soldaatjes of drugsbazen droeg nog wapens. Haar wijk was inmiddels een jaar gepacificeerd. ‘En er is niet één keer meer geschoten’, vertelde ze opgetogen. Nul schietpartijen en nul doden. Net als in alle andere 37 wijken met een upp. ‘Voor het eerst voel ik me gerust over mijn kinderen.’

‘Alles is geoorloofd tegen de vijand. In een oorlog praat je niet over mensenrechten. Je moordt en martelt. Dat is alles’

Toch had ze weinig vertrouwen in het project. Naast de agenten zou er ook riolering komen en een gezondheidscentrum. En scholen en voetbalveldjes voor de kinderen. ‘Heb jij daar al iets van gezien? En nu willen ze dat wij met hen samenwerken. Maar hoe zitten wij er straks als bewoners tussen? Hoe leggen we dat dan aan de drugsbazen uit?’ Niet veel later zagen we een ganzenpatrouille van bloednerveuze upp-agenten het steegje in klimmen. Tien man met doorgeladen geweren op weg om een burenruzie op te lossen. Lachend keken we elkaar aan. Vaak genoeg zagen we hoe de drugsbaas conflicten in de wijk met een knip van zijn vingers oploste. ‘Ze zullen echt heel hard moeten werken om het vertrouwen te winnen’, zei Suely.

Marielle Franco

Vorige week woensdag werd de linkse politica Marielle Franco in Rio de Janeiro vermoord. De kogels in haar hoofd waren politiekogels, afgevuurd door lieden die haar volgden na een bijeenkomst met zwarte vrouwen. Haar executie is een politieke afrekening en een waarschuwing aan anderen om zich niet tegen politiegeweld te keren.

Franco verzette zich fel tegen de militaire bezetting van Rio. Een maand geleden gaf president Michel Temer het bevel over de stad aan het leger. Net als de meerderheid van de bevolking van Rio was Franco zwart, vrouw en geboren in de sloppenwijk. Maar als politica was ze de enige zwarte in een gemeenteraad met nog geen tien procent vrouwen.

De moord leidde tot grote commotie in de favelas en onder intellectuelen. De beroemde zanger Caetano Veloso vervloekte ‘deze maatschappij die de slavernij maar niet te boven wil komen’ en maakte een lied voor haar.

De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd door de doodseskaders van politiemensen en militairen die in grote delen van Rio de bevolking terroriseren. Onmiddellijk kwam het nepnieuws in omloop dat Franco de ex-vrouw zou zijn van de grootste drugsbaas van Rio die al twintig jaar gevangen zit. Ze zou onlangs van ‘drugsbende’ veranderd zijn en daarom door haar voormalige ‘kameraden’ zijn vermoord. Activisten traceerden zondag de bron, een politiechef die openlijk twitterde: ‘Het had eerder moeten gebeuren. Blij van je af te zijn madam Marielle. Ik haat bandieten. Maar nog meer wie bandieten verdedigt.’

Een paar jaar later sprak ik vier meiden van tussen de twaalf en vijftien jaar in een uithoek van de sloppenwijk City of God. Ze vertelden over de vernederingen die ze ondergingen door ‘schone’, ‘in mensenrechten opgeleide’ upp-agenten. Opgewonden praatten ze door elkaar heen: ‘Dan dwingen ze ons met hen naar bed te gaan.’ ‘Ze noemen ons hoeren en bandietenliefjes.’ ‘En als we nee zeggen dwingen ze ons om ons uit te kleden.’ Rood van schaamte vertelden ze hoe ze naakt door de straten van de wijk waren gejaagd. ‘Iedereen kon ons zo zien.’ Geef ons maar de drugsbazen, zeiden de meiden. ‘Die schieten kerels die een vrouw zo behandelen gewoon neer.’

Ik sprak ook een straatverkoper met een gebroken kaak. Hij was door agenten in elkaar geslagen en van zijn handel beroofd omdat hij weigerde zijn ‘afdrachten’ aan de upp te betalen. En dan was er die vriend die zag hoe vier jongeren uit de favela vlak onder zijn raam werden aangehouden op de terugweg van een kerstfeest. Zes agenten onder leiding van de baas van de upp rukten hen de kleren van het lijf en sloegen hen met geweren. Een half uur lang werden ze bewerkt met een gasbrander. Ze moesten elkaar en de politiemannen afzuigen. Mijn vriend had de moed het aan te geven. Op het bureau werden de tieners en hun martelheren in dezelfde ruimte gezet. De upp-baas werd stilletjes overgeplaatst. De jongeren, hun ouders en mijn vriend werden maandenlang bedreigd.

Eerder al was in de grootste sloppenwijk van Rio de hulpmetselaar Amarildo door de wijkagenten van de upp doodgemarteld. Onder leiding van de upp-commandant werd hij achter het upp-bureau met elektriciteit bewerkt, geslagen en gewaterboard. Zijn lichaam is nooit teruggevonden.

