Een ‘dirty little secret’

Het had een boeiend debat kunnen zijn, het redekavelen over het Nederlandstalige woord ‘literatuur’, ware het niet dat de voorlopige deelnemers eraan zich wereldvreemd opstellen. En sommigen kunnen hier niets aan doen, ook al willen ze. Het is alsof deze deelnemers, intellectuelen, zich door hun bestaan in een ivoren toren zalig onbewust tonen van een grotere wereld van ‘kunst’ en ‘cultuur’, waarbij het gebruik van de termen ‘literatuur’ en ‘genre’ wezenlijk lijkt te verschillen van dat in andere, veelal Angelsaksische landen. Zo komt het dat onwetendheid en onverschilligheid schering en inslag zijn, om niet te zeggen kortzichtigheid, waardoor het debat weinig inspirerend en hoofdzakelijk naar binnen gericht is.

Het is wel vermakelijk, ook al heb je soms het idee dat je kijkt naar een debat in Frankrijk, Engeland of Amerika, circa 1980. Neem Connie Palmen in De wereld draait door. Altijd een boeiende verschijning op televisie, met die rokersstem, dat There’s Something About Mary-haar en die eeuwig halfdronken manier van praten. Een intellectueel, to be sure. En petje af: ze wil de literatuur beschermen, maar dan wel op een rare manier, namelijk door mensen niet te willen opzadelen met iets als Joyce. Het gepeupel? Laat dat gerust Saskia Noort lezen. Past bij die lui. Ons soort, dat leest Ulysses! En ze meende ieder woord dat ze sprak, zoveel was duidelijk, wat haar nog meer bewonderenswaardig maakt. Maar ze zit er verschrikkelijk naast. Hoe Palmen hiermee wegkomt, is een raadsel. Haar stelling dat literatuur geen cliché mag bevatten, bijvoorbeeld. Zo diskwalificeert ze in een keer genre as literaire modus, en daarmee ook schrijvers als Shakespeare.
Maar meer nog valt in dit debat op hoe wereldvreemd intellectuelen omgaan met het woord ‘literatuur’. In Nederland wordt ‘literatuur’ steevast gekoppeld aan een waardeoordeel. Robert Anker stelt in De Groene Amsterdammer van 17 april dat het ‘stripverhaal’ geen ‘literair genre’ is. Boeiend. Om met ‘stripverhaal’ te beginnen. Dat is bij Anker enkel van Europese makelij. En ook Will Eisner, blijkbaar, alleen maar omdat hij nu in het Nederlands verschijnt. Vervolgens gebruikt hij ‘literatuur’ en ‘genre’ in een constructie, wat een denkfout veroorzaakt: literaire genres zijn, in fictie, dingen als thrillers, sciencefiction, horror, komische roman, epische roman, rechtbankroman. ‘Literatuur’ kan geen genre op zich zijn, zoals Anker stelt, waarmee hij dus de strip wil uitsluiten. De strip, die niet ‘literair’ kan zijn, omdat de taal van de strip niet literair is (onder meer, zegt Anker op bespottelijke wijze, doordat de schrijver van deze teksten vaak iemand anders in dan de tekenaar). Lieve hemel, dit is vermoeiend. Dan maar weer eens les één van de kleuterschool: de taal van strips is niet woorden, maar woorden én beelden. Strips hebben een unieke beeldtaal die natuurlijk literair (niet in de betekenis van ‘goed’ of ‘slecht’, maar bedoelende ‘vorm’) kan zijn. Een syntaxis, een grammatica. Wanneer deze unieke taal ook nog geschreven woorden van een begaafde schrijver bevat, dán komt het waardeoordeel ‘hoge kunst’ in het spel. Er zijn talloze voorbeelden (Stan Lee en Steve Ditko en Jack Kirby), maar ik volsta voorlopig met: Alan Moore en Dave Gibbons (zoek het maar op, Robert Anker).

