Een donker veld tussen bevroren sloten

NACHOEM M. WIJNBERG, DIVAN VAN GHALIB
Contact, 164 blz., € 24,95

Water

Er is genoeg water in de buurt van mijn huis
om elke dag ergens te zitten waar ik lange tijd niet geweest
ben.

Een stoet komt over de rivier voorbij, schip na schip, bijna helemaal
boven het water uit,
zo wil ik wel ergens heen gebracht worden.

Jij hebt je beroep gemaakt van huilen omdat iemand doodgegaan is
en jij niets krijgt,
het is tenminste duidelijk wat je verkoopt.

Als ik over donker water weggebracht word,
sta je langs de oever, stil als ik voorbijkom.
‘Poëzie is het maken van betekenis, niet van iets anders’, aldus de stelling van een van de vele sprekers in de nieuwe, bijzonder lijvige bundel van Nachoem M. Wijnberg. De bewering klinkt aannemelijk, maar is ze ook waar? En wat betekent ze eigenlijk? Poëzie wordt hier voorgesteld als een productieproces, als een vorm van schepping die nieuwe inzichten oplevert, maar gaat het dan om een eigenschap van de gedichten, om de activiteit van de dichter, of om wat de lezer geacht wordt te doen? Dat Wijnberg in de eerste plaats aan de dichter heeft gedacht, blijkt uit het vervolg van de zin: ‘elke keer dat Ghalib een nieuwe betekenis bedenkt wil God/ die met hem ruilen voor iets anders’. De dichter concurreert in scheppingskracht met God, die dan ook jaloers is. Gedichten kunnen namelijk van beslissende invloed zijn op de toestand van de wereld:

Een gedicht brengt de dag dat besloten wordt dichterbij, een droom
van een gedicht geeft een dag uitstel,
waar woorden iets betekenen zijn die van Ghalib de wet.

Over de zes geciteerde regels kun je een dag nadenken. Hun betekenispotentieel is enorm, maar de kans is klein dat je aan het einde van die dag een sluitende interpretatie hebt gevonden. De strofen hebben je tot een schepper van betekenis gemaakt.
Wijnberg is een ongehoord productief dichter. Eerder dit jaar werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend voor de in 2008 verschenen bundel Het leven van, die sterk narratief van karakter was. In Divan van Ghalib worden ook verhalen verteld, maar de structuur van de gedichten is vooral associatief, in die zin dat anekdotische elementen zijn ingezet om filosofische redenaties te illustreren, alsof het om parabels gaat. In veel gedichten speelt de Noord-Indiase dichter Ghalib (1797-1869) een rol, wiens in het Urdu en het Perzisch geschreven poëzie Wijnberg tot inspiratiebron heeft gediend. Wijnberg heeft er nooit een geheim van gemaakt dat zijn werk voortkomt uit een confrontatie met literatuur uit het verleden. Met name de Chinese klassieken hebben hun sporen nagelaten, maar ook Grieks, Hebreeuws, Japans en Perzisch materiaal is in ruime mate benut. Ik ben benieuwd welke bronnen hij hierna gaat aanboren.
Intussen heeft zich in Wijnbergs oeuvre wel een opvallende ontwikkeling voltrokken. Zijn eerste bundels worden, hoezeer ze onderling ook van elkaar verschillen, gekenmerkt door een compromisloze hardheid die je soms de adem beneemt, hetgeen valt toe te schrijven aan het feit dat de dichter heeft afgezien van welke poëtische verleidingstrucs dan ook en zijn vaak verschrikkelijke scenario’s tot hun kaalste essentie heeft teruggebracht. Maar vooral sinds Liedjes (2006) hebben mildheid en muzikaliteit de overhand gekregen op meedogenloze stroefheid. Het verklaart wellicht de toegenomen populariteit van Wijnbergs poëzie.
Divan van Ghalid is zijn meest ontspannen bundel tot nu toe. De betogende inzet en de soms halsbrekend gecompliceerde zinsbouw zijn gebleven, maar door de stapsgewijze compositie van de vaak lange gedichten, het visuele ritme van de strofen en de kalme toon van de zinnen ontstaat er een weldadige openheid, een schier eindeloze ruimte die je als lezer kunt opvullen, maar niet hoeft op te vullen, met beelden, eigen associaties en, inderdaad, betekenis. Het gevolg is dat het geen zin heeft de bundel achter elkaar door te lezen. Iedere witregel vraagt om een mijmerpauze die niet noodzakelijkerwijs leidt tot een verklaring van het gelezene, maar wel de geest verruimt. ‘Ik wist niet dat ik zo kon spreken, met grote sprongen naar waar ik/ het over wil hebben,/ over een donker veld tussen bevroren sloten.’
Hoe moet je citeren uit zo’n bundel, waarin het ‘donker veld tussen de bevroren sloten’, de open ruimte tussen de strofen in zekere zin belangrijker is dan wat er staat? Dit is poëzie die je in haar uitgestrektheid moet ondergaan, een contemplatieve overgave waarvoor je de tijd moet nemen, anders werkt het niet. Zweverig zijn Wijnbergs gedichten allerminst. Juist hun lucide eenvoud en hun aardse concreetheid slagen erin je boven jezelf uit te tillen:

Ik wil toch helemaal niets behalve in de schaduw zitten van naar wie
ik verlang,
en met haar meebewegen als zij beweegt, om in de schaduw
te blijven.

Van een ronduit praktische helderheid is deze strofe: ‘Ik moet ’s ochtends vroeg op alle deuren kloppen,/ maar ze weten dat ik dat niet meer kan, daarom/ hebben ze mij gisteravond al hun deuren gebracht.’ Goed kijken, rustig nadenken, alle mogelijkheden overwegen, daar gaat het om: ‘ik denk dat ik nu zie hoe wij bij dood aan kunnen komen;/ jij en ik, als we er vroeg zijn kunnen we er een tijd lang naar/ kijken.’

NACHOEM M. WIJNBERG
DIVAN VAN GHALIB
Contact, 164 blz., € 24,95