Een denkende dichter erbij

De jury - Barber van de Pol, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos dit keer Een raadselachtige verdwijning: Een keuze uit de gedichten 1950-1996 van Lars Gustafsson tot Groene-boek van de maand. Op de pagina hiernaast worden de overige drie mededingers besproken.

LARS GUSTAFSSON is in de Nederlandse poëzie geen onbekende - zo gemakkelijk dat gezegd is, zo veel komt ervoor kijken. Als er niet een Nederlandse dichter was geweest die toevallig Zweeds kende en in Gustafsson al vroeg een groot dichter herkende, die bovendien de moeite nam om over een periode van twintig jaar telkens weer nieuw werk van hem te vertalen, kenden we misschien alleen maar een paar gedichten uit tijdschriften en bloemlezingen. Hoewel zijn roman over een ballonvaarder, Het eigenlijke relaas over de heer Arenander, al in 1975 is vertaald en er daarna nog enkele prozawerken zijn verschenen, waaronder de roman De dood van een imker, is Gustafsson als prozaschrijver hier niet echt aangekomen; als essayist al helemaal niet. Wanneer er nu een boek verschijnt met meer dan honderd gedichten, afkomstig uit dertien bundels, kun je rustig zeggen dat de Nederlandse poëzie een belangrijk dichter rijker is geworden. Hier is hij een Nederlandse dichter geworden door Bernlef, die in zekere zin Gustafsson tot een van zijn heteroniemen heeft gemaakt. Dat geldt voor meer dichters die hun eigen werk uitbreiden met vertalingen van een andere dichter. De drijfveer om op eigen initiatief iemands werk te gaan verta len zal ook wel iets met een gevoel van verwantschap van doen hebben, maar om te blijven vertalen is er meer nodig; misschien is de ontdekking dat je onder andere omstandigheden en met andere middelen zelf een andere dichter had kunnen zijn, zo'n prikkel om door te gaan. Het beroemde voorbeeld is Pessoa, maar die kweekte zijn heteroniemen binnenshuis en liet ze uit zonder bekend te maken wie de maker was. Waarschijnlijk is het niet toevallig dat er meer Nederlandse dichters zijn die hun eigen werk én de Nederlandse poëzie met vertalingen hebben uitgebreid, en dat is toch iets anders, ik wil niet zeggen beter of slechter, dan wat vertalers doen die complete dichtwerken van bijvoorbeeld Shakespeare, Baudelaire, Rimbaud en Rilke vernederlandst hebben. Interessant is het vast te stellen, en misschien is dat wel uniek in de wereld, dat de Nederlandse poëzie blijkbaar ruimhartig openstaat voor invloeden van buitenaf, of althans voor andere geluiden, dat wil zeggen: er zijn nogal wat dichters en niet de slechtste die een ruime belangstelling aan de dag leggen, dichters die in poëzie geïnteresseerd zijn en niet alleen in eigen roem. Wil een dichter als Gustafsson deel uitmaken van de Nederlandse poëzie, dan is er behalve het initiatief en de trouw van een vertalende dichter of dichtende vertaler dus ook een bepaalde mentaliteit nodig, nieuwsgierigheid naar iets wat men niet zelf in huis heeft. Het bijzondere aan de Zweedse dichter is dan dat hij een soort poëzie schrijft die hier niet zoveel voorkomt. Je hoeft die maar een bepaalde naam te geven – bijvoorbeeld: denkende poëzie - en menigeen die zich poëzieliefhebber noemt, slaat meteen de ogen ten hemel. Helemaal fataal is dan de vermelding dat Gustafsson (1937) al jong in de filosofie is afgestudeerd (in 1961) en zich onder meer intensief met taal- en kennistheorie heeft beziggehouden. En inderdaad zijn daarvan in de gedichten allerlei sporen te vinden, althans op het eerste gezicht. ALS JE ZOU zeggen dat Gustafsson in zijn gedichten filosofie bedrijft met andere middelen, is dat niet eens onwaar, zij het dat die andere middelen werkelijk poëtische middelen zijn zodat er van filosofie in abstracte, academische zin geen sprake is. Je kunt nog verder gaan en stellen dat hij met poëtische middelen de zwakke punten van de filosofie toucheert, op zoek naar juist de onzekerheden die vaak gemaskeerd of ontkend worden. Hoewel geschoold in de analytische filosofie sluit Gustafsson als dichter eerder bij de preso cratici aan. In een brief aan Jan Myrdal schreef hij: ‘Achter de abstracties van de antieke filosofen kun je vaak, als je een beetje moeite doet, veel zinnelijks, concrete waarnemingen en humor ontdekken.’ Het had een kenschets van 'meneer Gustafsson persoonlijk’ (zo heet een roman) kunnen zijn. De titel van een gedicht uit het begin van de jaren tachtig verwijst naar de oude wijsgeren, 'Antieke filosofie in navolging van Eubolides’. Als ik het goed heb was Eubolides van Milete de uitvinder van de paradox dat een Kretenzer zegt dat alle Kretenzen liegen; eind jaren zeventig schreef Gustafsson onder de titel Taal en leugen een boek over drie extreme denkers over taal. In die jaren was hij trouwens op alle gebieden erg productief, hij schreef reeksen romans, veel essays en naar mijn idee zijn beste gedichten; Bernlef koos uit die periode ook de meeste gedichten. IN HET ZOJUIST genoemde gedicht gaat het om 'de werkelijke dingen’ die wij niet kunnen zien. Het volgende naamloze gedicht gaat op dat verschil tussen vreemd en eigen door: 'Wat wij “ik” noemen/ is het meest onpersoonlijke dat wij bezitten:/ stemmen van leraren,/ de kleuterjuf met haar liniaal,/ het fluitje in het al te luid weerkaatsend gymnastieklokaal.// Wat wij “dat” noemen:/ het orgasme, de plotselinge inval,/ de woedeaanval die even bliksemsnel opdoemt/ als de ingeving/ Dat alles is het meest persoonlijke dat wij bezitten.’ Dit idee - dat het eigenste, zoals het lichaam, maar ook de persoon die we ooit waren, de mens ook het meest vreemd is, en omgekeerd - komt al in de vroege gedichten voor; de laatste reeks van 24 gedichten, uit 1996, draait erom: de tijd is al even ongrijpbaar als voorbije persoonlijke belevingen, vertrouwde dingen en mensen. Als een motiefje weerklinkt de zin: 'Het lichaam herinnert zich. Wat voor de ziel slechts beelden waren.’ Waarom de twee zinsdelen door een punt tot twee onvolledige zinnen zijn gemaakt, begrijp ik niet, of de scheiding tusen lichaam en ziel moest juist benadrukt worden. De ziel kent wel beelden, maar weet niet waarvan, terwijl het herinneren van het lichaam zich op een ander niveau afspeelt en langer beklijft: 'Wat het lichaam wist, was hun muziek en niet hun namen.’ Het is link om uit de gedichten zinnen te lichten en die samen te voegen tot een Idee. Poëzie bestaat om te beginnen niet uit zinnen, maar uit regels. Bij deze denkende dichter gaat het bo vendien niet om gedachten, in de zin van sluitreden en uitspraken, maar om gedachtegangen, met alle kronkels vandien; en misschien gaat het nog meer om wat er op die dwaal- en zoektochten van het denken te zien en te beleven valt. Gustafsson laat in zijn gedichten redeneringen moeiteloos overgaan in vertellingen; beelden zijn ook geen voorbeelden maar zelf een vorm van denken, een tussenvorm die zich bij voorkeur in grensgebieden ophoudt. De vraag is telkens wie er denkt of wat er denkt, een vraag die zich onder het bewustzijn en zeker onder het intellect beweegt, zelfs onder de ziel (waar natuurlijk geen moderne denker nog over durft te praten). Mettertijd wordt steeds duidelijker dat de wijsbegeerte van de dichter minder gericht is op nieuwe ontdekkingen en originaliteit dan op wijsheid - nog zo'n onmodieus woord. En wijsheid is nooit chic, nooit origineel, wijsheid is zelfs een beetje banaal, te vergelijken met oude aan het zicht onttrokken paden, waarover het gaat in de 'Ballade over de voetpaden van Västmanland’: 'wij schrijven de paden, en de paden blijven bestaan,/ en de paden zijn verstandiger dan wij/ en weten al datgene wat wij zouden willen weten.’