Het wellnesscentrum

Een dagje Walhalla

Wellnesscentrum Zuiver in het Amsterdamse Bos lonkt met hemelse genietingen. Doeschka Meijsing ging eens rondkijken. Ze kón al niet goed tegen de woorden ‘zuiver’ en ‘welbehagen’. Daar is niets aan veranderd.

Medium wellness dick

HET IS ER VERBODEN een badpak te dragen. Heus waar. Er zijn nog een paar huisregels: dat je niet te hard mag praten en geen eten of drinken van huis mag meenemen. Maar voor de rest zal het er allersoepelst aan toe gaan. Ze zijn er namelijk voor ons, om ons het leven naar de zin te maken. Om even van alles en iedereen weg te zijn, een dag geheel voor onszelf op te eisen. Tot rust te komen, het naar de zin te hebben. Iedereen zou voor ons klaarstaan om ons op onze lichtste wenken te bedienen. Weg muizenissen!
Er is een nieuwe instelling in Amsterdam verrezen die de naam Zuiver draagt. Het is een soort sauna-fitness-zwembadgebeuren met veel bijgerechten, alles bedoeld om jezelf te verwennen en tot wellness te komen, tot een gevoel van welbehagen dat je nu eens echt verdiend hebt. Een wellnesscentrum. De woorden ‘zuiver’ en ‘welbehagen’ voelen zich niet goed in mijn nabijheid, maar omdat het the tip of the town was wilde ik daar wel eens een dagje rondkijken. Ik verheugde me eigenlijk wel op zo’n hele dag aandacht voor lijf en leden. In een prachtige omgeving, als ik foto’s op de website bekeek, modern, strak, design, niet meer dan nodig was, ja dat leek me wel wat.
Bij het inchecken aan de balie met jonge blonde meisjes was er niets aan de hand. Het was er als bij een hotelbalie midden in het seizoen. Ze hadden mijn telefoontje keurig genoteerd, ik had drie ‘arrangementen’ besteld, een pedicurebehandeling, een intensieve gezichtsbehandeling en een massage met hete stenen. De hele dag voor me.
Bij gebrek aan een beschikbare ‘gastvrouw’, die mij zou rondleiden in het gebouw, vroegen ze me vast naar boven te gaan naar de kleedkamers. Ik had geen bagage bij me, aangezien ik een dikke witte badjas en handdoek van het bedrijf in een doorzichtige plastic tas kreeg. Dat was alles wat ik van waarde bij me hoefde te hebben. Mijn tas en kleren gingen in een locker en ik kreeg er een armbandje met een elektronisch nummer bij. Alles zuiver en strak georganiseerd.
De trappen naar de kleedkamers waren in sober donkerbruin en zwart steen en het waren veel trappen. Ik heb in mijn leven heel wat trappen onder mijn voeten gekeurd en deze hoorden ongetwijfeld tot de mensonvriendelijkste, stugste, ongemakkelijkste. Ik nam me voor de volgende keer de lift te nemen. Maar de kleedkamers waren goed. Leek me. Totdat er een hele groep met mij tegelijk naar binnen kwam en ze definitief te klein bleken. Mannen en vrouwen liepen er door elkaar, maar dat stoorde niet. Wat onverkwikkelijk was, was dat je bij het uittrekken van je broek met je hoofd ongewenst tegen de billen van je naaste botste en dat er armen en benen in de knel raakten. Iedereen haastte zich zo snel mogelijk naar buiten. In het Openbare Zwembad, vroeger, noemden ze zo’n ruimte het schapenhok en je had een slechte dag als je erin terechtkwam.