In het debat staat ‘literatuur’ tegenover ‘hoog/goed/prachtig’ zoals ‘lectuur’ staat tegenover ‘laag/slecht/lelijk’. Niet waar? Welnu. In de Engelse taal bestaat het woord ‘lectuur’ niet. Je zou het hooguit kunnen vertalen met iets universeels als reading matter, wat te lezen, dus. Ik ben helemaal niet thuis in Frans en Duits, maar zou vertalingen in de talen respectievelijk Lektüre en lecture of littérature populaire kunnen zijn? Wellicht. Dat geeft meteen het verschil aan tussen het Angelsaksische gebruik van het woord, of het idee, ‘lectuur’ en de Europese en dus ook Nederlandse benadering. In Engeland en Amerika, waar ‘lectuur’ niet bestaat, valt ‘lectuur’ gewoon onder ‘literatuur’. Iets om te lezen, dus. Dat kan van alles zijn, van Joyce tot Dan Brown (of onze eigen Saskia Noort, een actueel voorbeeld). Wie in Engeland zegt dat Browns Angels & Demons literatuur is, zal geen moment raar worden aangekeken. Zelfs niet als hij zegt dat Dan Brown grote literatuur schrijft. Want dat is inderdaad open voor discussie. Dat komt doordat het debat over hoog en laag in de Angelsaksische landen al lang gevoerd is. In Engelstalige kranten wordt Brown neergezet als iemand die slechte literatuur schrijft, maar nog altijd literatuur. Natuurlijk, het is hoogst discutabel dat Brown geweldige boeken schrijft – The Da Vinci Code is terloops helemaal niet slecht – maar niemand bij The New York Times Book Review zou het wagen hem per definitie uit te sluiten van ‘literatuur’, om hem zo te verbannen naar een wereld waar men in de Engelse taal niet eens een woord voor heeft (lectuur). Hooguit kun je zeggen: het valt moeilijk hard te maken dat Dan Brown en James Joyce op hetzelfde niveau staan.
En de kernvraag is deze: hebben Nederlandse intellectuelen überhaupt een notie van wat er in de Angelsaksische landen aan literatuur wordt geproduceerd? Ik denk van niet. Ik denk dat hier een dirty little secret speelt. Ik denk dat mensen als Connie Palmen en Arie Storm en Kees ’t Hart – en laten we hier geen misverstand over laten ontstaan: ik verafgood hen allemaal, want ze zijn goed, en ze houden van goed – simpelweg geen idee hebben. Dat kan ook niet, want wie het allemaal wil bijhouden, heeft verder geen leven. Stap eens The American Book Center op het Spui binnen. Twee etages literatuur, waarvan één etage door Palmen dus als ‘lectuur’ zal worden afgemaakt, juist die etage waar de meeste mensen komen: thrillers, graphic novels en sciencefiction. En wat vinden we op deze rekken? Een greep in het wilde weg. Agatha Christie. Ursula K. Le Guin. Mary Shelley. Donald Westlake. Raymond Chandler. De onnavolgbare Lawrence Block. Shakespeare (graphic novel). Conan Doyle. Neal Stephensons Anathem. Stephen King. Kurt Vonnegut (The Sirens of Titan), Philip K. Dick. Richard Matheson.
(Hou je het nog bij, Connie?)
En William Gibson. J.R.R. Tolkien. Frederick Pohl en C.M. Kornbluth. James Blish’ Cities in Flight. James Tiptree jr.
(Lees Her Smoke Rose Up Forever, alleen al vanwege de prachtige titel.)
Lectuur?
Kom nou toch.
Sciencefiction?
Absoluut.
Literatuur?
Spreekt voor zich.
Allemaal reading matter. Literatuur. Iets om te lezen, in hemelsnaam, sommige goed, sommige slecht. Literatuur, dat zeker. Wie zijn ogen hiervoor sluit, is een dief van zijn eigen hart. En die maakt zo ook nog een jongere generatie monddood. Want ga maar eens op de eerste etage rondlopen: het zijn jonge mensen die deze boeken lezen, veel buitenlanders, oké, maar je hoort er ook wel heel erg vaak Nederlands klinken. Een geweldig teken.
Dus, Connie Palmen, Gerrit Komrij, Joost Zwagerman, Harry Mulisch, Kluun, Saskia Noort, Susan Smit – allemaal maken ze literatuur. Ze zijn niet allemaal even goed, dat moge wel duidelijk zijn. Want dát is het debat, over kwaliteit. Niet over hoog of laag. Niet over literatuur of lectuur. Niet over exclusiviteit, over hokjes of klasse, maar over goede en slechte boeken. Over wat je inspireert, over literaire werken die je het leven, de werkelijkheid, met nieuwe ogen laten zien. En daar zijn er véél van.