Een diep ernstige etter

Lucas van der Land was de vriend van Gerard Reve die het meest last had van haaruitval. In De avonden treedt hij op als Jaap Elderer en masseert hij zijn hoofd met petroleum om de kaalhoofdigheid te bestrijden. In werkelijkheid gebruikte hij Lotion Pekelharing, een middel dat in 1885 werd ontwikkeld door een Geneefse apotheker, nadat hij in een krant had gelezen dat de armen van de arbeiders in de olieputten van Alaska een bijzondere beharing ontwikkelden.

Medium reve

Van de drie films die Frits van Egters, de held van De avonden, bezoekt, draaiden er twee niet in de laatste tien dagen van 1946, de tijd waarin de roman zich afspeelt. De enige film die hij inderdaad eind december heeft kunnen zien was De groene weiden, die onder de titel De grazige weiden in een besloten voorstelling werd vertoond, maar niet, zoals in het boek, als nachtvoorstelling op 30 december, maar op zondag 29 december om half elf ’s ochtends.
De befaamde zuinigheid van Gerard Reve ging zo ver dat hij in de jaren vijftig een jaar lang de grote tabaksnerven uit de pakjes Ibis-shag verzamelde en ze opstuurde naar de fabrikant met een verontwaardigde brief dat hij dit in één pakje had aangetroffen. Hij hoopte op een schadeloosstelling van wel tien pakjes shag, maar kreeg tot zijn woede slechts een verontschuldigend briefje, plus een waardebon voor één pakje.

Het zijn dit soort details in Gerard Reve: Kroniek van een schuldig leven, de vorige week verschenen biografie van de zelfbenoemde volksschrijver, die de vraag oproepen hoeveel je eigenlijk over iemand wilt weten. Biograaf Nop Maas zei in een interview spottend dat het levensverhaal van Reve in zes woorden kon worden samengevat: ‘Hij heeft geschreven, gedronken en gemasturbeerd.’ Over dat schrijven, zuipen en onaneren valt kennelijk het nodige te zeggen, want Maas wijdt maar liefst 730 pagina’s aan de jaren 1923-1962, van de geboorte van Reve tot zijn 39ste, als hij diep in het slop zit: er komt dan al jaren geen roman meer uit zijn handen; hij woont in een krot; verdient zijn kostje, volgens zijn eigen Nieuwe Economische Politiek, met vertalingen, lezingen en losse stukken; hij drinkt te veel; zijn liefdesvriend heeft de benen genomen; en als uitkomende homo, ontluikend katholiek en verklaard hater van links haalt hij de afkeuring van velen op zijn nek. In 2010 zullen De vroege jaren worden aangevuld met De ‘rampjaren’ 1963-1975 en De late jaren 1975-2006, bij elkaar nog weer 1400 bladzijden, wat het totaal op ruim 2100 pagina’s brengt.
De omvang mag dan monumentaal zijn, Maas hult zich verder in grote bescheidenheid. Bijvoorbeeld in het motto dat hij voor het eerste deel koos: ‘En mocht je beroemd worden of blijven, gedurende enige honderden jaren, dan zal het zijn op grond van een totaal verkeerde interpretatie van de werkelijke bedoeling’ (Reve in 1964 tegen H.U. Jessurun d’Oliveira). Hij noemt zijn driedelige werk ook nadrukkelijk niet biografie, maar kroniek, om aan te geven dat het vooral een chronologisch en documentair karakter heeft. In het voorwoord bij De vroege jaren waagt hij zich voorzichtig aan een visie op de gebiografeerde, maar die giet hij in slechts vijf pagina’s, nog geen vingerhoedje in vergelijking tot het forse glas dat volgt. En dan nog houdt hij slagen om de arm: ‘Een moeilijkheid van de biografie als genre is, dat ze de neiging heeft een eenheid te maken van een versplinterd leven.’

Uiteindelijk heeft Maas gekozen voor het adjectief ‘schuldig’ in de ondertitel van zijn boek, maar, nuanceert hij ogenblikkelijk, hij had ook kunnen opteren voor een ‘religieus’ leven, gelet op de godsdienstige neigingen die Reve van jongs af aan had; voor een ‘competitief’ leven, als je kijkt naar Reve’s jaloezie tegenover broer Karel; voor een ‘egocentrisch’ leven, als je zijn onvermogen tot communicatie in ogenschouw neemt; voor een ‘eenzaam’, ‘oversekst’, ‘depressief’, ‘mateloos’ of ‘rusteloos’ leven. Maas kiest niet werkelijk, en zo wordt de lezer vergast op details, en op details van details. De werkelijkheid achter de fictie heeft hij nauwgezet nageplozen, uit Reve’s eerste jeugdige krabbels op papier wordt ruimschoots geciteerd, elke ingezonden brief wordt aangehaald, alle kritieken op zijn publicaties worden stuk voor stuk genoemd, elke saillante en minder saillante anekdote weergegeven, et cetera, het lijkt of geen snipper of zucht is weggegooid.

