Arjen Fortuin over de ontwikkelingen in de vaderlandse letteren

Een criticus neemt afscheid

Bij het begin van deze boekenweek maakt Arjen Fortuin, na vijftien jaar de Nederlandse literatuur te hebben begeleid met zijn kritieken, de balans op. ‘Het laatste half jaar kwam het gevoel van herhaling terug. Ik merkte dat mijn eigen stukken me niet meer verrasten’.

Als je een beetje handig googlet kom je vanzelf op een vergeten stukje internet terecht, waar een filmpje staat dat gemaakt is ter ere van het zoveeljarig bestaan van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. 1996, studenten-tv. Korrelige beelden. Oud-redacteuren komen in beeld en vertellen dat het PC-redacteurschap het hoogtepunt van hun studiejaren was. De huidige redacteuren doen vooral blasé, beetje stoer, alsof het allemaal niets voorstelt – maar je voelt aan alles dat ze het maar wat spannend vinden dicht bij het literaire milieu te staan. Voor het tegengeluid is een redacteur van Folia ingehuurd, het officiële blad van de UvA. Hij heeft een hoog voorhoofd, lange blonde krullen, een karakteristiek rond brilletje, en een sardonisch, dun glimlachje. Driekwart van de studenten wil eigenlijk voor NRC werken, zegt hij. ‘Ergens in de buurt van de Dam hangt een bordje met NRC Kunstredactie. Het is niet zo dat ik daar langsloop en dan denk: “Oooh, stel je nou eens voor dat ik over vijf jaar hier zou werken!”’ Je gelooft deze jongen geen seconde. Je ziet hem zijn stralende glimlach onderdrukken. Voor NRC schrijven, zou je zeggen, is zijn droom.

Medium rc20170317 arjen fortuin 07

Vijf jaar later recenseerde Arjen Fortuin zijn eerste Nederlandse roman in de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Op 14 september 2001 schreef hij over De val van Icarus, van Peter Akkerman (‘De overvloed aan beelden zet de handeling in een steeds lagere versnelling’). Meer dan vijftien jaar later, op 23 februari 2017, schreef Fortuin zijn laatste recensie: over Masser Brock, van Bert Wagendorp (twee ballen). Fortuin stopt ermee. Zoals hij het zelf verwoordde in zijn afscheidsstuk: ‘Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt.’

Het eerste restaurant waar Arjen Fortuin (1971) voorstelt af te spreken, blijkt veranderd in een vestiging van De Bierfabriek, in het tweede zit ineens een Aziatisch-Amsterdams fusion eetcafé. Er verandert in rap tempo heel veel op het Rokin, in de schaduw van de NRC-redactie. Alleen Fortuin zelf is amper veranderd. Nog steeds hetzelfde ronde brilletje als bij studenten-tv, nog steeds blonde krullen – alleen niet meer zo lang in de nek.

De afgelopen vijftien jaar groeide hij naast Arnold Heumakers, Elsbeth Etty en Pieter Steinz uit tot dé criticus van de boekenbijlage. Iemand die over elke shortlist een mening had, over elke literair relletje een column schreef. Een recensent die zelden venijnig uithaalde, maar altijd de nuance opzocht, duiding probeerde te geven. Nadat Heumakers al meer naar de filosofie was opgeschoven, Etty ophield met schrijven en inmiddels officieel met pensioen gaat, en Steinz – die nog wel voor de krant bleef schrijven na zijn vertrek naar het Letterenfonds – veel te vroeg overleed, verhuist Fortuin nu naar een andere redactie binnen de krant. Heumakers was, en is, de meest intellectuele, academische van de groep, Steinz verbond de klassiekers van de Europese cultuur aan elkaar, en Etty was als criticus de meest venijnige, de meest uitgesprokene. Hoe vindt hij zichzelf daartussen passen?

