Willem Schinkel antwoordt zijn critici

Een doodlopende steeg

Studenten hebben uit onvrede met het huidige bezuinigingsbeleid het P.C. Hoofthuis in de Spuistraat bezet. © Ingrid de Groot/Hollanse Hoogte

Mijn brief aan WOinActie heeft, naast herkenning en inhoudelijke bijval, veel boze reacties en inhoudelijke kritiek opgeleverd. Dat wijt ik aan mijzelf. Ik heb, met de stijl die ik in de brief koos, het belang van het affectieve moment van het organiseren onderschat. Ik ging er te veel vanuit dat de brief, in het licht van mijn jarenlange participatie in discussies en strijd over de universiteit, als een productieve irritatie zou worden opgevat, maar dat is niet het geval en ik zie achteraf ook wel waarom. Het was beter geweest als ik verslag had gedaan van mijn ervaringen uit en met De Jonge Akademie, de politiek, Science in Transition, VSNU en de bezetting van het Maagdenhuis en De Nieuwe Universiteit. Ook had ik beter de bestuurders die met WOinActie meedoen kunnen aanspreken op wat hun steun nog meer van ze vergt.

De brief die ik schreef kwam voort uit een combinatie van liefde voor de universiteit en irritatie bij de achteruitgang die er lijkt te zijn in de strijd erom. Ten opzichte van zowel De Nieuwe Universiteit als Science in Transition is WOinActie achteruitgang, want een onnodige, zij het als ‘strategisch’ gepresenteerde vernauwing tot budgeteisen. Maar schrijven uit irritatie is geen goede manier om productieve irritatie teweeg te brengen.

Uit de reacties van Josef Früchtl en van Ido de Haan en Ingrid Robeyns spreekt dus een terechte boosheid over mijn stuk, en het is een boosheid die ook op sociale media veel te zien was. Tegelijk maken de reacties het een en ander expliciet en bieden ze de gelegenheid het problematisch karakter van de eisen van WOinActie beter te verwoorden. Ik ga eerst in op de gemaakte punten over de politiek van het actievoeren, en dan op de eisen van WOinActie en het thema ‘werkdruk’. En ik sluit af met de vraag wat we over de universiteit kunnen leren uit het venijn dat met dit alles zichtbaar wordt.

Beide reacties leggen uit hoe de politiek van actievoeren eruitziet. Actievoeren, maakt Früchtl duidelijk, betekent ongemakkelijke allianties met macht en soms vuile handen. Politiek is niet voor puristen. Hij heeft daar gelijk in. Maar mijn punt ging niet over de alliantie met de macht van de bestuurders, maar over de ‘interne’ alliantie met de macht. Er zijn namelijk velen die niet met WOinActie meededen omdat ze constateerden dat de lokale actievoerders ook degenen waren die de concurrentie en, bijvoorbeeld, het seksisme op hun afdeling gaande hielden. De Haan en Robeyns, evenals velen op sociale media, hebben aangegeven dat WOinActie allang met zulke andere thema’s bezig is, dus dat institutioneel seksisme en racisme ook op de agenda staan. Dat geloof ik onmiddellijk. Ik claim niets te zeggen wat niet al gezegd is. Maar het antwoord is dus, als ik het goed begrijp: ‘die verdere kritiek op de universiteit delen we, want dat zeggen wij binnenskamers ook’.

Maar wat wordt er openbaar gemaakt? Twee eisen: afschaffing van de doelmatigheidskorting en meer geld naar de universiteit. Het kan wel zijn dat WOinActie op interne bijeenkomsten andere punten heeft, maar het is niet mijn keuze geweest die punten achterwege te laten in het openbaar maken van eisen. Bovendien vraagt WOinActie niet om geld voor WOinActie, maar voor de universiteit. En of de punten die ik noem breed gedeeld worden binnen de universiteit is nog maar de vraag – eigenlijk weten we wel dat het geen vraag is, dat een bredere transformatie van de universiteit, inclusief haar dekolonisatie, niet op de agenda van CvB’s staat.

Dat bleek afgelopen week nog eens, toen UvA-studenten het P.C. Hoofthuis bezetten en wel een veel breder eisenpakket openbaar maakten. Nog op dezelfde dag werden ze, op verzoek van het CvB van de UvA, door de ME verwijderd. Dat is tekenend voor de nauwe relatie tussen de manier waarop de productie van kennis georganiseerd is en de manier waarop de productie van geweld georganiseerd is. Studenten doen iets vreemds, iets wat buiten de orde is: ze bezetten een gebouw. En meteen op dezelfde dag wordt geweld ingezet om ze eruit te slepen. Geert ten Dam, collegevoorzitter van de UvA, vond het jammer, want het was juist zo’n gezellige actieweek. En Josef Früchtl leert dat zo’n gewelddadige ontruiming op de goedkeuring van Michel Foucault had kunnen rekenen, want politiek betekent onwelgevallige coalities. Puristen die daarover klagen.

