Een deken van sloomheid

Albert Cossery, De luiaards in de vruchtbare vallei. Vertaald door Mirjam de Veth. Uitg. Coppens & Frenks, 181 blz., 331,95
Het is een mooi idee, een roman die niet over één Oblomov handelt maar over een heel nest van chronische luiaards. Een boek over nietsdoen en slapen uit principe en het bed als enige fatsoenlijke plaats om het leven door te brengen. Een roman die zich afspeelt in een huis waar een deken van sloomheid en doezeligheid overheen hangt.

De familie die de Frans-Egyptische schrijver Albert Cossery in De luiaards in de vruchtbare vallei (1947) ten tonele voert, bestaat uit een aartsluie vader, de oude Hafiz, en zijn drie onwaarschijnlijk lethargische zoons Galaal, Rafiek en Siraag. Over Galaal gaat het verhaal dat hij zo inert is dat hij afscheid neemt voordat hij naar bed gaat, omdat hij maanden achter elkaar kan slapen. Rafiek is de filosoof van de familie: hij heeft zo bewust voor zijn rustige leven gekozen dat hij zijn geliefde de bons gaf. De slaap is voor hem het toevluchtsoord uit een laaghartige, ellendige wereld. ‘De menselijke domheid was onmetelijk’, weet hij. 'Waarom maakten ze zich toch zo druk, eeuwig prikkelbaar en ontevreden, terwijl de enige waarheid juist gelegen was in een onverschillige, passieve houding? Het was zo eenvoudig. Dat kon de eerste beste bedelaar nog begrijpen!’
Terecht wijst vertaalster Mirjam de Veth er in haar nawoord op dat Gontsjarovs Oblomov lijdt onder zijn oblovisme en de inertie liefst van zich wil afschudden, terwijl de Egyptische familie zich behaaglijk wentelt in het zalige nietsdoen. Bij Cossery gaat het dan ook niet om een innerlijk conflict; het zijn malle plannen van de vader en de jongste broer die de rust bedreigen.
Siraag wil ontsnappen aan het 'stilstaande slik’ van zijn verwanten. Hij heeft het in zijn hoofd gehaald dat hij wil werken, ook al is het woord 'werken’ zo pijnlijk dat zijn oudere broers het nauwelijks over hun lippen krijgen. 'Ondankbaar jong!’ moppert zijn vader. 'Jaren lang heb ik je eten en kleren gegeven en dit is je dank! Je wilt ons met schande overladen!’
Vol verlangen wandelt Siraag naar de bouwval van een fabriek in aanbouw: werken in een fabriek, dat zou pas echt werken zijn. Maar zijn vader dreigt de heerlijke ledigheid pas goed te verstoren: hij heeft zich voorgenomen opnieuw in het huwelijk te treden. Dan loopt er een vrouw door je huis die de hele dag aan het boenen en poetsen is en krijg je schoonouders op bezoek, stel je voor!
Cossery bedoelt het allemaal heel hilarisch en ironisch in De luiaards in de vruchtbare vallei. En soms is het ook wel geestig. Bijvoorbeeld als het gaat over de breuk waar de oude vader aan lijdt waardoor hij een geval zo groot als een watermeloen in zijn kruis draagt. De koppelaarster die een jong bruidje voor hem moet zoeken heeft ervan gemaakt dat hij suikerziekte heeft. Want iemand die suikerziek is, heeft in zijn leven veel zoetigheid gegeten en iemand die veel zoetigheid heeft gegeten is niet zomaar een arme sloeber.
Maar eigenlijk biedt Cossery niet genoeg stof voor een heel boek. Een mooi idee voor een verhaal of eventueel voor een novelle is uitgerekt als roze kinderkauwgum. Het boek als geheel is een tikkeltje kinderachtig en al te naïef.