Interview: Aya Zikken (1919-2013)

Een dame in de dessa

ZE STROOIT ZE door alles wat ze vertelt, de woorden ‘hier’ en ‘daar’. Het zijn van die simpele, haast onschuldige woordjes, maar ze staan voor werelden, staan voor haar hele leven. ‘Daar’ is Nederlands-Indië, het land waar Aya Zikken (1919) als bijna zevenjarig meisje naar werd verscheept. Het land van de groene klapperbomen en palmbossen, van de houten kamponghuizen, weelderig begroeid met bougainville en hibiscus, van de witte stranden en het blauw van de Indische Oceaan en de Zuid-Chinese Zee. ‘Hier’ is Nederland, waar Zikken in 1939 naar terugkeerde.

Medium 9789059373402 fcovr

Vanaf het moment dat haar wortels zijn losgetrokken uit de Gelderse klei, hebben ze nooit meer ergens vaste grond gevonden. Haar hele leven wordt ze heen en weer geslingerd tussen hier en daar. Haar Hollandse dromen gaan over Indonesië, haar romans en reisboeken cirkelen rond de eilanden van vroeger, en in de verre reizen die ze sinds 1980 maakt is ze op zoek naar de verloren tijd.

‘Je koestert natuurlijk altijd bepaalde wrokken tegen je ouders’, zegt Aya Zikken, 'maar ik ben heel dankbaar dat ze zijn weggegaan uit het Gelderse Epe, en dat ik mijn jeugd daar heb doorgebracht. Dat hebben ze me toch maar mooi gegeven. Mijn vader was gouvernementsambtenaar. Om de twee jaar verhuisden we naar een andere plaats. Toen ik net was gewend aan het havenhotel waar we na aankomst logeerden, vertrokken we naar Bandoeng. Twee jaar later woonden we in Lahat, een primitief dorpje in de wildernis van Zuid-Sumatra. Na twee jaar verkasten we weer naar Java, naar een stad met een hbs. In mijn gevoel waren we voortdurend op doorreis: koffers inpakken, koffers uitpakken, vrienden maken, vrienden achterlaten. Het heeft als nadeel dat je eraan went afstand te houden, want je moet straks toch weer afscheid nemen. Je went eraan niet te wortelen. Het voordeel is dat je met heel veel verschillende ervaringen, entourages en mensen te maken krijgt.’

INDIE WAKKERT NIET alleen haar zwerflust aan, het land voedt ook haar verbeeldingswereld.
Als kind had ze veel te maken met bedienden, met 'inlanders’, zoals dat toen heette. Het waren mensen die verhalen vertelden. Zoals haar baboe, de oude frouw Jot uit haar boek De atlasvlinder, die met gekruiste benen naast haar bed ging zitten en door het witte gaas van de klamboe heen angstaanjagende verhalen opdiste over slangen die zich als wandelstok vermommen en je als een rollende hoepel achtervolgen wanneer ze van je schrikken, over mieren die ’s(nachts de keel binnendringen op zoek naar de resten suiker op de tong van het meisje dat stiekem snoept in bed, of over de eerste vrouw op aarde die met haar hond in een onzichtbaar glazen huis woonde en pas ontdekt werd door een vorst toen haar hond hem in zijn been beet.
Aya Zikken mist de verhalen het meest. 'Mensen vertellen hier geen verhalen. Ze vertellen wat ze hebben gedaan. Ze zeggen: “Ik ging op lijn 16 en ik moest heel lang wachten…” Ik denk dan altijd dat er een verhaal komt, maar er volgt alleen een nauwgezet verslag van wat er op zo'n dag is gebeurd. De Indonesiërs hebben een enorm gevoel voor dramatiek, ze maken van alles een verhaal. Het was natuurlijk een vorm van tijdverdrijf. Ze kwamen na het eten in de kampong bij elkaar en gingen in een kring zitten. Iemand stond op, meestal een oude vrouw of man, en begon een verhaal te vertellen. Als ze officieel christen waren geworden door de missie hielden ze nog altijd hun goden en godinnen en boomgeesten in ere.
Ik heb geleerd een kampong binnen te lopen en verhalen te voorschijn te krijgen. Je hoeft maar naar een bepaalde boom te kijken en te laten merken dat je denkt dat het een speciale boom is, waar vast een verhaal aan vastzit. Dan zeggen ze eerst: “Nee, wel nee.” Dan volgt: “Of bedoelt u misschien?” En dan komt er een verhaal over die boom. Het vertellen bestaat nu nog steeds, maar alleen in de buitengewesten. Je moet natuurlijk niet ergens komen waar het misschien wel heel arm is, maar waar de mensen televisie hebben. Ik denk dat alles met de komst van elektriciteit en telefoon en televisie en radio verandert. Over een tijdje is het vertellen van verhalen helemaal verdwenen.’
In de reisboeken die Zikken vanaf 1981 publiceert, zijn de palmbomen en stranden vooral het decor van de verhalen die ze optekent. Ook in het boek waar ze nu aan werkt, over Tanimbar en Kei, geeft ze vooral levensverhalen weer. 'Hier gaat mand als hij met een probleem rondloopt naar de Riagg’, vertelt Zikken. 'Daar bestaat zoiets niet. De mensen hebben daar een adat, een gewoonte dat ze elkaar niet lastig mogen vallen met hun problemen. Ze wonen dicht bij elkaar in de dessa en komen dagelijks met elkaar in aanraking. Er zijn allerlei manieren om geen overlast te veroorzaken. Ze bewegen zich elegant en licht, opdat hun lichamelijke aanwezigheid niet stoort. Maar ook hun geestelijke aanwezigheid mag niet storen. Als zij dus iemand tegenkomen van wie zij denken dat die over twee dagen weer weg is, dan is het een geweldige gelegenheid om even hun hart te luchten.’

