Een diep gevoel van minderwaardigheid

Fluwelen woede van klinisch psycholoog Alan Downs is een confronterend en troostrijk boek voor mannen die worstelen met schaamte. Of ze nu homoseksueel zijn of niet.

Anwesh Kuman Sahoo, voormalig Mr. Gay World India © Olivia Arthur, Magnum Photo / HH

Er staat een zin in Fluwelen woede die voor mij – en laat ik maar meteen uit de kast komen als heteroseksueel – de essentie van dit krachtige boek verwoordt: ‘Homoseksuele schaamte is geen gêne over het feit dat je homo bent, het is de overtuiging dat homo zijn slechts een symptoom is van je eigen lelijke ziel.’

Er is iets inherent mis met je, en het feit dat je homoseksueel bent is daar slechts een symptoom van. Uiteindelijk is dat waar dit relaas van Alan Downs over gaat: schaamte om het diepgewortelde geloof dat je niet deugt. Giftige, vaak desastreuze schaamte. Het is een boek geschreven specifiek voor mannelijke homoseksuelen, maar het is – als we mijn sterke emotionele reactie erop als representatief kunnen beschouwen – van waarde voor een veel bredere groep mannen.

Alan Downs, klinisch psycholoog, schreef met Fluwelen woede deels een psychologische analyse, deels een zelfhulpboek en deels een persoonlijk verhaal. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2005 en in 2012 verschenen als herziene, uitgebreide versie, lijkt het anno nu een standaardwerk met cultstatus te zijn geworden. The Observer schatte het op even grote waarde als enkele bekende voorgangers met hetzelfde thema: Goodbye to Berlin, A Boy’s Own Story en Faggots.

Downs is zowel deskundige als ervaringsdeskundige. Als psycholoog sprak hij met talloze homoseksuele mannen. Voorbeelden van dergelijke gesprekken staan verspreid door het boek en illustreren de vele psychologische mechanismen die in het boek aan bod komen. Maar evengoed put hij uit zijn eigen leven. Hoe zijn jeugd was, hoe hij uit de kast kwam en hoe ook hij door de drie fases heen moest die het raamwerk voor zijn analyse vormen: ‘overweldigd door schaamte’, ‘schaamte compenseren’ en ‘cultiveren van authenticiteit’. Over deze fases later meer.

Downs is van de generatie homoseksuelen die in de jaren tachtig en negentig te maken kreeg met de plotselinge, verwoestende impact van hiv. Pas in de epiloog van het boek vertelt hij over zijn eigen volwassen leven als drager van dat virus. De diagnose werd eind jaren tachtig bij hem gesteld en pas in 1996 kwam de cocktail van medicijnen op de markt die de ziekte tot een chronische aandoening zou maken. Downs zag vrienden sterven maar werd zelf gespaard, een geluk dat hij zelf niet kan verklaren en gemakshalve toeschrijft aan gunstige genen en een zwakke variant van het virus. Belangrijker voor zijn verhaal is hoe hij omschrijft wat de ziekte voor hem en veel van de andere dragers betekende: ‘De diepgewortelde, sinistere overtuiging dat hiv er misschien het fysieke bewijs van is dat er van ons niet gehouden kan worden.’ Daar heb je het weer: de overtuiging, die teruggrijpt naar de vroege jeugd, dat er iets wezenlijk anders en vooral verkeerd aan je is. Hiv is daar slechts een fysieke manifestatie van. Je bent niet zozeer een ziek iemand als wel een ziekelijk iemand, abnormaal en ongezond.

Schaamte om wie je bent. De kern, diep vanbinnen, die niet gezien mag worden. Het begint in de jeugd, wanneer er een toenemend besef van het anderszijn ontstaat. Een jongetje ontdekt dat hij andere dingen leuk vindt dan zijn vriendjes, dan zijn vader, of dat hij liever met meisjes speelt dan met jongens. De mens is een groepsdier en anders-zijn is mogelijk levensbedreigend; er bestaat het risico op verbanning; een dier zonder bescherming van de groep is ten dode opgeschreven. Het zijn sociologische instincten en angsten die souvenirs zijn uit ons tribale bestaan en nog altijd sterk van invloed zijn op onze moderne levens. In de eerste fase van Downs’ model zorgen deze principes ervoor dat het jongetje, en later de jongeman, zal proberen ‘normaal’ te zijn, zich aan zal passen en zal ontkennen dat hij anders is. Hiermee onderstreept hij zijn groeiende overtuiging: ik ben verkeerd. Hij creëert een persona, een alter ego dat hij met pure wilskracht tot zijn ware ik denkt te kunnen maken.

