Een darwinist in actie

In zijn boek ‘Een regenboog ontrafelen’ onderneemt hyper-darwinist Richard Dawkins wederom een kruistocht tegen bijgelovigheid. Maar hij houdt ook een pleidooi voor de poëzie in de wetenschap.

DE ZOOLOOG Richard Dawkins vertelt in zijn laatste boek Een regenboog ontrafelen dat zijn echtgenote een antiek horloge had gekocht voor haar moeder. Onder het prijsetiket ontdekte ze thuis de gegraveerde letters M.A.B. - de drie initialen van haar moeder. Dawkins demonstreert dat het voorval niets mysterieus betekent. Stap voor stap laat hij zien hoe je ‘de angel uit het toeval’ haalt: aan de hand van letterfrequenties, het percentage achternamen beginnend met een B, het aantal inwoners van Groot-Brittannië en nog wat variabelen komt hij tot de conclusie dat er ongeveer 19.000 mensen met de initialen M.A.B. zijn. De mensen neigen ertoe om aan gebeurtenissen een betekenis toe te kennen waarbij ze regelmatig structuren en verbanden ontdekken die in het geheel niet bestaan. In zijn voorwoord citeert Dawkins met instemming zijn collega Peter Atkins: 'Wij komen voort uit chaos, en de dieptestructuur van verandering is verval. Eigenlijk is er alleen maar bederf en de onstuitbare vloed van de chaos. Verdwenen is het doel; al wat er over is, is richting. Dat is de treurnis die we moeten aanvaarden wanneer we diep en objectief (dispassionately) in het hart van de kosmos turen.’ Dawkins ziet geen reden om hier wanhopig van te worden: waarom zou je je lot verbinden 'aan het uiteindelijke lot van de kosmos’? 'Ons leven wordt beheerst door allerlei warmere menselijke ambities en voorstellingen dichter bij huis.’ Daarom bindt hij, als verlicht heiden, de strijd aan met de intense behoefte aan mysterie, wonderen en religieuze troost die hij bij zijn medemensen ontwaart. Hij staat 'extreem vijandig’ tegenover iedere vorm van 'obscurantisme’. Volgens hem is het al moeilijk genoeg om de kosmos te begrijpen zonder dat daaraan allerlei mysteriën worden toegevoegd. Hij vindt niet dat religie en wetenschap vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan, zo blijkt uit een artikel in de recentste Skeptical Inquirer, omdat de katholieke kerk wel degelijk uitspraken doet die zich bewegen op het terrein van de wetenschap: de Onbevlekte Ontvangenis, de Wederopstanding van Jezus, het voortbestaan van zielen na de dood. Hij schrijft: 'Of Jezus had een lijfelijke vader of niet. Dit is geen kwestie van “waarden” of “moraal”, het gaat om simpele feiten.’ DE DICHTER John Keats verweet Isaac Newton dat hij de poëzie van de regenboog had bedorven door het witte zonlicht met een prisma te ontrafelen - 'Do not all charms fly/ At the mere touch of cold philosophy?’ Er wordt wel vaker beweerd dat een wetenschappelijke benadering van de wereld het gevoel voor haar wonderen zou verminderen, maar Dawkins is het hier op een energieke manier - en zeer terecht - niet mee eens. 'The poetry is in the science’, vindt hij; de behoefte aan verwondering zou door 'echte wetenschap’ gevoed moeten worden, niet door 'leveranciers van bijgeloof’. Dawkins zegt het niet letterlijk, maar het lijkt erop alsof de wetenschap voor hem de enige geldige bron van verwondering is. Thomas Nagel merkt in de London Review of Books op dat Dawkins ertoe neigt om de vraag naar 'something besides science’ te behandelen als een 'voorkeur voor mysteries boven antwoorden’ en hij vindt Dawkins’ onderneming 'een beetje gênant’. Zelf neig ik ertoe om zijn overdrijvingen maar door de vingers te zien: hij steekt je een hart onder de riem vanwege 'the sheer delight he takes in the universe’, zoals een recensent eens over de astrofysicus Freeman J. Dyson heeft gezegd. Een regenboog ontrafelen is een pleidooi voor schoonheid van de wetenschap, maar ook een kruistocht tegen bijgelovigheid. Natuurlijk, 'There are more things in heaven and earth, Horatio’, maar rechtgeaarde wetenschappers reageren met: 'Yes, we’re working on it.’ Dawkins’ uitgangspunt is het beginsel van de natuurlijke selectie, beroemd gemaakt door Charles Darwin in een tijd dat geen enkele victoriaan nog van 'genen’ en 'chromosomen’ had gehoord. Dawkins, het 'genengenie’ volgens The Times Magazine, een knap ogende mediaster uit Oxford, de man die erin slaagde 'om wetenschap sexy te maken’, geldt als een radicale darwinist. Zijn beroemdste tegenstander, de paleontoloog Stephen Jay Gould, noemt hem een 'hyper-darwinist’ omdat de theorie van de natuurlijke selectie voor hem de enige serieuze verklaring biedt voor het ontstaan van complexe levensvormen. In 1976 publiceerde Dawkins The Selfish Gene, waarin hij organismen beschreef als overlevingsmachines voor de zelfzuchtige genen, een glashelder en radicaal uitgangspunt, waaraan hij in alle volgende publicaties trouw is gebleven. Hij is als popularisator beroemder geworden dan als wetenschapper. Het wereldbeeld van Dawkins is illusieloos, maar wanneer een interviewer hem confronteert met het altruïstische gedrag van mensen en hun neiging tot compassie, moet hij toegeven dat de mens ook wel eens boven zijn 'darwinistisch verleden’ kan uitstijgen. Ook heeft hij bekend dat hij soms tot tranen toe bewogen is wanneer zijn vrouw hem sonnetten voorleest. DAWKINS’ DENKEN is zozeer doortrokken van het darwinisme dat hij in het laatste hoofdstuk van The Selfish Gene meteen ook een 'memen’-theorie in het leven riep, een filosofie die de verspreiding van ideeën, gedichten, melodietjes en andere culturele erfgoederen in termen van natuurlijke selectie interpreteert. In het laatste hoofdstuk van Een regenboog ontrafelen kondigt hij Susan Blackmores nieuwe boek The Meme Machine aan. De vraag is of de mementheorie een luxueuze maar doodlopende theoretische straat is of een veelbelovende ontwikkeling in het denken over culturele evolutie. Levensvormen ontwikkelen zich volgens de darwinistische principes van selectie, variatie en erfelijkheid, waarbij de motor wordt gevormd door toevallige mutaties op genetisch niveau. De Schepper is binnen dit concept een overbodige hypothese geworden. Dawkins zelf heeft zijn Apple II al in 1984 'biomorphs’ laten genereren, en computersimulaties van Dan Nilsson en Susanne Pelger wijzen erop dat een perfect functionerend oog zich binnen 400.000 generaties kan ontwikkelen (zie Pinker, How the Mind Works, 1997). Natuurlijke selectie trekt zich nergens wat van aan, schrijft Dawkins. 'Verbeteringen komen niet tot stand door toekomstplanning, maar doordat genen hun rivalen in genenreservoirs getalsmatig overtreffen.’ De Schepper kan worden afgelost door 'De blinde horlogemaker’, toevallig ook de titel van Dawkins’ beroemde verhandeling over de evolutieleer (en volgens Steve Jones een illustratie van de algemene regel dat de meeste wetenschappers pas beroemd worden wanneer ze stoppen met het uitvoeren van experimenten). De meeste evolutionaire denkers zijn het er nu wel over eens dat de schepping geen doel heeft, maar dit bevrijdende inzicht moet niet worden verward met een gebrek aan resultaten. Susan Blackmore wijst erop dat de schepping weliswaar geen vooruitgang boekt in een bepaalde richting - zoals Gould niet moe wordt te betogen - maar dat er onmiskenbaar sprake is van een toegenomen variëteit aan organismen en een grotere complexiteit van het gedrag. 