HAAR KINDERTIJD IN Indië is ook zelf een verhaal geworden. In De atlasvlinder, de roman waarin Aya Zikken in 1958 haar tropische jeugd verwerkte, vertelt ze over het pubermeisje Gembyr, dat bij haar groei naar volwassenheid de verhalen achter zich moet laten. In Gisteren gaat niet voorbij, een roman uit 1974 die als ondertitel 'Tempo doeloe’ heeft, schrijft ze over mensen die in gedachten nog steeds in de goede oude Indische tijd leven, al bestaat die tijd louter als verhaal. 'Verhalen’, laat ze een van de personages zeggen, 'wij zijn alleen nog een bundel verhalen, blij als we ze mogen vertellen.’
De 25 boeken die Zikken inmiddels schreef, vormen samen het mozaïek van de verloren tijd. Alle verhalen vertellen bij elkaar het grote verhaal over daar en hier. Telkens weer roept ze het landschap van de tropen op. In verschillende romans wijdt ze uit over haar eerste verliefdheden op inheemse jongens. Zoals in Raméh, verslag van een liefde (1968), waarin de wereld een veilige, ommuurde tuin is, totdat ze toelatingsexamen moet doen voor de hbs en een verhuizing dreigt. Ze maakt expres fouten en hoopt dat ze zakt, 'als een baksteen’. En ze verhaalt over de vrijheid in Indië. Een mooi symbool daarvoor zijn blote voeten: het blanke meisje trekt haar glimmende lakschoentjes uit om bergen te beklimmen en tochten door de rimboe te maken.
'Ik zie het ook in boeken van anderen over Indonesië’, zegt Zikken. 'We maakten vooral gebruik van het middagdutje dat we moesten doen. Geen kind ging slapen. We klauterden het raam uit en deden wat we wilden. Ik heb dingen gedaan waarvan ik niet begrijp dat mijn ouders het hebben toegestaan. Als kind ging ik bijvoorbeeld naar de rivier. Ik bouwde een vlot en voer naar een onbewoond eiland toe. Ik denk dat ze helemaal niet wisten wat je uitvoerde. Hier bestaat een deel van het huishouden uit het letten op en vermanen van de kinderen. Daar werd de zorg voor een groot deel uitbesteed, maar ook de Indische bedienden trokken zich weinig aan van de regels die de Nederlanders stelden. Ze gingen er niet regelrecht tegen in, maar als ze iets konden doen waar geen haan naar kraaide, dan deden ze dat. Je groeit op met het idee: ik kan doen wat ik wil, maar ik moet zorgen dat geen haan ernaar kraait.’
De Tanimbar-legende (1992) bevat in zekere zin het levensverhaal van haar vader na zijn verblijf in een jappenkamp. In 1939 ging de familie op verlof naar Nederland. Haar vader boekte direct de terugreis; hij kon niet meer aarden in zijn oude vaderland. Zij bleef alleen in Nederland achter. 'Mijn vader heeft er natuurlijk niet veel bij gewonnen toen, want hij kwam in een kamp terecht. Het is maar de vraag wat erger was. Voor hem was het misschien beter.’
Toen haar vader, moeder en zusjes na de oorlog terugkeerden, waren ze er erbarmelijk aan toe. Toch vertrok haar vader weer naar Indonesië. 'Hoe hij dat gedaan heeft gekregen is een raadsel. Iemand die net drie maanden uit een kamp is, krijgt niet meteen een baan. De omstandigheden daar waren slecht, en hij was natuurlijk niet zo erg fit. Hij heeft zich er niks van aangetrokken. Hij is gewoon gegaan, in zijn dooie eentje.’
Alleen zijn laatste jaren sleet hij in Nederland. 'Heel tragisch’, zegt Zikken. 'Hij had zich voorgesteld dat hij de laatste jaren van zijn leven lekker in een huisje op de poentjak zou zitten. Nu zat hij in een pensionnetje in Zeist. Het is net alsof iemand de gevangenis in moet. In De Tanimbar-legende laat ik Johannes, die veel weg heeft van mijn vader, doodgaan op het eiland. Dat einde had mijn vader verdiend. Ik heb eventjes voor God gespeeld.’