Dit klinkt als kritiek, en sommige stukken van de biografie zijn ook zo overgedetailleerd of bevatten zulke lange citaten dat ze taai lezen, maar toch is Maas’ aanpak begrijpelijk. Want op de vraag hoeveel je eigenlijk van iemand wilt weten, luidt in het geval van Reve voor veel mensen: álles. Dat was tijdens zijn leven al zo, als hij weer eens zijn kasten of zolder uitruimde en een briefwisseling publiceerde, of andere kliekjes onderbracht in bundels met titels als Schoon schip of Archief Reve die gretig aftrek vonden. Reve had en heeft niet alleen lezers, hij werd evenzeer omringd door dwepers, revianen genaamd. Hij is niet gewoon een groot schrijver, hij is een hedendaagse heilige, en zoals van middeleeuwse heiligen elk draadje textiel en elk splintertje bot gekoesterd en tentoongesteld werden, zo is elk bon mot en ‘mauvais’ mot van en over Reve het optekenen waard. Ga maar even naar internet en je ziet dat nog steeds ook de onbetekenendste correspondenties, al dan niet bibliofiel, worden uitgegeven en dat zijn graf en voormalige woonhuizen bedevaartsoorden zijn geworden. Deze zomer was er bijvoorbeeld een bedevaart georganiseerd naar het Friese Greonterp, waar Reve in de jaren zestig met geliefden Teigetje en Woelrat in Huize Het Gras woonde – ‘Welkom op deze heilige plaats’, begroette Woelrat de pelgrims ernstig.
Hoeveel afstand is er nodig voor je een visie op iemand kunt ontwikkelen?

In het geval van Reve waarschijnlijk veel, want los van de schare beate bewonderaars zijn er boekenplanken vol geschreven met interpretaties van zijn werk en heeft hij over zijn leven van jongs af aan een onontwarbaar web van mythen en feiten gesponnen. Maas beschrijft hoe Reve als lagere scholier al kleurrijke verhalen vertelde die volgens broer Karel na enig doorvragen van a tot z verzonnen bleken. In zijn kroniek probeert Maas die draden geduldig te ontwarren, en daarvoor dient de berg van feiten als bewijs. Hij heeft – met dank ook aan Reve en zijn vriend Joop Schafthuizen, die hem op stapels archiefmateriaal trakteerden – ook veel nieuwe feiten opgegraven. Daardoor werpt hij ook steeds nieuw licht op het vele dat al over Reve bekend was.

Maas schetst een gevoelvol beeld van Reve’s jeugd. Gerardje was een stuurs, vreesachtig jongetje, dat wreed was met dieren, ongelukkig was op zowel de lagere school als het gymnasium en vol ijver meeging met het fanatieke communisme van zijn ouders. Het milieu waarin hij opgroeide was kleinburgerlijk, het culturele leven thuis armelijk en het huwelijk tussen zijn ouders slecht, vooral omdat zelfs de lelijke vrouwen in de Communistische Partij niet veilig waren voor de avances van zijn vader. En dan was er ook nog zijn superieure oudere broer Karel die zijn minderwaardigheidsgevoel voedde. Als tienjarige werd hij naar de Pioniers Maxim Gorki gestuurd, waar de jongens politiek verantwoord hakenkruisjes van houtjes kapot moesten gooien of als arbeider dan wel kapitalist verkleed kaarsjes moesten uitblazen, waarbij het uiteraard de bedoeling was dat de kapitalist het onderspit dolf. Je kunt je bij de beschrijving ervan helemaal voorstellen dat Reve met diepe melancholie en treurigheid op zijn jongste jaren terugkeek. Gelukkig, zo laat Maas zien, was Reve toen al gezegend met zijn gevoel voor ironie als antidotum. ‘Lang leve kameraad Stalin, Zon en licht der Sowjet-volkeren’, begroette hij als puber zijn vader, die daar om kon grinniken.

