Een dauw van gedachten

Hij graaft de grafmollen uit, verbiedt hen
zich te goed te doen aan botten die liggen
te rotten, hij gaffelt de kraaien
die zijn ogen kapot dreigen te pikken.
Hij kruipt over het gras, sproeit de stekken
die fluisteren in de wind en blozen
omdat zij, naakt, nog zonder blad of bloem
staan aan de border van de Jordaan
en waar de bijen zoemen moedigt hij
de insecten aan de witste jurken
van de bloemen op te tillen, de meest
trillende lippen bij de stampers en de draden
binnen te dringen.

Uit: ‘Hovenier’, Het nijlpaard optillen van Tomas Lieske. € 17,95. E-book, € 13,99

De wonderen zijn de wereld uit. In dit technocratische tijdvak, waarin iets pas bestaat wanneer het bewezen en in cijfers uitgedrukt kan worden, horen we nog maar zelden van bloedende Maria-beelden, door heiligen verrichte genezingen en worstelingen met engelen. Mensen die prat gaan op contacten met de andere wereld worden niet serieus genomen. De doden zijn dood, bescherm­heiligen bestaan niet en Jezus was een sekteleider met een overtuigend verhaal. Met zweverig geleuter schieten we niets op. De wereld is onttoverd.

Of lijkt dat maar zo? Vormen romans, gedichten en films niet vaak pogingen de mythologie levend te houden? Doet de nuchterheid van de natuurwetenschappen wel recht aan het mysterie van het leven? Zelfs al zijn we ervan doordrongen dat religie op fictie berust, de onbegrijpelijkheid van het bestaan maakt dat we ontvankelijk blijven voor bovennatuurlijke ervaringen. En Tomas Lieske (1943) heeft de afgelopen tien jaar keer op keer laten zien dat daarover hoogst concrete en exacte uitspraken zijn te doen.

Haar nijlpaard optillen is een door en door religieuze bundel van een dichter die het goddelijke en het mysterieuze in het domein van de verbeelding situeert, zonder dat dit ook maar enigszins afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. In de eerste afdeling komen verscheidene geesten en engelen aan het woord, die zich weliswaar van hun vluchtige aard bewust zijn, maar wel degelijk in mensenlevens kunnen ingrijpen. Vroeger waren wij tastbaarder, aldus een woordvoerder, onze ‘boodschappers hadden de geur van barnsteen/ en baleinveren van een secretarisvogel of een sierduif’. De laatste tijd worden wij echter ‘gezien als golven/ als luchtverdikking, tegenwind, infratrilling/ tussen ijzeren reuzen’. Het is niet gemakkelijk de geesten waar te nemen:

Wij zijn niet meer dan een dauw van gedachten / een besef van bestaan, dat als verdampt

traanvocht, als de geur van badwater, als een vleug / knoflook om onze begeleider hangt.

Blijkbaar is het niet de geest die mens begeleidt, maar omgekeerd. Toch kan ook zo’n ijle aanwezigheid troost bieden. ‘Ik ben het kompas van de trekvogel’, zo klinkt een stem ‘tijdens de begrafenis van mijn geliefde’. Hij is de opkomst van de zon, de volte van de maan, de wiskunde die de juiste hoek berekent. Zijn advies is eenvoudig maar doeltreffend: ‘volg de naald van het bestaan en vertrouw/ de einder die zich straks openvouwt’.

Indien de werkzame tegenwoordigheid van engelen en geesten zo vanzelf spreekt, is er ook geen reden meer de incarnatie, de kruisdood en de opstanding van Jezus af te doen als een sprookje. Het paasverhaal vormt in de bundel een prominent leidmotief. Het veer bij Roelof­arendsveen heft ’s morgens een gefluit aan dat ‘gilt als een paaslied in de ochtend’, waarop de reiziger een visioen deelachtig wordt. Jezus verschijnt, als in het evangelie van Johannes, aan Maria Magdalena in de gedaante van een tuinman, en Lieske vult het verhaal erotisch in:

Waarom zag ik niet op slag in die brakke harkbroek / de knieën die ik zo liefhad, de liezen

die ik zelf tot in de limbus had ontgroend, het geslacht / dat zich in mij had willen enten.

Staat de hovenier haar niet toe hem aan te raken, in een ander gedicht is zij het die hem op afstand houdt, met als argument: ‘mijn benen zijn nu ijs, er zitten egelgrassen/ in mijn voeten als je mij streelt’. Enkele pagina’s verder is zij een wiskundige in een psychiatrische kliniek, wier geloof kennelijk een reden vormde om haar op te sluiten.

De identificatie van Lieske’s personages met bijbelse figuren kan niet los gezien worden van een thema dat ook in vorige bundels prominent aanwezig was. De dichter ziet het bestaan als een drama waarin wij rollen spelen die ons zijn toegewezen door een regisseur die we niet kennen en wiens aanwijzingen niet altijd even helder zijn. Toch komen we het best tot ons recht als we het script zo goed mogelijk proberen te vertolken. Anita Ekberg, vooral bekend uit Fellini’s La dolce vita, is de verpersoonlijking van de theatraliteit, maar juist dat maakt haar zo authentiek. De dichter komt haar tegen op de Oude Scheveningse Weg:

Zij droeg haar hoofd op de maat van de regie / zij rondde elke kaap alsof zij nog steeds / met zeilende heupen door fonteinen gleed.

De spreker concludeert terecht: ‘Dit is leren wat men zich krachtig kan verbeelden.’

Het toegeven aan de verbeelding lijkt echter wel een prijs te hebben. In een van de gedichten verlaat een schrijver zijn gezin om zich te wijden aan de ijle schimmen in zijn hoofd. Hij deinst er niet voor terug zijn eigen hart op te eten:

Alles deed hem pijn, het kauwen en het snijden

het slikken en het bijna stikken, maar eenmaal verteerd / kon hij de kracht verdelen over vele personages.

Het zou gemakkelijk zijn een situatie als deze op te vatten als een metafoor, maar de klankrijkdom en plasticiteit van Lieske’s taal maken zijn beelden bijna tastbaar. De dichter is een god die in het gedicht een transsubstantiatie tot stand weet te brengen. In Annunciatie bedrijft hij telefoonseks met een Maria die beschrijft hoe ze erbij zit, ‘haar natgemaakte leisteen/ de griffel die zij wilde klemmen’, en wanneer hij spreekt krast zij hijgend ‘stenografisch/ geile laknagel-signalen’. Poëzie is een aanranding of een bevruchting, maar in elk geval een wonder.