Arjen Fortuin: ‘Voor elke vier woorden die Elsbeth opschreef kwam er een karrenvracht boze brieven binnen. Zij was echt een persoonlijkheid op de pagina, en ook daarbuiten. Ik heb dat nooit zo willen worden. Mijn ideaal was het om te lezen als Arnold Heumakers, en te schrijven als Hans Goedkoop. In gedachten schrijf ik voor een onderwijzer in Enschede. Het is mijn taak hem te wijzen op literatuur die de moeite waard is.’

Fortuin komt er vaker op terug, de dienstbaarheid van de recensent aan de krantenlezer. Gevraagd naar zijn poëtica antwoordt hij die niet te hebben, of nou ja: ‘De nuance behouden, aan de lezer laten zien dat de nieuwe geslaagde roman van Nelleke Noordervliet interessanter en belangrijker is dan de nieuwe geslaagde roman van Kluun.’ Als we hem vragen of hij zich wel eens heeft vergaloppeerd, of bang is geweest zich te vergissen, antwoordt hij ronduit ontkennend. ‘Je kunt het namelijk niet verkeerd hebben.’ Criticus lijkt hij te zijn geworden bij toeval, niet uit passie.

‘Ik ben bewust geen Nederlands gaan studeren. Op de middelbare school las ik veel, Kafka, Dostojevski – en ik wilde mij niet tot alleen de verplichte leesstof terug laten brengen. Ik ben sociale en economische geschiedenis gaan studeren, met het idee dat ik daarnaast wel kon lezen wat ik wilde. Toen ik voor Folia ging werken, merkte ik wel dat ik pas echt enthousiast raakte toen ik een stuk kon schrijven waarin ik op zoek ging naar de mensen die schuil gingen achter de personages van Voskuils Het bureau. “Mooi stuk,” zei mijn hoofdredacteur, “maar misschien kun je hierna weer iets schrijven dat ook daadwerkelijk met de universiteit te maken heeft.”

In die tijd organiseerde ik op de faculteit een Week van de Biografie, en ik nodigde toenmalig NRC-criticus Hans Goedkoop uit om te komen spreken. Hij nodigde mij later weer uit om een nieuwsrubriekje te schrijven in de boekenbijlage. Zo rolde ik daar naar binnen.’

Waarom ging u juist over Nederlandse literatuur schrijven?

‘Deels toeval, er was een vacature, en deels sensatiezucht. De sensatie dat je de nieuwe Grunberg nog in drukproef leest en beseft: ik ben één van de tien mensen die dit nu lezen en ik ben een van de eersten die zijn mening daarover op papier mag zetten.’

Twee jaar terug publiceerde u zelf uw eerste boek, de biografie van uitgever G.A. van Oorschot. Heeft dat uw recensentenpraktijk veranderd?

‘Het heeft me er hooguit nog eens van doordrongen dat er tussen de auteur en recensent een scheve verhouding bestaat. De laatste schrijft met een oplage van 150.000, de eerste met eentje van 1500. De recensent leeft hooguit twee weken met het boek, de auteur minstens twee jaar. Je daarvan bewust zijn, maakt je voorzichtiger.’

Inderdaad staat Fortuin bekend als een degelijke, genuanceerde criticus, naar wiens mening je wel benieuwd bent maar voor wie je – als schrijver – niet echt huiverig hoeft te zijn. Een criticus met een voorlichtende roeping, zonder heel persoonlijk te worden. Opvallend genoeg verwijst hij in zijn laatste stuk naar Kees Fens, een criticus van vóór zijn tijd, niet naar bijvoorbeeld de meer nabije Hans Goedkoop. Desgevraagd antwoordt hij dat hij ‘het idee Fens’ wilde plaatsen tegenover de opdringende commercie.

‘Het laatste half jaar kwam het gevoel van herhaling terug. Ik merkte dat mijn eigen stukken me niet meer verrasten’

Waarom stopt u er nu mee? Het verbaasde ons nogal.