De mooiste passages, hoe kan het anders, betreffen de liefde. Van Reve’s eerste verliefdheid op de drie jaar oudere Tine Fraterman in de oorlog tot zijn huwelijk met Hanny Michaelis van 1949 tot 1959, van zijn amour fou voor de Amerikaanse vertaler James Holmes tot de symbiotische relatie met Wim Schuhmacher, kortweg Wimie – rust in de liefde vindt hij niet. Bij Tine Fraterman ontdekt Reve de lust. ‘En ik geloof wel dat paren even nodig is als eten en drinken’, schrijft hij haar. ‘Overigens hou ik er wel verschrikkelijk veel van, ik sta eigenlijk altijd startklaar.’ Dit niet helemaal tot haar genoegen, want zij laat hem weten dat hij wel wat erg grof te werk gaat en leert hem expliciet de les over de werking van de vrouwenborst.

Als hij met Hanny Michaelis trouwt, is hij zich al bewust van zijn homoseksuele neigingen. Hij is er voor in therapie geweest en koestert de hoop dat het huwelijk hem ervan geneest. Na zijn dodelijke verliefdheid op Holmes in 1951 – hij zal een klein jaar een seksuele verhouding met hem hebben – sleept het huwelijk tussen hem en Hanny zich nog acht jaar voort. Het is soms hartverscheurend om te lezen: zijn onstilbare verlangen naar jongens en zijn rondhoereren in parken en pissoirs, en haar jaloezie en angst voor verlating, en dat tegen de achtergrond van de liefde en kameraadschap die ze voor elkaar voelen. Reve voelt zich schuldig, omdat de ouders van Michaelis in de oorlog zijn vergast en hij haar niet nóg eens aan zichzelf overgeleverd wil achterlaten. Hij bezweert haar meermaals dat hij altijd bij haar zal blijven, als hij zijn vriendjes maar mag hebben, en laat haar uiteindelijk bikkelhard vallen, terwijl zij rouwt om haar geliefde Meik de Swaan, die bij een vliegtuigongeluk om het leven is gekomen.

Reve beseft dat zijn neurosen, waaronder zijn half onderdrukte homoseksualiteit, voedingsbodem zijn voor zijn schrijverschap. Zijn onrustig woelen vormt in 1947 de kracht waarmee hij in een kleine vijf maanden zijn debuutroman De avonden kan schrijven. Maar daarna is de innerlijke turbulentie te groot, en is het schrijven een lijdensweg. Hij ploetert op versie na versie van potentiële romans en verhalen, ontwerpt telkens weer nieuwe schema’s, legt het werk terzijde om zich in de homoseksualiteit te storten, en dan begint het van voren af aan. Zijn hardnekkige poging om voortaan in het Engels te schrijven – het ‘locaal bargoens’ dat het Nederlands volgens hem was, zwoer hij af omdat de Nederlandse overheid schrijvers geen droog brood gunde – doet denken aan het ijzerenheinig vasthouden aan zijn heteroseksualiteit. Hij ploetert jaren door, terwijl hij al lang weet, hem al lang door vrienden is ingewreven, dat het niets zal worden, dat hij het Engels niet genoeg meester is.

Heiligen worden vereerd vanwege hun leven, dat door lijden, wanhoop en moed getekend wordt. Als je De vroege jaren van Gerard Reve tot je hebt genomen is het duidelijk dat dat ook de ingrediënten van zijn leven zijn. Natuurlijk, hij was meester van de ironie en de ongein. ‘Kut, pik, neuken’, schreeuwde hij door de ramen van zijn vrienden over de binnentuinen. Een van de vaste grapjes tegenover Hanny was bij binnenkomst hard op de deur bonzen en ‘Aufmachen! Deutsche Polizei!’ roepen. Tijdens zijn veelvuldige verblijven in Londen in de jaren vijftig maakte hij zich populair met scheten in glazen en het deponeren van zijn lul op een bordje, met een toefje mosterd ernaast.

Hij was vaak een etter, maar wel een in wezen diepernstige etter, die worstelde met zijn homoseksuele en religieuze gevoelens, die de burgerlijkheid proclameerde maar tot in iedere vezel van zijn lichaam een nonconformist was, die uit de chaos waarheid en ontroering wilde scheppen.


Beeld: met Hanny michaelis op het Boekenbal, 1952. Links Lotte ruting (ParticAm Pictures / mai)