WONDERLIJK GENOEG waren al die mensen in een mum van tijd verdwenen en stond ik opnieuw in een witte ruimte met hardstenen vloer, lege muren, leren witte banken en vreemde kleine vitrines die een potje crème of een tubetje of drie lippenstiftjes vertoonden, als stonden ze bij Tiffany’s. Gelukkig kwam in de doodse stilte weer even een ‘gastvrouw’ langs en ze wees me vriendelijk drie bruine, diepe trappen naar beneden. Ik was stomverbaasd. Had ik eerst vier van die monsters met hoge treden beklommen, nu moest ik die afstand naar beneden afleggen, naar iets donkers waar het paradijs zou zijn. De moed zonk me in de schoenen, hoe zat dit gebouw in elkaar? Ik zag plotseling overal alleen maar trappen, elke verdieping was met een zwevende trap behangen, een loodzware trap uit het hooggebergte van Finland, trappen in donker grijs-bruin steen, waar de reuzen nog geleefd moesten hebben, een zwaarmoedige tekening van Escher waar trappen op en af en in elkaar gaan, beklommen door een leger naakte trollen in badjas, capuchon op het hoofd, die zich hopeloos trap op trap af moeten bewegen, de hele dag, waarvoor weet niemand. Er was, zei de gastvrouw, geen lift.
Het gevoel van welbehagen was met mijn alpine-oefening wel enigszins aan het tanen, maar ik hield de moed erin. Ik moest en zou dat welbehagen vinden. Ik betaal ervoor!
Eenmaal beneden, in het epicentrum van het Walhalla, keek ik met grote ogen om me heen. Ik bevond me in een onderaardse, druipende ruimte in bruine en zwarte kleuren, met hier en daar een toefje turquoise, waar het ruiste en ritselde en stroomde en stoomde en borrelde. Een overweldigende indruk van water dat zich probeerde te settelen. Langs de wanden van de onderaardse ruimte waren nissen gemaakt, waar mensen binnengingen om zich te scharen rond enorme gloeiende vuren. Er waren twee ronde baden met turquoise ondergrond. De vloer was van zwarte keitjes gemaakt. Er was weinig licht uit spotjes. En in het midden, pontificaal, majestueus, lag het donkere, doodstille oppervlak, door geen engelvleugel in beroering gebracht: het zwembad. Brede stenen trappen leidden naar het water, dat in de breedte gemiddeld was, maar zich in de lengte uitstrekte, in de buitenlucht, als de omvangrijke afstanden van de paden van de tuinen van Versailles.
Maar niets Finse bergreuzen of trollen, niets elegante tuinen van Versailles. Toen ik omhoog keek, trof mijn blik een omfloerste voile van niets, maar als je even wachtte tot je scherp kon zien, zag je dat het dak zo hoog en ver verwijderd was dat je net zo goed de lucht in kon kijken, of het niets. En dat dak werd gesteund door twee maal zeven pilaren, die met hun zware voeten in het zwembad rustten. Nu had ik ook een vermoeden waar het idee van de bouwers naartoe was gekronkeld: naar een Romeins badhuis, precies zoals in de rijkste jaren van het Imperium Romanum. Een atrium, mooie jongemannen die naakt en languïde op de trappen van het zwembad lagen, senatoren en filosofen die het oog te goed deden, terwijl ze zich met elkaar onderhielden. Mooie atleten die zich aan het vuur hadden gestaald. Een beetje zoals Jacques Martins stripfiguur Alex in onveranderlijk onbegrijpelijke verhalen altijd in getekende juwelen van de Romeinse architectuur figureert.
Het was adembenemend, zo hoog, zo monumentaal. Meedogenloos doorgevoerd tot in alle hoeken en gaten.
Ik heb al veel voetstappen liggen in de Romeinse baden van Europa. Van Bath tot Baden-Baden, van Vaison la Romaine tot aan het kleinste stadje in Umbrië, van Volubolis in Noord-Afrika tot aan de thermen in Efese en de thermen van Caracalla in Rome. Die laatste kwam misschien het dichtst bij het volume van Zuiver. Maar in de eerste werd in mijn tijd dan ook op zomerse nachten Aïda van Verdi opgevoerd, compleet met levende kamelen. Heel Rome liep er voor uit.
Ietwat bekomen van ontzag voor de omvang tuurde ik de bruine stenen wanden af om te kijken of er ergens een kop koffie te krijgen was. Tot mijn schrik bemerkte ik dat er overal langs de muren trappen hingen, van die bruine, van die hoge, die als spinnenwebben tegen de wanden hingen. In de ruimte van het atrium zelf was niets te krijgen. Er was geen krantenstalletje, geen frisdrankenautomaat, zelfs geen Spa-blauw leverend tonnetje. Je kon nergens zitten. Ja, op de talloze stenen trapjes die je op en af liep, op de brede treden van het zwembad, in een van de turquoise, roosgekrulde bubbelbaden. Maar verder liep men rond, naakt of in badjas, men liep wat en verdween weer in een van de vele Cro-Magnon-grotten. Er was geen enkele belangstelling voor elkaar, je nam niet de moeite de gezichten te bekijken, ’s mensens naakte lijf was van geen betekenis voor een ander. Er hing een a-erotische sfeer.
Ik vatte moed en begon aan de klim van vier steile, hoge trappen, op weg naar de heerlijke kleine hapjes waarmee de website me lekker had gemaakt, in de nok van het gebouw. Geen mens heeft een idee hoe verdomde lastig het is om vier trappen te lopen waar de hoogte van treden telkens verschilt. Kortom, ik kwam buiten adem in het restaurant. Het was een zelfbedieningsbuffet. Ik nam de enige soep die er was, preisoep, en een van de drie salades die er stonden: bieten, komkommer of selderie. De soep was lauw en te dun. Ik hoorde een dame een roerei terugsturen naar de keuken, omdat het te zout was om te eten. Het meubilair was spierwit, met tafeltjes en stoeltjes die naar Ikea zweemden. Geen versieringen. De loungeruimte ernaast bestond uit twee lange rijen met wit leer beklede banken, naast elk bed een wit schemerlampje, op de millimeter in de rij, een niemendalletje van een stokje, zo uit het tafelblaadje, met een klassiek kapje erop. Ik dacht dat ik gek werd.