'De evolutie gebruikt haar eigen producten om omhoog te klimmen’ - Climbing Mount Improbable, luidt de titel van Dawkins’ boek uit 1995. Het valt niet mee om te begrijpen waarop de (laatste) weerstand tegen dit evolutionaire denken uiteindelijk gebaseerd is. Het is mij opgevallen dat de neiging tot lamarckisme (volgens Jean-Baptiste Lamarck kon aangeleerd gedrag bij dieren en mensen erfelijk worden) ook bij ontwikkelde mensen diepgeworteld is: al die kennis, de intense ervaringen die je in de loop der jaren verzamelt, je mooie herinneringen aan de Seychellen-eilanden - hoe kan dat alles bij de dood verloren gaan? Wat een treurige verspilling! Maar de waarheid is dat al deze verworvenheden wegzakken in de grond waar je begraven bent en dat de moleculen waaruit je lichaam bestond zich geleidelijk over de hele planeet verspreiden; 'telkens als u een glas water neemt, drinkt u minstens één molecuul op die door de blaas van Oliver Cromwell is gegaan. Dat is de afgeleide gevolgtrekking uit Wolperts opmerking dat er “in een glas water veel meer moleculen gaan dan glazen water in de zee”.’ DE MISVERSTANDEN zijn Dawkins niet bespaard gebleven. De 'zelfzuchtigheid’ van genen is niet meer dan een metafoor, een personificatie, want genen denken niet en ze zijn al helemaal niets van plan, maar de evolutionaire biologen rolden over elkaar heen over de kwestie op welk niveau de natuurlijke selectie eigenlijk opereerde - op dat van de genen, de organismen, de populaties of de soort? De verschillen zijn soms subtiel en voor niet-ingewijden moeilijk te volgen. Gould en Eldredge verdedigen hun punctuated equilibrium (lange perioden van evolutionaire stilstand worden afgewisseld met fasen van snelle ontwikkeling - sommige soorten veranderen miljoenen jaren lang helemaal niet), een aanvulling op of een gedeeltelijke weerlegging van Dawkins’ rechtzinnige darwinisme. Gould en Dawkins hebben een genetisch verankerde afkeer van elkaar. Dawkins bespot Gould als de enige die nog gelooft dat natuurlijke selectie boven het niveau van de genen plaatsvindt, terwijl Gould beweert dat de selectie tegelijkertijd op verschillende niveaus functioneert en Thomas Nagel uitlegt dat beide deskundigen de omgevingsfactoren respecteren. Gould, die zichzelf een essay machine heeft genoemd, presteert het om in zijn 480 pagina’s tellende bundeling Dinosaur in a Haystack (1996) Dawkins niet één keer rechtstreeks te noemen - zoiets kun je je boezemvijand niet aandoen! DAWKINS TOONT zich in zijn laatste boek opnieuw een meeslepend schrijver. Hij weidt uit over de analyse van sterspectra, de wereld van het geluid en het lezen van DNA-codes; hij gaat tekeer tegen wetenschapsvijandigheid en het misplaatste respect voor 'tribale scheppingsmythen’. Twee prachtige hoofdstukken lang neemt hij bijgelovigheid en statistisch onvermogen op de korrel. De trouwe bewonderaars van John Allen Paulos’ beschavingswerk en de abonnees van de Skeptical Inquirer zullen zich met Dawkins’ rekensommen op hun gemak voelen: de kans dat er twee mensen in een willekeurige groep van 23 personen op dezelfde dag jarig zijn, is ongeveer vijftig procent, een uitslag die min of meer contra-intuïtief blijft (je moet deze voorbeelden zeer nauwkeurig lezen, het gaat om een willekeurige dag en