Een darm met negen openingen

Miroslav Krleza, Op de rand van het verstand. Vertaald door L. van Vlijmen, uitgeverij Prometheus, 204 blz., f34,90

  1. EEN STORM van verontwaardiging breekt los in een Kroatisch provinciestadje dat wordt gedomineerd door corrupte en hypocriete industrielen, hoofdredacteuren, generaals, advocaten, rechters en politici. Ze behoren allemaal tot een ras dat door de grote Kroatische schrijver Miroslav Krleza (1893-1981) in zijn roman Op de rand van het verstand als de homo cilindriacus (‘de mens met de cilinderhoed’) wordt omschreven. Het hoofdpersonage, een vijftiger die juridisch adviseur is van de machtige industrieel Domacinski, een producent en exporteur van nachtspiegels, heeft een vreselijk schandaal veroorzaakt doordat hij op een ongewone manier voor zijn mening is uitgekomen. Zijn omgeving is des te meer geschokt omdat het gedrag van de adviseur tot nog toe geen aanleiding had gegeven tot bezorgdheid.

Niemand ziet dat overigens beter in dan de adviseur zelf: ‘Ik was namelijk volkomen anoniem en onzichtbaar, zo discreet, dat eigenlijk niemand in de gaten had dat ik leefde.’
Tijdens een etentje waarop de plaatselijke notabelen en hun echtgenoten zijn uitgenodigd, vertelt directeur-generaal Domacinski zijn grappige anekdote: hoe hij in 1918 vier mensen die van plan waren in zijn wijnkelder in te breken als honden heeft neergeknald. Het publiek luistert beaat. Maar de juridische adviseur bederft de pret als hij zich verstrooid laat ontvallen dat zijn baas zich misdadig en immoreel heeft gedragen en nog gedraagt.
Iedereen is perplex over zoveel lef. Het scheelt niet veel of de spelbreker wordt nu zelf door Domacinski neergeschoten. Dit incident is het begin van een maatschappelijk demasque dat het rustige provinciestadje gedurende twee jaar op zijn kop zet. Meteen is een einde gekomen aan een bestaan waarop het hoofdpersonage met genadeloze luciditeit terugblikt: 'Ik was een regelrechte nul te midden van een menigte regelrechte grauwe nullen.’
Omdat de adviseur vanaf dit ogenblik geen blad voor de mond meer neemt en zelfs rake klappen begint uit te delen op de gezichten van de gesprekspartners die hem irriteren, wordt hij als het ware vogelvrij verklaard door zijn vroegere soortgenoten die hem enkele dagen tevoren nog beleefd op straat hadden gegroet.
HET HOEFT GEEN betoog dat deze roman een hilarische ondertoon heeft. Wie van slapstick houdt komt aan zijn trekken, want er wordt een aardige robber gevochten en een handgemeen in de Sixtijnse kapel levert een pracht van een bloedneus op. Natuurlijk wordt de adviseur ontslagen, vanzelfsprekend wordt hij voor het gerecht gedaagd (en tot acht maanden cel veroordeeld) en het verbaast niemand dat zijn vrouw wil scheiden - waar de echtgenoot gretig op ingaat, want hij verneemt toevallig dat hij toch al jaren hoorns draagt.
Kortom, het ik-personage wordt met vereende krachten uit het bourgeois-nest gestoten. Omdat hij nu zelf in de marginaliteit is beland, leert hij omgaan met andere mensen die aan lager wal zijn geraakt doordat ze het slachtoffer zijn geworden van de hatelijkheden die de bourgeois en consorten uit hun hoeden blijven toveren. Zo leert hij in hotel Europa een oudere hoer kennen, die al op haar zeventiende ontredderd door het leven ging omdat ze er ten onrechte van beschuldigd werd verantwoordelijk te zijn voor de dood van een rijkeluiszoon die zich in een vlaag van puberale opwinding een kogel door het hoofd had gejaagd. Dat was het begin geweest van een leven dat nu in de betere hotels als tijdverdrijf voor belangrijke gasten ten einde liep: 'Wat had het te betekenen dat ze vol walging naar bed ging met die bepukkelde handelsreizigers uit de betere kringen die zich van het subalterne gespuis alleen maar daarin onderscheidden dat ze hun aambeien en hun buikloop met meer aandacht verzorgden.’
Op de rand van het verstand is een roman met een ongelooflijke vaart. Hij is geschreven door een auteur die zijn bijtend sarcasme laat drijven op een stilistische stroom met een enorm debiet, zodat je niet aan de gedachte ontkomt dat grote schrijvers als Bohumil Hrabal of Thomas Bernhard bij hem in de leer zijn gegaan.
Krleza’s beschrijving van het verschijnsel mens - 'een darm met negen openingen’ - en over de domheid die er een veilig en vooral duurzaam onderkomen in gevonden heeft, is zo indrukwekkend dat het decor van een semifeodaal Joegoslavie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog op geen enkel ogenblik afbreuk doet aan de universaliteit van deze genadeloze roman, die naar mijn smaak beter is in de schildering van concrete situaties dan in de algemene kritische bespiegelingen over de funeste rol van ideologieen en maatschappelijke systemen die het brein van de mensen vergiftigen.
Eigenlijk is Op de rand van het verstand ook de analyse van een haast onontkoombare ontbinding, zowel individueel als sociaal. Want wanneer je maar oud genoeg wordt, zo lijkt de auteur te willen zeggen, ben je als mens gedoemd om middelmatig, bedorven en verdorven te worden. Meer nog, de mediocre figuren in Krleza’s roman zijn razend op een ieder die een poging onderneemt om aan die verdorvenheid te ontkomen, omdat dit neerkomt op een veroordeling van hun onbenul. Op het individu toegepast omschrijft het hoofdpersonage die ontbinding als volgt: 'Tot hun twintigste hebben de mensen nog zoiets als elan: tot hun twintigste jaar verzamelen ze nog boeken en ze waarderen die boeken ook (niet omdat het een goede geldbelegging is, maar omdat ze de gedichten die erin staan mooi vinden), tot hun twintigste houden ze nog van bloemen, hangen ze nog dodenmaskers van de een of andere uit idealisme gestorven idioot aan de wand; daarna begint de kleinburgerlijke verveling, cynisme, zakengeheimen. Diezelfde mensen uit mijn omgeving, die heren doctoren, juristen, collega’s, die zich zo stompzinnig erover verbazen dat ik het gewaagd heb om Domacinski uit te dagen, diezelfde mensen raken in paniek wanneer ze in hun droom bezoek krijgen van een priester die niet van hun godsdienstige gemeenschap is en dat beschouwen ze dan als een slecht voorteken.’