Theater: ‘Ur’

Een diepe grot

Ze beginnen in ongenadig schel werklicht. Ze kijken naar ons met de koene blik van het herbeginnen. Ergens bij nul starten. En wéten dat je die onschuld niet pakken kan. Maar het desalniettemin toch gaan proberen. Ze, dat zijn de vier onderzoekers en performers van Urland. Hoe noemen we ze deze keer? Verkondiger en denker Ludwig Bindervoet. Geluidtovenaar Jimi Zoet. Verhalenverteller Thomas Dudkiewiecz. Theatraal standwerker Marijn Alexander de Jong. Niet dat ze die kwalificaties zijn geworden of verpersoonlijken. Ur gaat niet over verschuilen. Hun meest in het oog springende kwaliteiten vallen samen met de werkzaamste bestanddelen van hun figuur binnen deze happening. Iets willen ze met z’n vieren ook heel erg graag niet zijn: cultuurpessimisten. De ironie als stijlfiguur wordt weliswaar beperkt toegestaan, maar mag beslist niet het roer overnemen. Wat lijkt op een beginselverklaring is in feite een sommatie van prioriteiten. En hun programma voor de avond.

Small toneel
Urland, Ur © Julian Maiwald

‘Theater. De laatste plek waar de vergankelijkheid tot kunst verheven is. Waar we kijken naar lichamen. Ons opnieuw kunnen afvragen wat een lichaam ons vertelt. We willen een collectieve ervaring, geen beleving. Beleven is passief. Ervaren is actief. Filosofie schuilt in een clownsnummer, schoonheid in het toeval.’ Er wordt in de zaal ongemakkelijk en ook wel besmuikt gelachen. Vanwege de retorica als stijlfiguur vermoed ik. Het is hard werken in deze vechtvoorstelling, waarin de krachtig botsende denklijnen elkaar als het ware de tent uit knokken. Ze menen alles wat ze aan gedachten en posities in hun performance aanbrengen. Op de vloer moet het gebeuren. Het wordt tijd daarover scherp en ondubbelzinnig te zijn.

Hun grote, over mobiele rails naar voren gerolde schatkist, waar de hoekige, neutrale maskers in zijn opgeborgen en ook a very British fool, is uiteindelijk hun speelvloer, badend in warm kunstlicht. Of wordt een samenkomstplek voor de eenvoudige choreografie van rijdende spelers op lieflijk glijdende elektronisch bestuurde cothurnen. En in the end wordt die kist een diepe grot waar de naïef geïmiteerde Indiana Jones van het toneelfundamentalisme in afdaalt om… ja om wát te doen? Iets van een heilige graal uit te graven misschien? Het tastbare bewijs van het evidente Moeten? Zonder meligheid hier en daar gaat dat trouwens allemaal niet. De boog kan niet altijd, enfin, u weet wel. Er zitten dus wat tuttige intermezzo’s in Ur, ‘pauzenummers’. Om adem te halen voor de volgende zwiep.

Door omstandigheden stond er afgelopen maand veel grootschalig lawaai, nogal wat toneelexistentie en een hoop vernieuwing uit Verweggistan op mijn programma. Waardoor het weinig scheelde of ik had precies déze toneelavond gemist. Ik kom er ook laat mee. Het is niet anders. Ur is een belangrijke voorstelling, denk ik. Omdat de verbeeldingskracht van het medium trots en met overtuiging op het schild wordt gehesen. Niet als trofee. Maar als levendig pleidooi tégen moedeloosheid, walmend cynisme. En vóór de zuivere vorm als noodzaak én mededeling.


Ur is in april in ieder geval nog in Almere, Arnhem en Enschede te zien; urland.nl