Een daad van geweld

Ergens halverwege raakte ik je kwijt, zei de vriendin die kwam eten.
Oké, zei ik, en schraapte over mijn bord.
Er is weinig ergers dan iemand die iets over je boek zegt. Of het zou moeten zijn iemand die niks over je boek zegt.
Ik vond het best ingewikkeld, voegde ze er ook nog aan toe.
Dat kan, zei ik en constateerde andermaal dat mijn bord toch echt leeg was.
Iedereen denkt altijd dat hij in de ergste der werelden leeft. Maar toen ik laatst op een filmfestival een première bijwoonde waar de maker zelf bij aanwezig was, dacht ik: filmregisseurs hebben het ook niet makkelijk.
Nu was het een slechte film. En dat dan de halve zaal leeg loopt, tja. Daar sta je dan, na afloop, een mager applaus en een bloemetje in ontvangst te nemen. Het moest net zoiets zijn als dat je anderhalf uur lang
hebt zitten kijken hoe een grote groep mensen, vastgebonden op een stoel, zich geeuwend en zuchtend door je boek aan het worstelen is om het uiteindelijk alsnog het raam uit te keilen.
Deze filmregisseur probeerde zich met enige zelfspot nog staande te houden,
maar je zag dat hij leed. Ik denk dat hij vooral leed omdat hij zelf net zijn eigen film had gezien.
Het enge van scheppen, zei de Ierse schrijfster Edna O’Brien ooit, is dat je van niets iets maakt.
Tussen niets en iets kan er veel mis gaan.
Hoewel ik inmiddels beter zou moeten weten, heb ik nog steeds dit oerbeeld van de schrijver in mijn hoofd: hij gaat zitten en hij schrijft. Hij heeft geen honger, geen dorst, is zich niet bewust van zijn omgeving, krijgt nooit de behoefte even te gaan liggen, laat staan het raam uit te springen, hij is als een dolle, als een bezetene aan het werk en stopt pas als hij klaar is. Hij weet de hele tijd wat hij aan het doen is, waar hij op af koerst en hij draait Smile van Lily Allen als hij klaar is.
In werkelijkheid is schrijven langzaam uitgeput raken van niks.
Ik vraag er schrijvers altijd naar als ik ze interview. Hoe ze van niets tot iets komen. Wat voor de een (Arthur Japin) een volkomen empathisch proces is (‘ik denk vanuit mijn personages’), is voor de ander (Vonne van der Meer) een technisch procédé (‘ik denk vanuit scènes’). Waar de een (Thomas Rosenboom) als een mathematicus een schema aan het invullen is (‘iedere dag een pagina en die pagina leg ik dan weg’), is het voor de ander (Herman Koch) een verrassing wat er ’s avonds ligt (‘ik bedacht pas na een paar bladzijden dat hij een broer had’).
Grote gemene deler: schrijven doe je in je eentje.
Misschien een ouderwetse romantische notie, maar als ik een boek in handen krijg dat door een duo is geschreven – Elvis Peeters – wil ik het eigenlijk niet meer lezen. Ik wil toch die ene geest ontmoeten in wat ik lees. Het mag geen spelletje zijn. Of zoals Haruki Murakami het in het nawoord bij zijn roman De jacht op het verloren schaap omschrijft: ‘Het schrijven van een roman is in wezen een daad van geweld: ofwel de auteur temt de roman tot hij hem berijden kan, ofwel de roman werpt hem af en trapt hem in het stof. Ruimte voor compromissen of samenwerking bestaat hier niet. Het is zwart of wit. Erop of eronder.’
Bij het maken van een film zal dat allemaal wel anders zijn. Te veel geld mee gemoeid, te veel apparatuur ook die je als regisseur zelf misschien niet geheel in de hand hebt. En dus kan het zomaar gebeuren dat hij op die première tegen een drakerig geheel aan zit te kijken. Is dit het nou wat hem oorspronkelijk voor ogen stond?
Jean van de Velde moest huilen, zo vertelt de krant, toen hem in Cannes een staande ovatie van ruim vier minuten ten deel viel bij de lancering van de versleutelde versie van zijn speelfilm Wit licht. De film heet nu The Silent Army en schijnt een meesterwerk te zijn, en dat allemaal dankzij de bemoeienissen van een Franse filmgoeroe. Niet alleen haalde deze de muziek weg onder de dramatische scènes, maar hij veranderde ook het einde. ‘De eerste film eindigde met een uitroepteken, de tweede met een vraagteken,’ aldus de goeroe.
In feite komt het erop neer dat alles wat Van de Velde in de film had gestopt om het zijn publiek naar de zin te maken (veel Borsato, Thekla Reuten in bikini, een happy end met moralistische boodschap), er door de ander werd uitgehaald tot er een uitgebeende versie overbleef.
Opnieuw schoot het erop of eronder van Murakami me te binnen. En ik dacht: we hebben allemaal onze slagers nodig. Heb je die mentaliteit niet zelf in huis, dan moet je ’m inhuren.