AYA ZIKKEN VOELDE zich zelf ook allerminst thuis in Nederland. 'Ik heb een hele tijd alleen maar kunnen denken: wanneer gaat de boot terug’, vertelt ze. 'Ik was nog ongeduriger dan mijn vader, ik wilde linea recta terug. Ik verbleef bij een familie in Zeist. We zaten met z'n allen rond de tafel en er werd gesproken over het lampje van de overbuurman dat de hele nacht had gebrand. Er kwam een kopje koffie, en een tweede kopje koffie. Het was nooit één keer of drie keer koffie, het waren altijd precies twee kopjes. Alles was afgepast. Eén chocolaatje. Om tien uur ging je naar bed. Ik voelde me alsof ik in de val was gelopen. We gingen helemaal naar Holland, ik dacht dat we weer een nieuw avontuur gingen beleven. Maar het was geen avontuur, je kwam ergens vast te zitten, en dat was het dan.
Het enige lichtpuntje van Nederland vond ik het groen van de bomen in mei. Ik had nog nooit gezien dat iets zó groen kon zijn. Het duurde maar een maandje.’
Ze had verschillende baantjes, trouwde en kreeg twee dochtertjes - Indië lag verder weg dan ooit. Op haar vierendertigste publiceerde ze haar eerste boek. 'Ik was een wat verlegen kind dat verhalen schreef in schriftjes en dagboeken bijhield. De ommekeer kwam in het begin van de jaren vijftig, als een soort protest tegen het feit dat ik met handen en voeten gebonden was aan het huishouden en de kinderen. Mijn man kreeg griep, daarna kregen m'n kinderen griep en ik rende heen en weer. Toen ze beter waren, dacht ik: nu ben ik aan de beurt. Ik ben drie dagen in bed blijven liggen en heb de novelle Het godsgeschenk onbegrepen geschreven. Het was het eerste dat kant en klaar was. Ik wist niets van schrijverskringen en uitgevers. Ik heb een lijst gemaakt van a tot z, die begon met De Arbeiderspers. Daar werd het manuscript meteen aangenomen.’
Indië kwam dichterbij toen ze eind jaren vijftig een reisbeurs kreeg om naar Israel te gaan. 'Die reis heeft een enorme rol gespeeld. Israel was voor mij het warme land waar alle mogelijkheden lagen en waar iedereen je niet meteen zo op je huid zat. Het trekken door de woestijn en het contact met de bedoeïenen, leek op wat ik vroeger had gedaan. Toen ik voor het eerst in Israel kwam, kon ik gewoon bij Ben Goerion zelf op bezoek gaan. Hij en zijn vrouw Paula zaten op de treeplank van hun auto, zo'n ouderwetse auto, in pyjama, want ze hadden net een dutje gedaan. Je kon naar de Knesset. Aan iedereen die je wilde ontmoeten werd je voorgesteld. Ik had daar voor het eerst weer het gevoel van vrijheid dat ik uit de tropen kende. Je kon ’s(avonds de straat op zonder vestje of jasje en kon dan de warme lucht langs je huid voelen. Ik kreeg er een enorm heimwee naar Indonesië.
Mensen moeten wel weten wat ze doen als ze je een reisbeurs geven’, peinst ze. Ze praat er niet graag over, maar de reis veranderde haar leven. Ze trok in een kale huurkamer en ging bij haar man weg. Niet lang daarna overleed hij. 'Ik leerde in Israel dat er verschillende persoonlijkheden in jezelf zitten en dat ik maar met een kleine, afgeperkte persoonlijkheid leefde in Nederland. Zo kon ik me handhaven en mijn bestaan rondkrijgen. Opeens merkte ik dat er een heleboel andere dingen zijn die ik zou willen en kunnen doen. De kinderen waren tieners, ik had niet meer het gevoel dat ik ze vreselijk in de steek liet. Ik nam de beslissing om een klein kamertje op het Daniel Meijerplein over te nemen van een vriendin die daar vijf of zes jaar medicijnen had zitten studeren. Dat piepkleine kamertje, zonder verwarming en niks, was voor mij vrijheid.’

