De Amerikaanse media ontberen subversie

Een democratie onwaardig

De Amerikaanse traditie van advocacy journalism, journalistiek ten bate van de goede zaak, is nagenoeg verdwenen uit de conventionele media. Waar zijn de I.F. Stones van weleer gebleven? ‘Wie nooit zijn eigen lezers choqueert, wordt lui.’

De journalistieke verslaggeving van de recente Amerikaanse presidentsverkiezingen, of wat daarvoor moest doorgaan, deed Bob McChesney, hoogleraar journalistiek aan de University of Illinois, pijn aan alle zintuigen. ‘Na de debatten was het zo goed als onmogelijk om een journalistiek commentaar te vinden waarin kritisch en op basis van feiten het gezegde onder de loep werd genomen’, zegt hij. ‘Als burger werd je doodgegooid met spin, peilingen en meningen van Democraten en Republikeinen. Dat was niet alleen het geval op kabeltelevisie. De elite-media, van The New York Times tot The Wall Street Journal, waren niet veel beter. Een democratie onwaardig.’

Het is volgens McChesney exemplarisch voor het niveau van de hedendaagse Amerikaanse journalistiek en deed hem met weemoed terug­denken aan mensen als Heywood Broun, George Seldes en ‘natuurlijk’ I.F. Stone, ‘journalisten die hun talenten in dienst stelden van wat het meest vanzelfsprekende doel van de journalistiek zou moeten zijn: de waarheid’. Behalve onderzoeksjournalisten waren dit ook _advocacy-_journalisten: journalisten die met journalistieke middelen pleitten voor wat zij als een goede zaak beschouwden. Zo streed Broun (1888-1939) onder meer voor het recht van arbeiders om zich in een vakbond te verenigen. Seldes (1890-1995) ontwikkelde zich in zijn lange carrière tot een waakhond van het Amerikaanse bedrijfsleven en de media. Stone (1907-1989) pleitte voor het bestaansrecht van Israël, maar tegen de wijze waarop Israël het Palestijnse volk behandelde. Leidraad in zijn werk was zijn scepsis tegenover de elites, tegen wier zucht naar macht en fortuin de onderdrukten uit de lagere klassen moesten worden gewaarschuwd.

Tijdens het interbellum woedde in de Verenigde Staten een debat over wat professionele journalistiek zou moeten zijn, vertelt McChesney. ‘De Union of Print Journalists en de Newspaper Guild redeneerden dat de journalistiek iedereen moest vertegenwoordigen die buiten de macht stond. Het was aan de nieuwsjournalistiek om de macht te controleren. Voor elke politicus of bestuurder zouden dezelfde maatstaven moeten gelden, ongeacht hun politieke kleur. Eigenaren van kranten en adverteerders mochten geen enkele invloed op deze vorm van journalistiek hebben.’

Die laatste groep verzette zich daartegen. En won, volgens McChesney: ‘Het soort journalistiek dat we uiteindelijk in de VS hebben gekregen, is het tegenovergestelde daarvan. De mensen met macht zijn officiële nieuws­bronnen geworden, mensen waartoe je als journalist toegang moet hebben en die zo kunnen bepalen wat nieuws is en wat niet.’ Een belangrijk gevolg daarvan is dat ‘de besognes van mensen uit de lagere en middenklassen naar de marges zijn verdreven’, zegt McChesney. ‘Dat was duidelijk tijdens de verkiezingen. Onderwerpen als inkomens­ongelijkheid en armoede werden nauwelijks besproken. Alsof ze niet bestonden.’

I.F. Stone stond daarentegen voor ‘democratische journalistiek’, zegt McChesney: ‘Hij was echter wel degelijk een persoon van links. Maar hem een radicale journalist noemen, zoals conservatieven graag doen, impliceert dat hij zijn resultaten voorkookte om zijn politieke ideologie te dienen. Als iemand die een groot deel van zijn werk heeft gelezen kan ik getuigen dat niets minder waar is: hij had geen andere meetlat voor John F. Kennedy dan voor Dwight Eisenhower.’

De I.F. Stone van deze tijd is waarschijnlijk Glenn Greenwald, zegt McChesney. ‘Ironisch genoeg werkt hij nu voor The Guardian, maar hij is desalniettemin een Amerikaan. Voor Greenwald is martelen martelen, of dit nu door de Bush-regering of de Obama-regering wordt gedoogd.’

Greenwald is een van de weinige uitzonderingen, sombert McChesney. ‘Als iedereen in het Congres het er bijvoorbeeld over eens is dat de VS het recht hebben om welk land dan ook binnen te vallen als ze daartoe redenen zien, dan wordt dit nauwelijks weersproken. Hetzelfde is het geval met al die vuilnis die uit de mond van onze politici komt. “Wij zijn de meest geweldige natie ter wereld”, bla bla. Onze journalisten weerspreken dat niet met feiten, omdat als ze dat wel doen ze worden weggezet als ideologisch, en dus onprofessioneel.’