‘De hele militarisering is erop gericht nog meer zwarte mensen in de sloppenwijken uit te moorden’

Toen buurtbewoners in 2014 filmden hoe in het sloppenwijkcomplex Alemão een jonge chauffeur van een motortaxi van achteren door upp-agenten werd doodgeschoten, sloeg de vlam in de pan. Voor het eerst werd een bureau van de upp beschoten. Een jonge agente kwam daarbij om. De reactie van de overheid was vergelding: grote invallen en schietpartijen waarbij tientallen zwarte jongens door de politie werden geëxecuteerd en vrouwen en kinderen gedood werden door ‘verdwaalde kogels’.

Zo verprutste de politie zelf de kans om de harten en hoofden van de mensen in de favelas te winnen. Sinds de Olympische Spelen delen zwaarbewapende drugsbazen in alle upp-favelas weer openlijk de lakens uit. Ook in de favela naast mij. Angstig klitten de upp-agenten samen achter een paar betonblokken. Ze durven niet meer door de wijk te lopen of in hun politiebureautje te zitten. Stipt om één uur ’s middags bezorgen de drugsbazen hun de lunch. Je zou bijna vergeten dat dit dezelfde ijzervreters zijn die daarvoor nog elke smoes verzonnen om maar niet in de blauwe bloesjes van de wijkpolitie te hoeven rondlopen. ‘In de was’ of ‘kapot’ zeiden ze dan en maakten duidelijk dat ze upp-agent zijn eigenlijk iets voor mietjes vonden. >

Een paar maanden na de Spelen stapte veiligheidschef Beltrame, de ‘vader’ van de nieuwe wijkpolitie, verbitterd op. Brazilië zat in de diepste economische crisis in tachtig jaar. De gekozen opvolgster van president Lula werd door haar voormalige bondgenoot, vice-president Temer, gewipt. En Rio ging failliet. Niet in de laatste plaats vanwege het graaien in de staatskas door de politici die in Rio al decennia de dienst uitmaken, een corrupte politieke clan van dezelfde partij als Temer. Het is naar hen dat Beltrame de beschuldigende vinger uitstak. ‘Het is dom en naïef te denken dat een upp op zichzelf vrede kan brengen’, zei Beltrame. Hoe vaak heeft hij het niet herhaald: de politie is hoogstens een ‘breekijzer’ om de ‘deur van de favela open te zetten voor de aanwezigheid van de staat’. Samen met de politie moeten er voorzieningen komen. Afvoer, scholen, gezondheidszorg. Zodat sloppenwijkbewoners ‘eindelijk volwaardig burgerschap krijgen’. Maar nee, constateerde Beltrame. De politieke wil om dat project te doen slagen is er nooit geweest.

En zo kreeg de oude politieman Hélio Luz toch gelijk. ‘Dit gaat niet duren’, voorspelde hij al in 2012 tijdens een interview. Het was het hoogtepunt van de pacificatie. Net als in Medellín waren in sommige sloppenwijken echte kabelbanen aangelegd om de bewoners te vervoeren. ‘Het lijken de Alpen wel’, jubelde Christine Lagarde van het imf toen ze over de met krotten bezaaide bergen zweefde. De kabelbaan was een kort leven beschoren: de zoon van de corrupte politicus die de aanbesteding kreeg, bouwde de dingen met ondeugdelijk materiaal en ging er vandoor met de rest van het geld.

Luz voorzag het allemaal. ‘Heeft de politie zijn huiswerk gedaan en de corruptie in zijn eigen gelederen uitgeroeid? Nee, natuurlijk niet’, zei hij. ‘Dat kán ook niet, omdat een corrupte staat nu eenmaal een corrupte politie nodig heeft.’ Zijn logica is waterdicht. Stel, zegt hij, dat de politie echt onderzoek naar misdaad doet en de rechten van burgers beschermt. ‘Wie beschermt de corrupte bestuurders dan?’

Zachtjes wiegt ze haar bovenlijf. ‘Ik had er vijf, nu heb ik er vier.’ Haar handen frummelen aan de foto van een vrolijke zwarte jongen met een bal onder zijn arm. Hij is haar oudste. Jeremías. Dertien jaar. Vorige week doodgeschoten door de politie bij een inval in de sloppenwijk Maré. Bij het licht van een peertje kijken vier paar ogen hun moeder stilletjes aan. ‘Jeremías stond voor het huis van mijn zus om te vragen of haar kinderen mee kwamen voetballen’, vertelt Vánia. ‘Toen ze de deur opendeed lag hij daar al. Ze voelde zijn warme bloed in haar armen.’ Even is er alleen het geluid van de ventilator in het huisje zonder ramen. ‘Ik had er vijf’, zegt ze zacht. ‘Nu moet ik sterk zijn voor vier.’