‘Twee jaar geleden dacht ik al aan stoppen. Na vijftien jaar in de kritiek ken je het werk van de meeste Nederlandse schrijvers wel zo’n beetje, en weet je bij elk nieuw boek zo ongeveer wat je kunt verwachten. Maar toen verscheen Dertig dagen van Annelies Verbeke, een schitterend boek over een Senegalese klusjesman in West-Vlaanderen, en besloot ik toch door te gaan. Het laatste half jaar kwam het gevoel van herhaling terug. Ik merkte dat mijn eigen stukken me niet meer verrasten.’

Voor zijn afscheidsstuk wilde hij – uit zijn hoofd – nog eens de romans en verhalenbundels in herinnering roepen die voor hem belangrijk waren. Dat al die boeken, dertien totaal, bleken te gaan over mensen die op hem leken, sterkte hem in het idee dat het tijd werd te stoppen.

De NRC-boekenbijlage was de laatste maanden al flink aan het veranderen. Vlak nadat uw vertrek bekend was geworden, blijkt ook uw collega Toef Jaeger te stoppen met recenseren. Is er slecht weer op komst?

‘Ooit was de boekenbijlage een eigen afdeling. Nu is het een van de vijf culturele supplementen. De krant is strakker georganiseerd, elke dag worden beslissingen genomen die voor alle supplementen gelden. Het liefst had ik natuurlijk dat de hoofdredacteur elke week achttien blanco pagina’s gaf waarmee je mocht doen wat je wilde. Maar die tijd is voorbij: een krant moet zo in elkaar zitten dat hij op verschillende niveaus gelezen kan worden. We hebben abonnees die de krant in vijf minuten lezen, in vijftien minuten, en in twee uur. Er is een permanente onderhandeling gaande tussen vormgevers, die meer beeld willen, en journalisten, die meer tekst willen. Dat betekent niet dat ik nu somber ben over ons metier: stukken worden korter, maar ik heb het idee dat er een nieuwe generatie journalisten en critici opstaat die in die beperkte ruimte heel goed uit de voeten kan, en daar scherper in is dan ik.’

Vijftien jaar geleden had de krant ook nog geen sterrensysteem, of ballen, waarmee in één oogopslag de waardering voor een boek kan worden uitgedrukt. >

‘Ik houd niet van die ballen. Maar vergis je niet: uitgevers wél, omdat ze er goed mee kunnen adverteren. De hoofdredactie wilde het uiteindelijk, en daar heb je je dan bij neer te leggen. Voor de vlugge lezer maken ze een oordeel meteen duidelijk.’

Wat zijn de ontwikkelingen die u heeft waargenomen in de Nederlandse literatuur de afgelopen vijftien jaar?

‘Toen ik begon was dat de tijd van Seinfeld. Toen kon je nog een televisieserie maken over neurotische, narcistische mensen die niets anders doen dan zich laven aan de eventuele filosofische implicaties van hun innerlijke roerselen en hun onderlinge relaties. Zo’n serie zou je nu niet meer kunnen maken. Om het lelijk te zeggen: de maatschappij is maatschappelijker geworden. We worden meer blootgesteld aan oorlog, conflict, armoede, immigratie. En dat schiet de literatuur in. Niet dat dat leidt tot romans die willen laten zien hoe slecht de wereld is, en dat we daar iets aan moeten doen, maar tot romans die onderzoeken hoe maatschappelijke angsten en obsessies tot menselijke proporties worden teruggebracht.’

In uw afscheidsstuk schrijft u inderdaad dat de Nederlandse literatuur maatschappelijker is geworden, en merkt u op: ‘Ik vermijd bewust het onhandige woord “geëngageerd”.’ Waarom vermijdt u dat?

‘Omdat engagement in de kunstkritiek zo’n beladen woord is geworden. Als je het gebruikt krijg je meteen de hele derrie over je heen van schrijvers die klagen “O, we moeten weer eens wat.” Het gaat mij er niet om dat schrijvers iets politieks moeten, het gaat me erom dat ze het gewoon doen. Engagement klinkt alsof je buiten de literatuur een doel hebt, iets wat je wilt bereiken door middel van literatuur – en dat heb je als schrijver denk ik ook wel, maar dan vooral op begripsniveau.’