ZE WAS STRAATARM in die tijd, wat ook blijkt uit haar baldadige autobiografische roman ’s(Morgens en ’s(avonds niet bellen (1969). 'Ik vond het een idioot idee om alimentatie te krijgen. Ik was ervan overtuigd dat ik voor mezelf kon zorgen, maar hoe dat moest wist ik niet. Achteraf bezien was het onverstandig. Ik heb een periode gehad dat ik niets anders in huis had dan een zakje gedroogde erwtensoep waar je water bij moest gieten. Op de Weesperstraat kocht ik een goedkoop soort jenever. Ik leefde op die combinatie van jenever en erwtensoep. De kinderen kwamen na schooltijd naar me toe en moesten zelf hun thee meebrengen, anders kon ik geen thee zetten. Ik heb toen een tijd geleefd van de duizend gulden die ik kreeg voor de vertaling van De atlasvlinder in het Duits. Dat was toen een enorm bedrag, waar ik heel voorzichtig van leefde.
Ik had een geweldig schuldgevoel. Het werd ook niet geaccepteerd. Ik herinner me dat ik een vrouw van de tennisclub tegenkwam en goedendag zei. Ze hield haar handen achter haar rug om mij geen hand te hoeven geven. Ik was degene die van huis was weggelopen. Niemand kon er ook maar enig begrip voor opbrengen. Niemand begreep ook wat er aan de hand was. Ik kon er ook met niemand over praten.’