Zo erg is het volgens McChesney geworden: ‘De gemiddelde professionele journalist schrijft keurig de leugens van een gezagdrager op en stelt die leugens pas ter sprake wanneer een andere gezagdrager dat doet. Dus dan krijg je: links zegt dit, maar rechts zegt dat. Het ergste voorbeeld daarvan is het geschreeuw tussen Democraten en Republikeinen in verkiezingstijd. De waarheid krijg je zo zelden boven.’

Dat wil niet zeggen dat de Amerikaanse media geen enkele waardevolle journalistiek meer produceren. ‘Onze elitaire opinie­bladen – The New Yorker, The Atlantic, Foreign Affairs – produceren nog prachtige verhalen. En de redacties van The New York Times en The Wall Street Journal zetten nog altijd talentvolle journalisten in voor onderzoeksjournalistiek. Maar voor advocacy-journalistiek, een voorheen belangrijke en invloedrijke vorm, is in de conventionele media nauwelijks nog ruimte. Opinie is ervoor in de plaats gekomen.’

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Volgens Chris Hedges, van The Nation en Truthdig, is het verdwijnen van advocacy-journalistiek een direct gevolg van het instorten van wat hij de liberal class noemt. ‘De pers, de linkse kerk, de universiteiten, de vakbeweging, de culturele sector en de Democratische Partij hebben ons allemaal in de steek gelaten’, zei hij in een interview met De Groene Amsterdammer in 2011. ‘Ze hanteren nog wel de retoriek van linkse waarden, maar hun daden en de allianties die ze hebben gesmeed, hebben ze gedegradeerd tot collaborateurs met de staat en het bedrijfsleven.’

Het was ooit anders, zo beschrijft Hedges in zijn boek Death of the Liberal Class (2010), dat hij laat beginnen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Het waren de hoogtijdagen van Amerikaans progressivisme, toen het socia­lisme nog een krachtige stroming was. Tijdschriften als Appeal to Reason en The Masses hadden miljoenenoplages, een anarchistische schrijver als Dwight McDonald werd breed gelezen en een miljoen kiezers stemden op de socia­listische presidentskandidaat Eugene Debs. Grote vakbonden als The Wobblies en het Congress of Industrial Organizations hadden reële maatschappelijke macht.

Na Amerika’s intrede in de oorlog, in 1917, veranderde dat alles, stelt Hedges. ‘De liberal class bleek onder druk van de corporate state maar al te bereid zich te keren tegen mensen die autonoom genoeg waren om voor de arbeidersklasse op te komen, zoals de journalist I.F. Stone of vakbondsman Bill Haywood. Beiden werden afgeserveerd als communisten.’

Hedges beschrijft hoe de pers nadien steeds meer ‘tegen de elites aanschurkt. Hoe onze grote kranten zich in de aanloop naar de Irakoorlog lieten inpakken door de oorlogspropaganda. Dat niemand de financiële crisis zag aankomen, omdat de business-reporters uit lunchen waren met bankiers van Goldman Sachs die ze nog kenden uit hun studententijd.’

En Hedges beschrijft waar de pers het niet over heeft. Bijvoorbeeld hoe tegendraadse figuren als de linkse intellectueel Noam Chomsky en Amerika’s ‘consumentenman’ Ralph Nader bewust buiten de mainstream-media worden gehouden en ‘paria’s van de cultuur’ zijn geworden. Zo stuitte hij tijdens zijn research op een intern memo van een _New York Times-_redactie­chef die schrijvers en columnisten verbood Chomsky’s naam te noemen.

McChesney deelt Hedges’ analyse van de huidige staat van de journalistiek, maar denkt niet dat je daarvoor het instorten van de liberal class als hoofdreden kunt aanvoeren – ‘Chris had hogere verwachtingen van liberalen dan ik’. Volgens McChesney is de oorzaak geld, of beter het ontbreken daarvan. ‘We hebben nu veertig procent van de middelen vergeleken met 25 jaar geleden. Nieuwsredacties kun je vergelijken met het Russische platteland in 1945: leeg en gedeprimeerd. Het is pathetisch dat we in een land van 310 miljoen mensen op slechts enkele nieuwsredacties kunnen wijzen waar diep wordt gegraven. We zouden er duizenden moeten hebben. Op lokaal niveau gebeurt het al bijna helemaal niet meer.’

