Een dietse aristoteles

Maerlants wereld. Uitgeverij Prometheus, 487 blz., f75,- (geb.) f45,- (pap.)
GROTE AFWEZIGE in Maerlants wereld, de vuistdikke studie van Frits van Oostrom, is opmerkelijk genoeg de middeleeuwse auteur zelf. Eerder concentreerde de Leidse hoogleraar in de Nederlandse letterkunde zich met Het woord van eer (1987) op het literaire leven van de Haagse kringen uit het begin van het herfsttij der middeleeuwen. Nu pakt hij Jacob van Maerlant aan en dat moet een stevige aanslag op zijn uithoudingsvermogen zijn geweest: de man liet een enorm oeuvre na. Maerlant schreef een wereld in woorden bij elkaar, ondergebracht in driehonderdduizend verzen. Zijn werk beslaat twaalf grote dichtwerken en een tiental strofische gedichten - geen andere dichter heeft hem dat ooit nagedaan.

Over zijn leven is vrijwel niets bekend, zelfs naar geboortedag en sterfjaar is het gissen. Uit zoveel onzekerheid valt geen biografie samen te stellen, zijn persoon laat zich alleen benaderen door te speculeren. Met dit woord opent Maerlants wereld dan ook, toeval of niet. Maar de ingenieuze manier waarop Van Oostrom dat doet, zijn liefdevolle aandacht, zijn niet aflatende nieuwsgierigheid en bewonderenswaardige kennis van zaken brengen deze uitzonderlijke figuur bijna levensecht dichtbij.
MAERLANT moet omstreeks 1230 in Brugge zijn geboren. Hij woonde en werkte direct na zijn studie een tijdlang op het eiland Voorne in het plaatsje waar hij zijn naam aan ontleende, Maerlant. Daar was hij koster en dat betekende in die dagen dat je ook onderwijs gaf. Hij sleet de laatste 25 jaar van zijn leven in het bedrijvige Damme, de havenstad van Brugge. Daar stierf hij omstreeks 1300 en ligt hij begraven onder de klokketoren van de Onze Lieve Vrouwe Kerk. Want ‘dan zullen ze altijd over (voor, maar ook: boven) mi luden’ zou hij bij zijn dood hebben gezegd.
Roem werd al snel zijn deel; een eeuw later eerde men hem reeds als 'de vader der Dietse dichtren algader’. Velen schreven delen uit zijn werk over of imiteerden hem. Maar in Damme herinnerde men zich zijn graf vooral als dat van Tijl Uilenspiegel, die andere literaire beroemdheid uit deze contreien waarmee Maerlant behalve het plezier aan woordspel zijn opkomen voor de armen gemeen had.
Daarnaast is er natuurlijk zijn ontzaglijke oeuvre dat, misschien wel vanwege die omvang, in de bibliotheek lag te verstoffen. Om de 'Dietse Aristoteles’ in beeld te krijgen, koos Van Oostrom voor de methode van de omweg. Spoorzoekend in zijn werk, tussen de regels door lezend en verbanden leggend met historische gebeurtenissen uit zijn tijd, krijgt hij zijn prooi tenslotte toch in het vizier. Uit het intellectueel profiel dat gaandeweg in het boek ontstaat, komt Jacob van Maerlant tevoorschijn als een universele geest, 'een pionier van formaat waar het de vertolking van de moderne wetenschap betrof’, die het Nederlands, Frans en Latijn uitstekend beheerste en van alle drie de talen de culturen meekreeg.
MAERLANT vergrootte zijn talent door zichzelf voortdurend tot leerling te maken van een reeks autoriteiten uit de wereldliteratuur. Verder was hij, als hij vond dat het moest, een niet mis te verstane polemische geest die al zijn scherpzinnigheid inzette om de misstanden in de kerk aan de kaak te stellen. Hij vertaalde en bewerkte het werk van de grote schrijvers uit zijn tijd en de klassieke oudheid - vooral Ovidius was lang een inspiratiebron -, verifieerde hun teksten middels eigen empirisch onderzoek en maakte ze door zijn vertaalarbeid toegankelijk voor de kring van lezers om hem heen. Dat Floris de Vijfde daartoe gerekend moet worden, weet Van Oostrom overtuigend te bewijzen.