EENMAAL WEER beneden dacht ik dat het tijd werd dat ik iets ging doen. Ik betrad de sauna, voelde de aangename warmte op mijn schouders neerdalen. Ik was klaar om te genieten en te zweten. Na twee minuten vond ik het toch wel erg warm worden voor een sauna. Ik hield het nog twee minuten uit en vluchtte naar buiten, mijn handpalmen brandend aan de stang van de deur. Ik moet er echt uit zijn komen tuimelen, want een passerend meisje zei: ‘Dit is de Finse sauna. De gewone is boven.’ Ze wees een trap aan. De Finse sauna, negentig graden Celsius, hebben die reuzen uit het Noorden een ander vel? Ik nam een koud dompelbad en een douche die bestond uit een metershoge watermuur. Het was harde regen waar je je in bevond, maar met een druk op een knop kwamen er hagelstenen naar beneden, keiharde ijsblokjes die gevoelig terechtkwamen. Ik beschermde mijn hoofd met mijn handen en vluchtte ook de waterval uit. In een van de rosettes plaatsnemen voor een licht bubbelbad, daar was ik aan toe. Er zaten al meisjes in die over hun werk praatten. Nu is het probleem met lichte bubbelbaden dat ze na korte tijd al ontzettend beginnen te vervelen. Ik nam het zware bubbelbad aan gene zijde van het zwembad. Het probleem met zware bubbelbaden is dat ik me vast moet klampen om niet te worden meegesleurd.
Ik nam nog een stoombad en een afkoelbad, ik kwam in de hamam terecht waar je moest reserveren en toen ging ik zwemmen. Het wateroppervlak had al die tijd roerloos en donker op me gewacht. Er waren heel wat mensen, maar niemand ging zwemmen. Ik zwom het bad in de lenterichting uit, verschoof de zware plastic gordijnen en bevond me in de buitenlucht. De stoom hing boven het wateroppervlak. Het stormde en de luchttemperatuur was zeven graden. Het hele eind en terug. Het was de moeite waard.
Bij het terugzwemmen viel ik in een diepe teleurstelling. Het wellnesscentrum was een product van de harde tucht en de zelfkastijding en niet gehuisvest in een passende jas, nee, het was gewoon gebouwd als een schuur, een boerenschuur waar ’s morgens de koeien uit werden gelaten en de tractors ronkten. De boer had tegen zijn zoon gezegd: hier, teken de schuur van buurman Biesbos zo nauwkeurig mogelijk na, trek dan iedere lijn met een factor vier door en je hebt Zuiver, de roep van de stad. Het leek of ons een poets werd gebakken.