Het probleem in de VS is de aanname dat onafhankelijke journalistiek alleen op basis van winstoogmerk kan worden verricht, terwijl – zeker sinds de opkomst van het internet – de verdienmodellen simpelweg te zwak zijn om de journalistiek op het vereiste niveau te houden, stelt McChesney. In zijn veelbesproken boek Death and Life of American Journalism (2010) stelt hij daarom met mede-auteur John Nichols dat journalistiek een publieke zaak is, waarvan de financiering niet alleen mag worden over­gelaten aan de vrije markt. In het huidige politieke klimaat wordt over een dergelijke these niet eens gedebatteerd, zo ervoer McChesney. ‘De verschillende vormen van publieke financiering die wij in ons boek aandroegen, sloegen aan bij mensen in de Obama-regering. Maar het tegengas van rechts was zo groot dat men er niet aan wilde.’

Rechts heeft geen problemen met de huidige staat van de journalistiek, constateert McChes­ney. ‘Als ze de kans zouden krijgen, zouden ze ook het laatste beetje publieke omroep dat over is om zeep helpen. Ze zien liever niet dat banken en oliemaatschappijen op de voet worden gevolgd. Ze preferen een journalistiek-vrije wereld.’ Dat verklaart volgens McChesney het ontbreken van rechtse advocacy-journalisten in de VS. ‘Je hebt uitstekende rechtse opinie­journalistiek – National Review, Reason – maar advocacy-journalistiek past niet in hun traditie.’

Ook Don Guttenplan, auteur van American Radical: The Life and Times of I.F. Stone (2009) en Londen-correspondent voor The Nation, denkt dat het nagenoeg ontbreken van figuren als Stone in het huidige Amerikaanse medialandschap met geld te maken heeft. ‘Het is cruciaal dat Stone financieel onafhankelijk was’, zegt Guttenplan. ‘Zijn nieuwsbrief, I.F. Stone Weekly, de vier pagina’s tellende krant die hij tot 1971 zelf publiceerde, had zeventig­duizend betalende abonnees. Stone hoefde op geen enkele manier rekening te houden met adverteerders of wie dan ook.’

Zo iemand hebben we nu niet meer, constateert Guttenplan. ‘Ook de populaire bloggers die hun site hebben uitgebouwd tot een zichzelf bedruipende publicatie – Talking Points Memo, Politico – zijn afhankelijk van advertentie-inkomsten. Het is veelzeggend dat zij niet de politieke scepsis tonen die Stone had.’

Dat wil niet zeggen dat er geen mensen zijn die niet in Stone’s traditie passen. Guttenplan noemt naast Hedges en Greenwald ook Amy Goodman. ‘Het bijzondere aan Goodman is dat het haar lukt om radicaal werk te doen op televisie, een medium dat per definitie oppervlakkiger is dan radio of het geschreven woord. Maar haar werk wordt niet uitgezonden op de grote zenders. Ondenkbaar.’

In de VS regeert ‘de fictie van objectieve journalistiek, een bijna iconisch idee dat journalisten hun politieke voorkeuren achterlaten bij de ingang van het nieuwslokaal’, zegt Guttenplan. ‘Stone geloofde in de journalistiek als een vorm van politiek. Hij geloofde dat als mensen goed geïnformeerd waren over de manier waarop ze onderdrukt werden, ze actie zouden ondernemen. En hij geloofde dat het de taak was van de journalist om de machtigen, vooral in de overheid, te bekritiseren en ondervragen en met scepsis te benaderen.’

Journalisten die beweren dat politiek niets te maken heeft met hun werk, zijn in essentie advocacy-journalisten van de status quo, zegt Guttenplan. ‘Voor hen is de bestaande orde blijkbaar prima. Door de legitimiteit ervan niet te betwisten versterken ze die orde zelfs.’

Guttenplan maakt daarom een onderscheid tussen eerlijke en oneerlijke journalisten. ‘Stone was hier heel duidelijk over. Hij zei: “Als je nooit je eigen lezers choqueert, word je lui. En je lezers worden lui. Je moet je altijd bewust zijn van je eigen vooroordelen en op zoek gaan naar feiten die je vooroordelen weerspreken.”’

Als voorbeeld hiervan noemt Guttenplan Stone’s reis naar de Sovjet-Unie in 1956. ‘Hoewel zelf geen communist, was hij lang een supporter van de Sovjet-Unie en – zeker in de jaren dertig – zelfs een apologeet. Toen in 1956 Chroesjtsjov aan de macht kwam, reisde Stone naar de Sovjet-Unie. Bij terugkeer schreef hij: dit is geen goede maatschappij. Dat is niet wat de lezers van zijn nieuwsbrief wilden horen.’

Waarover zou Stone nu schrijven? ‘Hij zou zich zeer bezorgd hebben getoond over de rol van geld in de Amerikaanse politiek en de macht die financiële instellingen over onze levens hebben. Ik weet zeker dat hij een gepassioneerd verdediger zou zijn geweest van de rechten van het Palestijnse volk. En hij zou zich hebben beziggehouden met milieuvraagstukken.’

