Een culturele New Deal

We moeten de coronacrisis aangrijpen om de economie te hervormen en onze omgang met de planeet te verduurzamen. Maar waarom zouden we niet ook meteen korte metten maken met de survival of the fittest die de cultuursector steeds meer is gaan beheersen?

Wereldberoemd werden de foto’s die Dorothea Lange en Walker Evans voor de Farm Security Administration maakten van de abjecte armoede van door de Dust Bowl uit hun huizen verdreven landbouwgezinnen © Nils Jorgensen/REX/Shutterstock

Van Alexandria Ocasio-Cortez en Bernie Sanders tot de Europese Commissie wordt er al maandenlang gepleit voor een Green New Deal: een wereld in het teken van duurzaamheid en gelijkheid. De Britse macro-econome Ann Pettifor, die economie en ecologie aan elkaar koppelde, legde laatst in De Groene uit wat daarvoor nodig is: markten en de financiële sector moeten weer de burgers en het algemeen belang dienen in plaats van andersom. ‘Er zou veel werkgelegenheid zijn in sectoren die weinig broeikasgassen produceren, zoals de zorg, het onderwijs of in de culturele sector. En we zouden ervoor zorgen dat zulk werk gewaardeerd en beloond wordt.’

Dit verkondigde ze in het nummer van 12 maart, het laatste voordat Covid-19 het nieuws overnam, zorg en onderwijs tot ‘cruciale sector’ werden uitgeroepen en de culturele sector in een dal werd geduwd waarmee vergeleken het tijdperk-Zijlstra een strandwandeling bij lichte tegenwind blijkt.

De reflex van kunstenaars en hun managers was, geheel te begrijpen, om te gaan roepen hoe nodig, om niet te zeggen cruciaal ook zij wel niet waren. Het ding met ‘cruciaal’ is echter: als je zelf moet zeggen dat je het bent, sta je al met 5-0 achter. Volgden sympathieke, zelfs ontroerende initiatieven waarbij je dichters kon bellen, naar gestreamde opera’s kon kijken en Parijse balletdansers zag balanceren tussen potten, pannen en peuters. Misschien nog wel geliefder bij massamedia en het grote publiek waren die momenten waarop onbekende burgers zelf gingen zingen, op hun balkons, samen met buren die ze vaak nooit eerder hadden gesproken. Het was decennia geleden dat de woorden ‘kunst’ en ‘solidariteit’ zo vaak in één zin waren gebruikt.

Terwijl iedereen zichzelf zo nuttig mogelijk tracht bezig te houden, neemt de paniek niettemin hand over hand toe. Musea, boekhandels en theaters vragen zich steeds luider af hoe ze dit moeten overleven. Cabaretvoorstellingen spelen voor een driekwart lege zaal. Een bioscoop overeind houden terwijl je eerst alle bezoekers online een vragenlijst over hun gezondheid moet laten invullen. Ook instellingen en artiesten die het woord ‘precair’ enkel uit de theorieboekjes kenden, weten zich nu acuut bestaansonzeker. Het is een crisis die zelfs creatieve geesten zich nauwelijks konden voorstellen. Er lijkt ook geen enkel precedent.

Helemaal herhaalt de geschiedenis zich nooit, maar de omstandigheden tijdens de Grote Depressie waren misschien toch nog van een andere orde. In Amerika stierven mensen van de honger, ook in artiestengezinnen. Nadat Franklin Delano Roosevelt begin maart 1933 de eed had afgelegd als president, probeerde hij de crisis het hoofd te bieden met de zogenaamde New Deal. Kernstuk van dat beleid was een ambitieus tewerkstellingsproject. Miljoen mannen werden ingezet om wegen en speelpleinen aan te leggen, om scholen en dammen te bouwen en om nationale parken en bossen te onderhouden.

Het bekendste van deze tewerkstellingsprogramma’s was de in januari 1935 gelanceerde WPA, de Works Progress Administration. Wie in dienst werd genomen door de WPA verdiende het dubbele van wat een uitkering binnenbracht, maar veelal ruim minder dan wat de salarisschalen van de vakbonden voorschreven. Een uitkering (moeten) ontvangen werd en wordt in de Verenigde Staten vaak als vernederend ervaren. Behoeftige mensen een baan aanbieden nam niet alleen dat stigma weg, het had als enorm voordeel dat ze hun ambachtelijke kennis op peil konden houden en misschien zelfs vergroten. Zodra de economie weer ging draaien, zou het hele bestel daarvan profiteren.

Het tekent de brede maatschappelijke visie van de New Deal dat dit skills-argument ook werd ingezet om massaal schrijvers, muzikanten, theatermakers, designers, schilders, beeldhouwers en fotografen in dienst te nemen. Ook zij moesten hun instrumenten blijven beheersen, mochten hun talent niet laten versloffen. Integendeel: de overheid vroeg hun, in ruil voor het salaris van een gemiddelde loodgieter, die talenten ter beschikking te stellen van de hele gemeenschap. En die gemeenschap wist niet half hoezeer ze daar eigenlijk op had zitten te wachten.

Muzikanten zouden muziekles gaan geven op plekken waar men nog nooit een hobo van dichtbij had gezien. Schrijvers zouden samen bezoekersgidsen maken voor de staat waarin ze woonden; velen daarvan worden nog altijd gebruikt. Postkantoren, bibliotheken en scholen werden voorzien van vaak gigantische muurschilderingen die de lokale of nationale geschiedenis verbeeldden en daarin vaak voor het eerst zwarte mensen en native Americans een prominente plek gaven.

