Een dansende-mannenvoorstelling

Als we binnenkomen is de voorstelling al begonnen. Drie mannen staan op een stapel tonnen. Die tonnen worden omgetrapt. De mannen hangen nu aan koorden. Ze beginnen te zweven. Als parachutespringers in een vrije val. Daarna zakken ze tot vlak boven de toneelvloer.

Er begint een dans die geen dans is, iets tussen van-de-grond-loskomen, vliegen en zweven in. Wij blijven ondertussen permanent de ‘toneeltruc’ zien (het koord waaraan de dansers vast zitten), en we vergeten dat koord ook weer, door de sensatie van dat vliegen en zweven en afzetten. Dans als vormgegeven verlangen de zwaartekracht te overwinnen. De droom van ieder mens: leer mij vliegen!
Na de 'landing’ volgt een duet. Het loskomen van de grond wordt opnieuw beleefd, maar nu óp de grond. De zwarte danser, die zojuist als een menselijke straaljager laag boven de eerste vier rijen scheerde, wil diezelfde beweging nog eens maken, nu vanaf de dansvloer. Hij wordt door zijn partner tegengehouden: lieve jongen, dat kan nu niet meer. We naderen het gebied waarin veel niet meer kan, het terrein waar de titel van de voorstelling naar verwijst: Welk een eer om voor het vaderland te sterven. We zijn in het territorium van de strijd. Ver verwijderd van de vrije ruimte waarin zweven nog enige kans van slagen heeft.
Is het hier oorlog dan? Nee. De oorlog is hier hoogstens omgeving (zandzakken en jerrycans aan de rand van de dansvloer) of aanleiding (doodsangst vóór het eerste schot). De voorstelling is veel rijker dan de pretentieuze titel doet vermoeden. Conny Janssen heeft Welk een eer gemaakt met acht mannen. Het is een mannenvoorstelling. Vol onderlinge strijd en rivaliteit, stoere masculiene posen en pijnlijke wreedheid. De dansers laten daarnaast veel zien over kameraadschap, het wegvallen van zekerheden, het breken van maskers. Er is ruimte voor rauwe en meeslepende groepsdansen, waarin zwetende lijven in rechte lijnen over het kale speelvlak bewegen. Ook zijn er scènes waarin alles stilvalt. De suggestie van te kleine veldbedden, met daarop vier slapende mannen die een eigen plek en een eigen ruimte zoeken, en die toch ook iets met elkaar willen. De danser die de rest van de avond bezig was met het in elkaar naaien van zandzakken (figurant, denk je als argeloze kijker - niks is minder waar), danst een solo die pijn doet aan de ogen, omdat hij op een minimale ruimte zo intens is. Dan: zeven mannen op een rij - nonchalant, alles kits achter de rits - fluiten de Duitse oorlogshit Lili Marleen, daarbij doen ze met hun gezicht en vooral met hun armen iets wat aan oude en mooie variété-acts doet denken. Het lijken allemaal losse nummers, een opgedrongen of afgedwongen eenheid is er niet. Ik voelde me als toeschouwer serieus genomen - er was volop ruimte het eigen verhaal te maken over die acht mannen, hun strijd, hun bla-bla, hun breekbaarheid.
In de kritieken van de dansjournalisten (die ik vluchtig las in de foyer van het theater) trof me de meedogenloze eis een choreografische eenheid te zien. Die eenheid hadden de professionals node gemist. Wat zou dat zijn: een verlangen naar compleetheid, naar het 'affe’ van het dansante kunstwerk? Ergens las ik: 'Tot een statement komt het niet.’ Ik was juist blij: heerlijk, geen statement! Wat is dat trouwens: een statement in de dans? Zouden danscritici zich tegenwoordig sneller vervelen? Hebben zij al die bewegingspatronen al zó vaak ergens anders gezien dat ze wanhopig klauwen naar de 'vernieuwing’ van het statement? De danser heeft, evenals de toneelspeler, twee benen, twee armen, een torso en een kop erop. Een speelvlak is ook bij de dans tien bij zes. De kunstenaar zoekt binnen die beperkingen zijn variaties. De toeschouwer, zeker de geoefende, zal veel déjà vus hebben. En wat is daar tegen, zeker wanneer de delen van de som zo verrassend zijn als hier? Of is kunst pas kunst als er sprake is van een harmonieuze som der delen? Ik vraag maar.
Laat ik het anders formuleren. Conny Janssen en haar acht mannen hebben met deze voorstelling hún verhaal willen maken, dat is zeker. Het geheim van dat verhaal geven ze ons niet prijs. Ze laten ons combineren en deduceren. Ook in de pijnlijke finale voor vijf dansers en vijf zandzakken. In die finale wordt het hele verhaal van de voorstelling in minder dan tien minuten nog één keer keelsnoerend verteld.
Ik kwam doodop en vol vragen uit Welk een eer voor het vaderland te mogen sterven. Eerlijk gezegd vind ik dat rechtvaardig. Dansers zweten zich kapot. Ik als kijker pijnig mijn hersens, mijn hart en mijn onderbuik - en het bleef na deze voorstelling in al die gebieden nog lang onrustig.