niet om een van tevoren bepaalde datum). Dawkins heeft noch genade met de 'slechte poëtische ideeën’ uit James Frazers The Golden Bough (al kun je je afvragen of hij hier niet de begripvolle weergave van magische concepten met Frazers eigen meningen op één hoop gooit), noch met de fantasieën van Teilhard de Chardin, noch met mystiek gezever over 'energieën’ en 'vibraties’. Hij bekritiseert de 'epidemie’ van 'paranormale propaganda’ op televisie en hij omschrijft de Gaia-hypothese van James Lovelock als een 'overschatte, romantische fantasie dat de hele wereld een organisme is, dat elke soort zijn steentje bijdraagt aan het welzijn van het geheel, dat bijvoorbeeld bacteriën tot heil van alle leven werken aan verbetering van het gasgedeelte van de aardatmosfeer’. Ons DNA, vertelt Dawkins, herbergt de herinnering aan de 'voorouderlijke milieus’ die we overleefd hebben; we zijn 'digitale archieven van het Afrikaanse Plioceen, zelfs van zeeën uit het Devoon, wandelende bewaarplaatsen voor wijsheid van vroeger’. In het hoofdstuk 'Grote, duistere symbolen van verheven romantiek’ onderwerpt Dawkins de zogenaamde cambrische explosie aan een zorgvuldige beschouwing. Biologen veronderstellen dat er vijfhonderd miljoen jaar geleden toen de fossielen van de meeste grote dierengroepen begonnen te verschijnen, iets bijzonders aan de hand was: het snelle ontstaan van een zeer groot aantal nieuwe lichaamsvormen. Dawkins laat zien dat er uit de periode vóór het Cambrium weinig fossielen overgeleverd zijn, maar dat aan deze omstandigheid geen argumenten voor het bestaan van 'grote-sprongmutaties’ kunnen worden ontleend. De inhoudelijke merites van het betoog kan ik niet beoordelen, maar Dawkins’ helderheid verleidt tot de gedachte dat hij wel gelijk moet hebben. Op de laatste bladzijden van zijn boek beschrijft Dawkins de gecombineerde software- en hardware-revolutie die de ontwikkeling van het menselijk brein bespoedigde. Hij ziet in het menselijk gebruik van de metafoor een goede kandidaat - naast de memen - voor de innovatie die een 'co-evolutionaire spiraal’ op gang bracht; de mens kon daarmee buiten de wereld treden en een model vormen 'dat het verleden omvat, ons door het heden loodst en ver vooruit kan reiken om ons gedetailleerde constructies van alternatieve toekomsten te bieden en ons te laten kiezen’. DE VERTALING van Unweaving the Rainbow (het werkwoord 'unweave’ komt niet voor in de Oxford Dictionary) leest over het algemeen soepel, al valt er over details natuurlijk te debatteren. Soms voegt de vertaler komma’s toe om zinnen te combineren die in het origineel zelfstandig zijn: 'Natural selection is never aware of the long term future. It is not aware of anything’, schrijft Dawkins, maar het Nederlandse equivalent is opvallend krachteloos: 'De natuurlijke selectie heeft geen besef van de verre toekomst, heeft geen enkel besef.’ Waarom wordt de tweede zin niet domweg vertaald met: 'Zij heeft geen enkel besef’? Het is maar een zeer kleine wijziging die de atmosfeer van het origineel respecteert. De ondertitel die in het voorwoord wordt genoemd, wijkt af van de formulering op het omslag en ontbreekt op de titelpagina. Verder is het mij een raadsel waarom 'the rainbow’ is vertaald met 'een regenboog’. Het zijn geen wereldomspannende vergrijpen, en ik herinner mij een advies van een andere verlichte heiden, de Amerikaanse essayist Martin Gardner: 'Try to be as happy as possible before you vanish back into the Black Hat from which you popped into existence.’