TOCH WAS AYA Zikken eind jaren vijftig, begin jaren zestig zeer succesvol. Haar roman Alleen polenta vandaag (1954), die in Italië speelt, beleefde herdruk na herdruk. De atlasvlinder werd door Jan Greshoff een van de belangrijkste Nederlandse boeken van die tijd genoemd. Ze kreeg er in 1961 de Boekenmarktprijs van de Bijenkorf voor. En ze deed ook nog eens mee aan het populaire televisieprogramma Hou je aan je woord, waarin ze tussen grootheden als Godfried Bomans en Victor van Vriesland quizvragen moest beantwoorden en limericks maken. In ’s(Morgens en ’s(avonds niet bellen onthulde ze dat de snedige spontaniteit fake was. Alle rijmpjes en antwoorden waren van tevoren grondig gerepeteerd.
'Als ik op straat liep, riepen ze soms: “Hé, Aya!”(’ herinnert ze zich. 'Ik heb een keer aan de kinderen gevraagd: “Vinden jullie het eigenlijk wel goed dat ik schrijf?” Ik wilde graag goedkeuring hebben. Mijn kinderen zeiden: “Het is allemaal heel leuk wat je doet, maar je moet nooit zo beroemd worden als Doris Day.” Zij was in die tijd het toonbeeld van een beroemde vrouw die niets kon doen zonder dat het in de krant kwam. Maar ik herinner me het succes helemaal niet. Ik vond het een moeilijke tijd.’
Ze woonde in die tijd ook nog in de Eerste Rozendwarsstraat, in onderhuur bij Gerard Reve. Hij beschreef Aya Zikken ergens als iemand die door het leven geslagen was. Ze was dan wel een trut, maar hij zou niet zoveel last van haar hebben. Ze moet er hartelijk om lachen. 'Het was een klein en schots en scheef huisje, maar het was mijn eerste zelfstandige woning. En Gerard was eigenlijk altijd heel aardig. Hij zette regelmatig een fles wijn voor mijn deur en sjouwde altijd voor mij het vuilnisvat naar beneden, een heel steil trapje af. Als hij een boekje uit had, legde hij het op de vuilnisbak. Dat huisje is ingestort. Op een gegeven moment kwam ik van de tandarts, het straatje in en toen zag ik allemaal mensen staan. Ik dacht nog: niet denken dat het jouw huis is, want dat denk je altijd. Maar het was toevallig wél mijn huis.’

PAS NA VEERTIG jaar zou ze teruggaan naar het land van haar jeugd. Daarvoor waren er te veel praktische en morele bezwaren: de kinderen waren te klein en ze had geen geld. In 1980 kreeg ze een reisbeurs en kon ze de bedevaart maken naar Lahat, het dorp in het zuiden van Sumatra waar De atlasvlinder zich afspeelt. Ze bekent in Terug naar de atlasvlinder, het boek waarin ze verslag doet van haar pelgrimage, dat ze dacht dat ze het verhaal van haar kindertijd had afgesloten door er een roman over te schrijven. Dat was niet zo. Het 'daar’ was altijd om haar heen gebleven; het werd nu tijd om de herinnering te toetsen en het oude houten huis weer op te zoeken, de kampong te zien en de rivier de Lematang, waar het onbewoonde eilandje in lag. En om te kijken of de verweerde rotanstoelen er nog stonden, de reuzenboom Ygdrasill en het theepaviljoentje van de assistent-resident.
In Terug naar de atlasvlinder beschrijft Aya Zikken hoe ze zichzelf in bescherming nam tegen het weerzien. Ze zou in gedachten af en toe heel hard 'nou én’ tegen zichzelf zeggen. 'Ik had een heleboel ervaringen gehoord van mensen die vertelden dat het tegenviel’, licht ze toe. 'Maar die mensen gingen allemaal met het idee dat ze weer in de situatie van hun jeugd terecht zouden komen. Dat kan natuurlijk niet. Je kunt die jeugd niet terugvinden. Ik denk dat je wel hoopt dat je iets terug kunt krijgen van de manier waarop je dingen beleeft in je jeugd. Iets voor de eerste maal te zien. Af en toe lukt dat ook. Er huizen zo ontzettend veel mensen in één persoon. Het is eigenlijk een wonder dat er altijd maar een paar uitkomen.’
Na haar terugkeer naar Indonesië lijkt haar leven letterlijk op 'reizen met een zware koffer die steeds lichter wordt’, zoals ze een van de personages in De atlasvlinder het leven laat definiëren. Na haar zestigste heeft ze zich ontpopt als een verwoed reizigster. Juist haar reizen laten haar onvermoede kanten van zichzelf ontdekken. Dan zit ze opeens in een Maleisische prauw tussen twee norse moslims als de motor afslaat. Ze reist op de verkeerde dag en heeft zich dus niet aan de adat, het gewoonterecht gehouden. Het is haar kuwung, haar slechte voorteken, dat de boot heeft stilgelegd. Als ze spontaan een blikje cola en een pak bami aan de geest van de zee offert, slaat de motor weer aan.
Of ze wordt beroofd in Jakarta. 'Je krijgt natuurlijk ook met teleurstellingen te maken. In Jakarta probeerden twee jongens op een motorfiets mijn schoudertas af te pakken. Mijn theorie is: het is allemaal bezit, ik ga daar geen risico voor lopen. Maar ik werd zo verschrikkelijk kwaad. De jongens vielen en ik begon erop te beuken, op twee van die jonge kerels die allebei ook nog behoorlijk lang waren. Ik vind dat achteraf behoorlijk dom. Ik zou het ook nooit meer doen als ik de tijd kreeg daar over na te denken.’
'Jouw bloed is ongemengd, maar je geest is gemengd. Je hoort niet daarginds waar je heen gaat en niet hier waar je vandaan komt’, laat Aya Zikken in De atlasvlinder iemand tegen haar zeggen. Ze voelt zich, zegt ze, nog steeds ontworteld. Hier verlangt ze naar daar, maar daar kan ze alleen 'gast’, bezoeker zijn. Pijnlijk vindt ze dat allang niet meer. 'Ik kan het niet scheiden van het ouder worden. Bij het ouder worden heb ik het gevoel dat de afstand tot andere mensen een beetje vermindert. Ik besef nu dat er altijd zoveel dingen zijn in een ander die ik zelf ook heb. Margaretha Ferguson heeft een boek geschreven dat Daar wonen nu andere mensen heet. Ze had het misschien nog sterker moeten stellen: de mensen die daar wonen zijn anders. Sommige mensen die in Indië hebben gewoond denken dat het land wordt bevolkt door oud geworden bedienden, maar de mensen daar hebben iets afgelegd. Ik vind het verschil veel minder geworden.’