Welke schrijvers heeft u dan vooral voor ogen?

‘Ik denk dan aan Tommy Wieringa, aan Peter Terrin, aan Annelies Verbeke. En aan Arnon Grunberg. Over hem zou je kunnen zeggen: hij ís die ontwikkeling. Als je naar de eerste romans van hem kijkt, Blauwe maandagen en Figuranten, zie je eenzelfde Seinfeld-humor. Gaandeweg sluipt de wereld dat oeuvre binnen. Ik weet nog dat ik Grunbergs roman De asielzoeker las en dacht: meent hij dit, hebben we het serieus over asielzoekers? Of is die asielzoeker die bij het echtpaar komt wonen een metafoor om het over psychologische thema’s te hebben? Met romans als Tirza en Onze oom was het wel duidelijk waar het hem om ging. Tommy Wieringa heeft iets soortgelijks doorgemaakt. Alles over Tristan was heel verliteratuurd, over een zoektocht naar een lang verloren dichter, Joe Speedboot was echt een geweldig jongensboek – maar met Dit zijn de namen ging hij op zoek naar wat geloof betekent, wat het betekent om vluchteling te zijn. Zijn nieuwe novelle De dood van Murat Idrissi is ook weer een vluchtelingenverhaal. Ik vind Tommy Wieringa een gecompliceerde schrijver, in de zin dat hij op de grens van kitsch zit. Bij het ene boek geloof ik hem, bij het andere boek denk ik: hou toch op. Maar dat maakt hem voor mij wel tot een van de schrijvers naar wie ik nog steeds benieuwd ben.’

‘Schrijvers denken nu: ik wil lezers, liefst zo breed mogelijk. Voor een kleine groep schrijven bevredigt steeds minder schrijvers’

Wat is er volgens u nog meer veranderd?

‘Ik ben geen stijlfetisjist – inhoud gaat wat mij betreft voor de vorm – maar ik vind het jammer dat de hoeveelheid schrijvers die stilistisch echt spannend is zienderogen kleiner wordt. Zowel qua vormexperiment als op zinsniveau. De keren dat je tegen je vrouw wil roepen “Moet je nou toch eens horen!” of denkt: dit is wel heel mooi verwoord, zijn er eigenlijk niet meer. Twee jaar geleden viel ik helemaal voor de roman van M.M. Schoenmakers, De wolkenridder. Die roman deed me echt weer van taal genieten. Hetzelfde had ik jaren daarvoor met Dimitri Verhulst; zijn romans waren volledig uit de taal opgetrokken. Tegen verrast worden sta je machteloos.’

Uw collega Toef Jaeger schreef in wat háár afscheidsstuk bleek te zijn dat recensenten in deze volatiele politieke wereld meer op de politieke lading van een roman moeten letten, en wat minder op de stijl. Bent u het dan daarmee eens?

‘Ze heeft een punt, maar het is complexer dan dat. Ik herinner me dat Vladiwostok! van P.F. Thomése uitkwam – een heel geestig, onderhoudend boek – en dat alle critici verheugd zeiden: “Kijk, eindelijk een politieke roman!” Maar het is alleen een roman waarin politici voorkomen. Die allemaal voor de hand liggende ijdele zakkenvullers zijn. Er staat geen originele gedachte over politiek in. Wat ik bedoel te zeggen: alleen het ter sprake brengen van bepaalde onderwerpen levert geen punten op. Je moet als schrijver ook wel met nieuwe, eigen gedachten komen. Op die manier ben ik uiteindelijk ook afgeknapt op Dimitri Verhulst; hoe geweldig hij ook schrijft op zinsniveau, op inhoudelijk niveau heeft hij me weinig meer te melden.’