I.F. Stone stierf in 1989, precies ten tijde van de demonstraties op het Tiananmenplein in Beijing. New York Times-_columnist Nicholas Kristof was er destijds getuige van als China-correspondent voor die krant. Daar ervoer hij dat ‘we ons als journalisten te veel richten op wat gisteren of vijf minuten geleden gebeurd is – en niet genoeg op wat elke dag gebeurt’, zei hij in een interview met _De Groene Amsterdammer in november 2009. ‘Hele bossen werden omgehakt om over Tiananmen te schrijven, terwijl elk jaar 39.000 meisjes stierven omdat medische zorg hun werd onthouden. Als we het over mensenrechten hebben, richten we ons op wat overheden en regeringen doen. Terwijl de ergste dingen thuis in familieverband gebeuren – in maatschappijen die dat accepteren.’

Sinds 2001 heeft Kristof een eigen column in de Times, die hij onder meer gebruikt om vrouwen­onderdrukking wereldwijd onder de aandacht te brengen. Als het aan Kristof ligt, wordt sekse-ongelijkheid in ontwikkelings­landen de grote morele kwestie van deze eeuw – zoals slavernij dat was in de negentiende eeuw en totalitarisme in de vorige eeuw. Het maakt hem misschien wel de enige advocacy-journalist pur sang die een grote Amerikaanse publicatie als podium heeft.

Toch past hij niet in de traditie van I.F. Stone, vindt Guttenplan. ‘De kwesties die Kristof aankaart zijn de aandacht meer dan waard. Maar hij valt er niet de machtsorde in eigen land mee aan. The New York Times is de beste dagelijkse krant die we in de Angel­saksische wereld hebben, maar het is geen krant die de status quo uitdaagt. Ik vrees dat als ­Kristof dat wel zou doen (zoals Hedges vóór zijn verplichte vertrek bij die krant bijvoorbeeld deed – mvg), hij opeens minder goed bij de Times zou passen.’

Journalistiek

voor de goede zaak

Advocacy-_journalisten mogen dan nauwelijks nog zichtbaar zijn in de Amerikaanse mainstream-media, ze zijn niet verdwenen – hoewel veelal veroordeeld tot het preken voor eigen publiek in media als _The Nation, Salon, Truthdig en het Britse The Guardian. Vijf vooraanstaande advocacy-journalisten uit het Amerikaanse medialandschap:

Amy Goodman (1957)

Moe van het gebrul tussen liberalen en conservatieven op de grote tv-zenders begon Goodman in 1996 het progressieve tv-station Democracy Now!. Tijdens de Republikeinse Conventie van 2008 werd Goodman gearresteerd, Democraat Bill Clinton noemde haar ooit ‘vijandig en strijdbaar’. Haar inzet: een democratie waarin geld geen rol speelt.

Glenn Greenwald (1967)

Om eindelijk eens wat budget voor zijn onderzoeksjournalistiek te krijgen, verruilde Greenwald vorig jaar Salon.com voor The Guardian. Van huis uit advocaat gespecialiseerd in constitutioneel recht en burgerrechten, begon hij in 2005 de blog Unclaimed Territory. In 2006 volgde de bestseller How Would a Patriot Act? Zijn inzet: strijd tegen de inperking van grondrechten door de staat.

Chris Hedges (1956)

Toen deze strijdbare domineeszoon in 2003 voor de zoveelste keer publiekelijk stelling nam tegen de oorlog in Irak, had zijn werkgever The New York Times genoeg van hem. Sindsdien publiceert Hedges, die de Pulitzerprijs kreeg, zijn journalistieke en opiniërende werk in The Nation en op website Truthdig, alwaar hij zijn pijlen richt op de corporate state. Zijn inzet: sociale rechtvaardigheid.

Nicholas Kristof (1959)

Vreemde eend in de bijt tussen de door macht en politiek geobsedeerde huiscolumnisten van The New York Times, op wiens pagina’s de tweevoudig Pulitzerprijs-winnaar de soms hartverscheurende, dan weer hoopgevende verhalen vertelt van vrouwen over de hele wereld. Zijn inzet: de strijd tegen vrouwenonderdrukking wereldwijd.

Bill McKibben (1960)

Sinds de publicatie van The End of Nature (1989) is McKibben de stamvader van Amerika’s ‘milieujournalisten’. In 2009 richtte hij milieuorganisatie 350.org op, ter ondersteuning waarvan hij in augustus een geruchtmakend artikel in Rolling Stone publiceerde, getiteld Global Warming’s Terrifying New Math. Zijn inzet: bescherming van het milieu.