Of ze denkt dat het beter wordt nu het leger in Rio de baas is geworden? ‘Ik hoop dat er geen moeders meer hoeven te huilen’, zegt Vánia. ‘Dat iemand begrijpt dat niet iedereen in de favela een bandiet is. Dat kinderen het recht hebben om veilig rond te rennen.’ Ze zwijgt en haalt haar schouders op. ‘Wij hebben het leger hier al eens gehad. Maar heeft het geholpen?’

Rond het WK voetbal in 2014 is sloppenwijkcomplex Maré veertien maanden lang door het leger geregeerd. De militaire bezetting was ter voorbereiding van een upp die er nooit is gekomen. Marielle Franco, het afgelopen week vermoorde zwarte raadslid, komt ook uit deze wijk. Ze baseerde haar verkiezingscampagne in 2016 onder andere op de woede van de bewoners tegen de praktijken van de militairen. ‘Stop het uitmoorden van onze kinderen’, was een van haar leuzen.

Om de hoek bij Vánia wordt verhit vergaderd. Het zaaltje van ‘Redes da Maré’ hangt vol flapovers. De mensenrechtengroep is in opperste staat van alarm. Net zoals Marielle Franco dat deed, noemen ze de militaire interventie van president Temer onomwonden een coup. ‘We hebben het hier in de wijk onderzocht’, zegt Lidiane Malanquín, de veiligheidsspecialist van de organisatie. ‘Toen was er nog iets van democratische controle. Nu zijn de militairen aan niemand behalve Temer verantwoording schuldig.’ Malanquín legt het dikke rapport op tafel. ‘Uit ons onderzoek blijkt dat het leger evenveel schiet, moordt en martelt als de politie.’ Soldaten op de hoeken. Tanks in de straten. De bewoners voelen zich er niet veiliger door. Integendeel. ‘In de eerste maand van het leger waren er inderdaad minder doden’, vertelt ze. Maar dat veranderde op slag toen er een soldaat werd doodgeschoten. ‘Dat is de perverse spiraal van de oorlog. Of die nu gevoerd wordt door de politie of het leger.’

De huidige geweldsexplosie in Rio is juist hier het gevolg van, zegt ze. ‘Er is geen plan, geen protocol. Niets. Alleen wraak.’ Daarbij komt dat de hele misdaadscene op z’n kop is gezet. Door de vestiging van de upp’s rond het centrum en de rijke strandwijken moesten de drie grote drugsbendes zich terugtrekken naar minder lucratieve wijken in de Baixada en aan de rand van de stad. Om de verliezen aan te vullen begonnen ze zich toe te leggen op platte straatroof en het stelen van vrachtauto’s. ‘Dat is het moment dat het rijkere deel van de bevolking bang wordt en om gespierde maatregelen gaat roepen.’

Nog voor Marielle Franco werd geliquideerd, voorspelden Malanquíns organisatie en andere mensenrechtengroepen een bloedbad. ‘De hele militarisering is erop gericht nog meer zwarte mensen in de sloppenwijken uit te moorden’, verzucht Malanquín. Tel maar uit, zegt ze. Het afgelopen jaar vermoordde de politie meer dan duizend mensen. ‘En dat zijn de doden waarvan we weten.’ In hun vrije tijd transformeren veel agenten vervolgens tot doodseskaders die er nog eens duizenden vermoorden. In de afgelopen vijf jaar zijn er drie agenten voor moord berecht en weer vrijgesproken. Zelfs de agenten die een vrouwelijke rechter vermoordden omdat ze hun criminele bende op het spoor kwam, werden vrijgesproken. ‘Kun je nagaan hoe dat bij de militairen met hun militaire rechtbanken gaat’, schampert Malanquín.

Tekenend is volgens haar de weigering van de nieuwe militaire baas van Rio om de failliete upp’s op te heffen. De witgeschilderde bureautjes die ooit bedoeld waren voor het ‘samenleven’ van een nieuwe wijkpolitie met de bevolking beschouwt hij nu als ‘vooruitgeschoven posten in vijandelijk gebied’. Met zandzakken, betonnen platen en de bouw van gepantserde wachttorens versterkt het leger de upp’s.

Intussen juicht het land de militaire bezetting van Rio toe. ‘Het is de enige oplossing’, hamert het belangrijkste mediaconcern Globo. De omslag is bijna cynisch. Tijdens carnaval werd president Michel Temer nog lacherig uitgebeeld als een gigantische vampier, nu stijgt zijn populariteit. Tachtig procent van de bevolking zou voor de bezetting zijn. ‘Een meesterzet’, constateert Temer tevreden en hij overweegt zich in oktober opnieuw kandidaat te stellen voor het presidentschap.