De leerling wierp zich vervolgens in zijn eigen geschriften weer op als de leermeester van zijn tijd. Van Oostroms boek maakt duidelijk hoe Maerlant als schrijver zijn invloed heeft willen uitoefenen op zijn adellijke opdrachtgevers. Dat blijkt onder meer uit het tweeduizend verzen tellende Heimelijkheid der heimelijkheden (ca. 1266), dat Floris als voornaamste adressant heeft en dat is geschreven als een vorstenspiegel waarin hij het opgroeiende kind alvast de drie kardinale deugden voorhoudt die beslissend zijn voor een groot bestuurder: wijsheid, gerechtigheid en grootmoedigheid.
BEHALVE MORALIST mag Maerlant ook een didacticus heten: hij was er steeds op uit alle zich eigengemaakte kennis met anderen te delen. Als schrijver combineerde hij nieuwsgierigheid met zendingsdrang en werklust, in zijn strofische gedichten sloot hij aan bij de vaganten - en daarvan bij de sociaal en niet de erotisch bevlogenen, want aan alles wat naar seksualiteit neigde, had hij een broertje dood. Als historicus ging het hem om de waarheid, maar waar hij dat nodig vond, was hij een minstens zo groot manipulator als de minstreels. De monarchist in hart en nieren was de eerste dichter in ons taalgebied die een complete bijbel navertelde (Rijmbijbel, 1271) - met speciale aandacht voor het boek Koningen -, hij schreef de eerste biologische encyclopedie (Der naturen bloeme, ca. 1270) met daarin speciale aandacht voor de valk, de koningsvogel, en stelde de eerste Nederlandstalige wereldgeschiedenis (Spiegel Historiael, ca. 1285) samen - uiteraard in de eerste plaats een kroniek van koningen. Maerlant publiceerde daarnaast studies over stenen, dromen en heiligen. Die heiligenlevens maakte hij vooral om sympathie te winnen voor de armsten uit de samenleving en te fulmineren tegen het kwaad dat door hebzucht teweeg werd gebracht.
De werkwijze van Van Oostrom heeft het effect van een dubbelslag. Minutieuze bestudering van de historische context stelt hem in staat om breeduit in te gaan op de culturele en maatschappelijke geschiedenis van Vlaanderen en Holland. Tegelijkertijd kan Van Oostrom zo laten zien hoe die invloed doorwerkte in Maerlants denken en hem zelf en zijn geschriften vormde. Ter illustratie daarvan twee voorbeelden.
Maerlant debuteert omstreeks 1260 met een biografie over Alexander de Grote, Alexanders geesten, een indrukwekkend heldenverhaal, flambloyant en didactisch geschreven. Van Oostrom concludeert dat het werk met al zijn vezels vastzit aan de cultuur waarin de schrijver gevormd is, de Latijnse middeleeuwse school. De auteur weet aannemelijk te maken dat dit de kapittelschool Sint-Donaas uit Brugge moet zijn geweest, een internaat dat in de praktijk fungeerde als een kweekplaats voor geletterden waar leerlingen werden klaargestoomd voor het steeds professioneler worden van het grafelijk bestuur in Vlaanderen. Van Oostrom weidt niet alleen uit over het schoolleven in die tijd, hij weet zo ook een verband te leggen met Maerlants activiteiten op Voorne.
Op dit eiland komt Maerlant onder de invloed van Aleid van Avesnes, zuster van de door de Friezen vermoordde Roomskoning Willem II, de vader van Floris, die ze vanaf zijn vierde jaar onder haar hoede nam. Heel Floris’ opvoeding was doortrokken van een verlangen naar genoegdoening voor de laffe moord. In die geest schreef Jacob van Maerlant ook zijn eerste verhalende werken. Het zijn geen ridderromans, betoogt Van Oostrom, zich daarmee afzettend tegen de traditionele opvattingen van de handboeken, ze zijn specifieker: 'verhalen over jonge prinsen die tegen aanmerkelijke weerstand in tot grote heerschappij geraken’. Koningsromans dus, exempelen voor Floris.
Scone rijmt bij Maerlant altijd op crone, here op ere - en deze vier rijmwoorden vormen ook de kortst mogelijk samenvatting van een oeuvre dat zo'n anderhalf miljoen woorden telt. Van Oostrom maakt dat weer toegankelijk in een koninklijk boek. Maerlants wereld is een studie van allure, het is het werk van een scherpzinnig wetenschapper die geen detail overslaat, daarbij steeds de grote lijn in de gaten houdt en dank zij zijn vaardige pen deze middeleeuwse schrijver en onderwijzer tot een tijdgenoot weet te maken.