In uw afscheidsstuk schreef u over de nieuwste generatie: ‘Onze schrijvers werden steeds meer socioloog en steeds minder psycholoog.’

‘Schrijvers als Hanna Bervoets en Niña Weijers hebben zowel een wetenschapsfilosofische als sociaal-psychologische invalshoek in hun werk. Dat geldt ook voor iemand als Philip Huff, al schrijft hij meer conventionele romans. Ook zijn verhalen gaan over je in de wereld bewegen, en niet weten wat echt is en wat nep. Dat is nieuw. Natuurlijk is dat nieuw – je kunt niet van Louis Paul Boon verwachten dat hij iets over een wereld schrijft die virtueel en digitaal wordt gevoed – maar het is juist voor de roman nú heel interessant.’

Uw Volkskrant-collega Arjan Peters zei in een special in Vrij Nederland dat de toekomst van de Nederlandse literatuur bij de vrouwelijke schrijvers ligt. Bent u het daarmee eens?

‘Simpel gezegd: ja. De meest interessante debuten van de afgelopen vijf jaar zijn door vrouwen geschreven en ik denk niet dat dat toeval is. Vrouwelijke lezers zijn al 25 jaar in de meerderheid, er zijn meer vrouwelijke critici, meer vrouwelijke hoogleraren in de letterkunde, de meeste uitgeverijen worden gerund door vrouwen.’

U schreef ooit: de Belgen zijn beter.

‘Ik weet niet of ik dat vandaag zo weer zou durven op te schrijven. Maar toen ik het schreef, een jaar of tien geleden, had ik wel gelijk (lacht). Er kwam toen een nieuwe generatie Vlaamse auteurs de Nederlandstalige boekenwereld in, die veel gedurfder schreef, meer experimenteel. Saskia De Coster, Yves Petry, Stefan Brijs, Annelies Verbeke, Peter Terrin. Dat zijn schrijvers wier oeuvres zijn gegroeid, waardoor het moeilijker is ze nog als groep te benoemen. Ik denk dat je kunt stellen dat de Nederlandse literatuur vervlaamst is, of dat de Vlamingen een meer vanzelfsprekende positie in de Nederlandse literatuur hebben ingenomen. Uiteindelijk worden alle schrijvers met de jaren normaler. Het heeft te maken met een groeiende technische kwaliteit, maar ook met de roep van het publiek. Tien jaar geleden had hoogleraar boekwetenschappen Lisa Kuitert het nog over “subsidieproza”. Dat bestaat eigenlijk niet meer. Alle individuele schrijvers denken nu, voorzover ze strategisch nadenken: ik wil lezers, het liefst zo breed mogelijk. Voor een kleine groep schrijven bevredigt steeds minder schrijvers.’

Rouwig lijkt Fortuin niet om de literatuur, in a way, vaarwel te zeggen. Werd de zwanenzang van voorganger Hans Goedkoop gekenmerkt door een combinatie van teleurstelling en ergernis, bij Fortuin zijn die persoonlijke emoties, net als in zijn recensies, ver te zoeken. Desgevraagd antwoordt hij dat als hij die meer zou hebben toegelaten hij zichzelf ‘te particulier’ had gevonden. ‘Ik ben niet daarvoor ingehuurd.’ Hij zou het vervelend vinden als mensen zouden zeggen: o daar heb je Fortuin weer met zijn obsessies. Wat niet wegneemt dat hij het wel als een persoonlijk offer ervaart dat hij nu ook zijn column in de boekenbijlage kwijt is. ‘Het was de plek waar ik onbekommerd kritiekloos kon zijn, en ik kon het literaire wereldje een beetje zieken.’

Wat leest u op het moment?

‘Ik lees even niks.’

Er toch even helemaal genoeg van?

(droog lachje) ‘Het is een experiment. Ik wil kijken wat het met me doet om een paar maanden boekloos door het leven te gaan. Hoe ziet mijn leven eruit als ik niet lees?’