Waar sommige homoseksuelen deze eerste fase nooit ontgroeien, en dus nooit uit de kast komen, wachten de mannen die wél uit de kast komen een volgende, haast even moeilijke tweede fase. Het is deze fase waaraan volgens Downs menige homoseksuele man nooit weet te ontsnappen: ‘schaamte compenseren’. Ja, hij is uit de kast gekomen. Ja, in veel landen kun je met een andere man trouwen. Ja, in veel tv-series en films is de homo geen rariteit meer (maar wel vaak een stereotype). Maar de schaamte zit te diep. Schaamte waarvan de man in kwestie zich vaak niet eens bewust is.

Dit gevoel van inherent verkeerd-zijn zorgt voor een chronische behoefte aan erkenning en bevestiging: Ik deug wel. Een behoefte die zich vertaalt naar professionele ambitie (en vaak succes), overmatige ijdelheid, extravagantie, losse sekscontacten en een onderhuidse woede (de fluwelen woede uit de titel) die aan de oppervlakte komt zodra het zorgvuldig geconstrueerde persona bekritiseerd en daarmee ondermijnd wordt. Het gevolg van deze hang naar frauduleuze validatie – oftewel erkenning en bewondering voor een gefabriceerde, kunstmatige identiteit – is dat de ware persoon ongezien en daardoor gespeend blijft van wérkelijke erkenning. Een diep gevoel van eenzaamheid en spirituele ondervoeding bepaalt het leven en het liefdesleven van de homoseksuele man in fase twee. Het is dit type man dat bij Downs in therapie gaat.

Downs schrijft dat hiv voor hem en veel andere dragers ‘het fysieke bewijs is dat er van ons niet gehouden kan worden’

Schaamte en een diep gevoel van minderwaardigheid. Downs schrijft de vorming van deze woekerende, ontwrichtende emoties toe aan de nadruk op de heteroseksuele en masculiene cultuur waarin mannen tot wasdom komen. Vanzelfsprekend krijgt in dezen ook de vader een grote rol toebedeeld, en het is op dit punt in het verhaal dat een kleine nuance wellicht gepast is. Downs rekent zich tot een generatie mannen die overwegend afzijdige, afstandelijke vaders had. Vaders die misschien geen afkeer jegens hun homoseksuele zoons koesterden (en in veel gevallen natuurlijk ook wél), maar die niettemin voor hun zoons geen steun en toeverlaat konden zijn, en al helemaal geen rolmodellen. Hun zoons, die naar hun goedkeuring en bewondering smachtten en bereid waren om daar hun ware aard voor te verdoezelen. Het begin van de dissonantie, kortom. Een gespleten bestaan.

Over die nuance: de auteur erkent dat de tijden wat betreft het bovenstaande wellicht ten goede zijn veranderd. De ijzeren grip van masculiniteit is tegenwoordig wat losser komen te zitten. Zijn generatie, zo geeft hij toe – tevens de generatie die het referentiekader voor zijn boek vormt – had het waarschijnlijk moeilijker dan de daaropvolgende generaties. Aan de andere kant laten de statistieken ook anno nu nog zien dat er onder homoseksuelen relatief meer depressie en suïcide voorkomt dan onder heteroseksuelen. Dat dezelfde principes – die van Downs’ eerste twee fases – daaraan ten grondslag liggen is aannemelijk.

Dat Fluwelen woede bij mij zo hard binnenkwam heeft te maken met de patronen en reflexen die de homoseksuele man in de tweede fase kenmerken. De hang naar erkenning, bevestiging en bewondering zoeken bij vele losse contacten, de vrees dat als ik niet drie keer per week naar de sportschool ga ik voor niemand meer aantrekkelijk zal zijn, de flinterdunne huid waar het kritiek betreft, het streven naar professioneel succes en de diepe angst dat ik dat succes niet behalen zal, hetgeen zou betekenen dat ik niets waard ben, en ten slotte de paniek die een vaste relatie bij me oproept. Hoe kon het dat ik me zó herkende in een boek over mannen die worstelen met hun homoseksualiteit?