Tonen wat ongezien dreigde te blijven was wellicht de belangrijkste artistieke bijdrage van ‘Federal One’, zoals de WPA-kunstenprogramma’s werden genoemd. Schrijvers en journalisten trokken naar het Diepe Zuiden om in vaak ontstellend detail de levensverhalen op te tekenen van de laatste generatie die tot slaaf was gemaakt. Theatermakers zetten ‘living newspapers’ op, reizende voorstellingen waarin ze in steden en afgelegen gebieden actuele gebeurtenissen of vergeten geschiedenissen op de planken brachten, of de gevaren van tuberculose, longontsteking en syfilis demonstreerden. Wereldberoemd werden de foto’s die Dorothea Lange en Walker Evans voor de Farm Security Administration maakten van de abjecte armoede van door de Dust Bowl uit hun huizen verdreven landbouwgezinnen.

De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan de WPA en de kunstenprogramma’s, maar onderdelen ervan zouden in veel landen ingevoerd worden. Democratisering van kunst- en muziekonderwijs en de regionale verspreiding van kunst- en cultuurcentra werden ook in onze gewesten normaal. De gemeenschapsvormende waarden van Federal One raakten tijdens de Koude Oorlog echter in de vergeethoek. Jackson Pollock en Mark Rothko – beiden ex-WPA-werknemers nota bene – werden herauten van de ongebreidelde artistieke vrijheid, met dank aan de CIA, dat internationale tournees van abstracte expressionisten ging sponsoren omdat Stalin abstracte kunst had verboden. Door de groteske oververhitting van de kunstmarkt zijn hun werken vandaag zelfs voor grote musea onbetaalbaar geworden.

De digitalisering, de steeds verder opgestookte commercialisering en een in sommige opzichten en wijken dramatisch gedaald onderwijsniveau heeft de duurzaamheid van onze culturele ecosystemen ernstig in gevaar gebracht. Dat de coronacrisis nu muzikanten extra hard raakt, komt natuurlijk ook doordat de platenverkoop al was ingestort en enkel liveoptredens brood op de plank konden brengen. Boekhandels en uitgeverijen hangen veel meer dan voorheen af van toevallige bestsellers en zien met lede ogen aan hoe een steeds groter deel van de jongeren afhaakt en hun lectuur beperkt tot de ondertitels van Netflix. Ook die vele beeldende kunstenaars die in hun werk het neoliberalisme en de vernietiging van de planeet aanklagen, zijn in de praktijk verwikkeld in een hopeloos gevecht om de aandacht van galeriehouders en curatoren, hopend ooit tot the happy few te behoren wier werk veilinghuizen zal halen om vervolgens van de ene biënnale naar de andere te jetsetten.

De coronacrisis doet dat hele systeem nu voor onze ogen imploderen en het lijkt zeer de vraag of we terug moeten willen naar voorheen. En wellicht kunnen we ook niet ‘gewoon’ terug; met de noodsteun die de overheid nu ter beschikking stelt zal slechts een fractie van het aantal bedreigde instellingen en makers overeind worden gehouden.

Hoog tijd dus om het roer om te gooien en ons af te vragen op welke manier we de cultuur in onze gemeenschap het beste kunnen dienen. Als de overheid, net als tijdens de New Deal, tijdelijk op grote schaal kunstenaars in dienst zou nemen, zou niet alleen hun bestaansonzekerheid worden opgeheven, we zouden ook maatschappelijke problemen kunnen aanpakken waar we nu maar geen oplossing voor lijken te kunnen of willen vinden.

De schrijnende ongelijkheid in de kunstenwereld lijkt immers steeds meer op die tussen gewone werknemers en ceo’s van belastingontwijkende multinationals. En in beide gevallen is het een leugen om te beweren dat het verschil in essentie bepaald zou worden door inzet en talent. Sommige artiesten zullen financieel moeten inleveren wanneer ze even in overheidsdienst komen, maar niet weinigen zouden er fors op vooruitgaan mochten ze plots zo’n loodgieterssalaris ontvangen.

In ruil zouden ze hun talenten niet langer exclusief inzetten om hun eigen inzichten en verbeelding te koesteren, maar vooral ook om die van de samenleving te voeden. Acteurs, regisseurs en schrijvers die toch al niet van de pen konden leven en nu ook alle inkomsten van lezingen en optredens ontberen, zouden op grote schaal ingezet kunnen worden om die vele duizenden kinderen te begeleiden die door de sluiting van de scholen extra lees- en dus leerachterstand hebben opgelopen. Ze kunnen die kinderen voorlezen en zo hun vocabulaire vergroten, maar ze vooral ook verleiden hun verbeelding te laten prikkelen door verhalen te horen, te lezen en ook zelf te schrijven. Muzikanten en beeldend kunstenaars kunnen jongeren begeleiden die de middelen of steun van hun omgeving missen om kunstonderwijs te volgen. Auteurs en fotografen kunnen kopij leveren voor lokale en nationale media die vandaag 101 ideeën maar geen budgetten meer hebben om de crisis in hun gemeenschap te boekstaven.

Tijdens de New Deal werden kunstenaars verwacht 96 uur per maand voor de overheid te werken. De rest konden ze zelf invullen, en het werk dat ze tijdens die andere uren maakten mochten ze verkopen om zo hun salaris aan te vullen tot ze, wanneer ze geluk hadden, geen overheidssteun meer nodig hadden.

Van een tijdelijke invoering van het WPA-systeem zouden kunstenaars ook op de lange termijn profiteren: bevrijd van de moordende concurrentie zouden ze de geestelijke ruimte vinden om zichzelf te ontwikkelen. En ze zouden door hun educatieve bijdrage het potentiële publiek voor de kunsten groter en eindelijk ook meer divers maken. Al die artistieke voorstanders van de circulaire economie zouden daar dankzij de Culturele New Deal ook echt aan kunnen bijdragen.