EN DE OOSTERSE MYSTIEK dan? vraag ik. Die speelt in sommige van haar boeken, bijvoorbeeld in De polong (1994), een belangrijke rol. 'Daar mag je nooit over praten hier’, zegt ze. 'Anders verschijnt er meteen een boos stuk van Rudy Kousbroek over. Als je met de mystiek bent opgegroeid, gaat dat ook nooit helemaal weg, maar het gaat samen met de nuchtere westerse instelling die natuurlijk ook altijd blijft. Ik pas noch in de ene noch in de andere wereld. Ik leef tussen die werelden in.
Laatst zei iemand me: “Nu moet je eens precies vertellen wat je gelooft, je moet eens stelling nemen.” Ik antwoordde dat ik geloof dat er een onbegrijpelijke schepper is en een onbegrijpelijke schepping. Wat mij het voornaamste lijkt, is dat er een vrije wil was die nu maakt dat iedereen krijgt wat hij zelf gelooft. Christenen geloven dat ze als ze sterven naar de hemel gaan om op een wolkje op een harp te spelen; boeddhisten evolueren, maar dat is nooit genoeg; hindoes reïncarneren en atheïsten keren terug als het stof aan de wegkant. Het ene ogenblik denk ik: ik zal wel terechtkomen als het stof aan de wegkant, dat lijkt me het meest aannemelijke. Maar ik heb momenten dat ik denk: leuk idee om te reïncarneren. Wat zou ik dan zijn? En eindeloos evolueren lijkt me zo gek niet, dan heb ik lekker veel tijd. Alleen dat op een wolkje zitten lijkt me niks.
Op de televisie vroegen ze me een keer wat ik een leuke manier zou vinden om dood te gaan. Het leek me leuk, zei ik, om schipbreuk te lijden in de tropen en aan te spoelen op een palmeneiland. Mijn laatste reis was ik in de Riau-archipel en het was net het verkeerde seizoen. Er waren hevige stormen en hoosbuien. Op een verkeerd tijdstip ben ik met een bootje de zee op gegaan omdat ik terug wilde naar het vasteland. Toen heb ik een mini-schipbreukje beleefd. Toen we eindelijk aan land spoelden - het schip werd min of meer op het strand geworpen - maakten de twee andere passagiers zich snel uit de voeten. De eigenaar van het schip begon te redden wat er nog te redden was. Ik stond daar alleen, op het strand met een ontwrichte knie en een pijnlijke heup en moest een heel stuk naar het volgende plaatsje lopen. Niemand hielp me. Geen schipbreuk, dacht ik toen. Laat me maar gewoon hier thuis sterven. In bed.’