WEER BINNEN in de duistere spelonken van het centrum bleek dat ik me had vergist. Dit was geen bouwsel naar Finse paleizen uit de oertijd, dit was evenmin een getrouwe kopie van een groot Romeins bad. Dit was een fascistisch bouwwerk, voor mijn part een neofascistisch bouwwerk, een uiting van macht en kracht, een ontzagwekkende droom van de kleine man, een fata morgana van geweldige proporties. Ik haast me om te zeggen dat ik niet zo veel heb tegen fascistische architectuur. In Italië loop je geregeld kleine provinciestadjes binnen waar het plaatselijke marktterrein een aanzienlijke verbetering heeft ondergaan onder een van de zwarthemdburgemeesters. Maar dit… dit was te groot, te plomp… kijk eens naar de pilaren, die betonnen kolossen… dat prieeltje dat niet lieflijk maar te lomp is uitgevallen… de harde toon die hier heerst, geen druppel, geen nootje, geen bankje ook al was het dan van steen. De mensen die er rondliepen, van alle maten en soorten en leeftijden, waren figuranten in gelijke witte toga’s. Ze waren klein, ze zouden altijd klein blijven binnen deze machtige proporties. Het waren geen individuen meer, maar noodzakelijke klapstukken. Er werden geen gesprekken over en weer gesloten. Hun stemmen verdwenen in de eeuwige, machtige ruis van het water. Anoniem, zuiver.
Ik was eerlijk gezegd blij dat ik me uit die naargeestige beklemming kon losmaken. De twee trappen die de hele dag een dreiging achter mijn rug waren geweest, moesten weer beklommen worden, ongelijke treden of niet. Bij een tussenbalie kon ik mijn ‘behandelingskaarten’ laten zien die recht gaven op respectievelijk een voetbehandeling, een lichaamsmassage met ‘hot stones’ en een gezichtsbehandeling. De ‘behandelingen’ vonden plaats in piepkleine witte kamertjes door niet uit elkaar te halen blonde meisjes, vakspecialisten natuurlijk. Alles was gewoon en vriendelijk als bij de kapper, ik liet ze hun gang maar gaan. De massage met de hot stones was prettig, buitengewoon prettig. En juist begon ik weer een beetje vertrouwen in het leven te krijgen, toen mijn massagemeisje met een offensief begon waar ik niet tegen bestand ben, nooit tegen bestand ben, hoezeer ik mezelf er ook om misprijs.
Het begint met een onschuldig vraagje. Of ik ook dat en dat merk cosmetica uit Italië ken. Ik tast mijn hoofd af en zeg van niet. Zij zegt dat het een van de bekendste merken van Italië is. Ik weet zeker dat het dat niet is en zeg dat Italië niet zo hoog scoort op de ranglijst van cosmetica-artikelen. Ik wil juist een tirade afsteken over hoe de maffia zich van alle grote merknamen meester maakt, een andere naam geeft en voilà, de handel is gesloten. Maar ze onderbreekt me kordaat en zegt: dit merk niet, dit is het allerbeste, voelde u niet hoe diep de crème in de gezichtshuid doordrong? En het toeval is dat we net een exclusieve aanbieding hebben die 65 euro korting geeft, dus dat is heel wat. Ja, zeg ik, dat is heel wat en ik koop het potje, dat de honderd euro te boven gaat. Ik krijg er een nutteloos en lelijk koffertje bij en loop als een lam de deur uit. Dit trucje, dit zo eenvoudige trucje, ik krijg het niet onder de knie.
Dan ben ik eindelijk vrij, zo voelt het. Ik kan me in de kleedkamer weer aankleden, al betekent dat dat ik opnieuw mijn hoofd in het zeer grote achterwerk van een zeer grote man moet duwen. Het is drukker geworden, gasten lopen door elkaar, van alle soorten, van alle leeftijden. Weer twee trappen lager betaal ik de rekening, die boven de driehonderd euro uitkomt. Dat is even slikken, maar ik trek een effen gezicht.
Buiten in de koude regen vraag ik me af wat mensen bezielt om voor zoveel geld een dagje welbehagen te kopen. Ze zoeken fun, of ze zoeken gala, of ze zoeken mysterie. Maar dit! Dit Zuiver dat de pretentie heeft zuiver te zijn, zonder fratsen, tot op de blootgelegde kern. Dit Walhalla dat opgetrokken is uit gewelddadig steen, dat enorme dromen van macht en heerszucht verraadt, zonder maar een jota toe te geven aan de toch alleraardigste mens, die er verlaten in ronddwaalt. Wie haalt daar een greintje welbehagen vandaan? En wie gaat het in deze boze droom van een bollenschuur met een neofascistisch hoogaltaar zoeken?