Lang verhaal kort. Ik groeide op als nakomertje in het gezin van mijn stiefvader. Mijn drie oudere broers waren halfbroers. Zij waren de zoons van mijn stiefvader. Dat ik me anders zou voelen dan de andere mannen in het gezin was alleen al door die situatie onontkoombaar. Maar ik was in meerdere opzichten anders. Gevoeliger, theatraler. Mijn eigen vader was een kunstenaar. Mijn stiefvader was een zakenman van weinig woorden en nog minder affectie; de klassieke vader over wie ook Downs schrijft. Waar ik naar smachtte, en wat ik niet kreeg, was bevestigd krijgen dat ik erbij hoorde, dat ik er evenveel toedeed als mijn oudere broers. Of eigenlijk: dat ik gewenst was. Daarom ging ik vrolijk mee als we voetbalplaatjes gingen kopen, ook al vond ik er niks aan. Daarom was ik aldoor bezig met polsen: wat kon ik doen om in de smaak te vallen, om gewenst te zijn?

Dus áls er erkenning kwam, dan was die erkenning niet voor míj. In mijn tienerjaren nam ik zo snel en zo veel mogelijk tatoeages, een harnas dat indruk moest maken en waar bewondering voor zou zijn. Een avatar, stoer en mannelijk. Het patroon zet zich in meer of mindere mate zelfs vandaag de dag nog voort. Als iemand mijn werk niet goed vindt val ik in scherven uit elkaar. Meer van dat soort reflexen. Het vergt mijn continue aandacht en bijsturing. En zo kom ik weer uit bij wat ik in de eerste alinea al schreef: dit boek boek gaat in wezen over schaamte om het diepgewortelde geloof dat je niet deugt. Zelf omschrijft Downs zijn boek als een boodschap van zelfacceptatie, niet alleen voor homo’s maar voor alle mannen. En dat is dus precies wat het ook voor mij was.

Ik wil hiermee geenszins beweren dat homoseksualiteit in Fluwelen woede eigenlijk maar bijzaak is en dat het in feite over iets anders gaat. Ook wil ik met mijn verhaal niet zeggen dat het boek op álle mannen van toepassing is. Downs schreef het voor homoseksuele mannen, gebaseerd op zijn eigen ervaringen als homoseksuele man én op die van de vele homoseksuelen met wie hij sprak in de hoedanigheid van therapeut. Het is absoluut de beoogde en meest geschikte doelgroep. Sterker nog: het lijkt me voor iedere homoseksuele man een essentiële – tja, wat eigenlijk? Handleiding? Confrontatie? Spiegel? Waarschuwing? Gids? Dat alles, in feite. Homoseksualiteit voor dummies. Inclusief handige tips voor het ontstijgen van de tweede fase, achterin zelfs gerangschikt in een overzichtelijke tabel.

Want na die moeilijke tweede fase is er natuurlijk nog de derde, waarschijnlijk de belangrijkste en in ieder geval de meest optimistische. Het is de fase die naar verlichting leidt: ‘cultiveren van authenticiteit’. Die term zegt het eigenlijk al. Het derde deel van het boek behandelt de weg naar authenticiteit, naar echte erkenning en echte liefde, voor anderen en voor jezelf; naar werkelijke voldoening, diepgang en eerlijkheid. Downs verlangt daarbij een actieve en alerte houding van zijn lezers; fase drie bereik je door te doen, en niet slechts door te graven in het verleden, want die archaïsche vorm van klinische psychologie is volgens hem hopeloos ontoereikend gebleken. Hij draagt een hele reeks instructies aan: probeer te handelen als de man die je zou willen zijn, kies altijd voor innerlijke rust, verkies voldoening boven bewondering, heb respect voor je lichaam, selecteer je partner niet op zijn seksuele aantrekkingskracht, wees integer. Het zijn open deuren, misschien, maar een open deur is makkelijk te missen als je een fort om jezelf heen hebt gebouwd en jezelf allerlei ontwijkende strategieën hebt aangeleerd. Bovendien vergt het een continue staat van alertheid en radicale eerlijkheid waar het je eigen gedrag betreft; ieder nieuw moment van je leven is de voortzetting van een beoefening die nooit stopt, ook voor Downs niet.

Fluwelen woede is een boek dat in de afgelopen vijftien jaar weinig aan urgentie lijkt te hebben ingeboet. Misschien kunnen we inmiddels zelfs al van een heuse klassieker spreken. Het is een confronterend en troostrijk boek voor mannen die worstelen met schaamte en gevoelens van minderwaardigheid, en nu ga ik het tóch beweren: of ze nou homoseksueel zijn of niet.


Henk van Straten is schrijver van romans en memoires