Maar er zijn mensen die aangeven niet mee te willen doen omdat ze zich in een ondergeschikte positie bevinden. En de machtsmannetjes op hun instituut bij de activisten van nu horen. Zijn dat puristen, leunstoelprotesteerders? Moeten ze werkelijk aannemen dat de actievoerders van nu, na de ‘strategische keuze’ eerst voor het geld te gaan straks – als het extra geld binnen is – ook de dekolonisatie van de universiteit gaan bepleiten? Alleen vanuit een heel specifieke positie kun je zeggen, zoals De Haan en Robeyns impliceren, dat de witheid en de mannelijkheid van de universiteit een zaak is voor ‘achter de komma’, dat het daarbij om ‘fijne verschillen’ gaat en dat het prima is dat nu even te parkeren om voor het bedrag ‘voor de komma’ te gaan. Ik pretendeer niet namens wie dan ook te spreken, maar heb wel de mogelijkheid een ander geluid te laten horen, openbaar te laten horen. Ik denk alleen dat het veel productiever was geweest als ik dat op een andere manier en op een ander moment had gedaan.

Tegelijk is er ook veel te leren van het expliciet worden van dit soort ideeën: geld is wat voor de komma staat. De rest, inclusief dat wat doorgaans ‘diversiteit’ heet, en de relatie tussen universiteit en publieken, is bijzaak, ‘fijne verschillen tot in het derde en vierde getal achter de komma’, zeggen De Haan en Robeyns. Wat ‘strategie’ genoemd wordt, klinkt als een bekende retoriek waarmee witheid en mannelijkheid historisch vaker bestendigd zijn: ‘dit is niet het moment voor jullie eisen, dat doen we later, nog even geduld’. Eerst wordt nu dus meer geld voor deze universiteit gevraagd.

Maar wat De Haan en Robeyns mijn ‘minachting voor de arbeidsomstandigheden van universitaire medewerkers’ noemen, is eerder een onderkenning van het feit dat die medewerkers hun rangen gesloten houden en verandering blokkeren op manieren die niet exclusief tot hun werkdruk te herleiden zijn. Uit hun retoriek van ‘strategische keuzes’ en ‘achter-de-komma-problemen’ spreekt een minachting voor al diegenen die in de huidige universiteit überhaupt niet in de positie zijn arbeidsomstandigheden te hebben. Dus wie er nu ‘cynisch’ is (De Haans en Robeyns’ verwijt), dat hangt waarschijnlijk nogal af van je positie.

Mijn doel was duidelijk te maken dat de institutie zelf intern verdeeld is op zo’n manier dat meer geld meer van het zelfde betekent. Dat de institutie een interne machtsverdeling kent die ertoe leidt dat meer geld een bestendiging van die macht betekent. Dat, immers, is het feit van de geschiedenis van de universiteit van de afgelopen twintig jaar, waar alleen maar meer geld naartoe is gegaan met alleen maar meer uitbuiting. WOinActie deelt de kritiekpunten die ik noem en die velen al jaren wel openbaar maken: prima, maar de geschiedenis van de universiteit geeft geen aanleiding tot vertrouwen dat het allemaal goed komt als er maar meer geld is.

Zowel Früchtl als De Haan en Robeyns beweren dus dat ik niet met WOinActie mee wens te doen (ik denk zelf overigens dat ik er wel aan meedoe middels deze uitwisseling) omdat ik me niet aan de noodzakelijke ‘strategische keuzes’ en politieke allianties wil wagen. Maar het grootste probleem is niet de samenwerking met de macht in het stellen van de eisen, maar de eisen zelf. Mijn eigen inzet is de afgelopen jaren steeds geweest dat een discussie over de universiteit moet beginnen bij de publieke taken van de universiteit en niet bij geld. De keuze om eerst voor meer geld te vechten werkt alle andere doelen naar alle waarschijnlijkheid tegen.

Want het is een vreemde redenering: er is veel mis met de manier waarop universiteiten georganiseerd zijn, dat onderkennen we, dus nu graag meer geld voor de universiteit. Hoe zou dat iets anders betekenen dan het bestendigen van het bestaande systeem? En hoe is dat te verkopen aan andere delen van de publieke sector, in het bijzonder die delen waar de lonen significant veel lager zijn? De Haan en Robeyns beweren dat de logica van kapitaal niet op de universiteit opereert, maar het grootste probleem op de universiteit is in hun ogen wel een ‘neoliberaal bewind’. Denken ze dat het laatste bestaat zonder het eerste? Dat is natuurlijk niet het geval, en dat is waarom ‘werkdruk’ de verkeerde diagnose is.

Ik erken dat ‘werkdruk’ een mobiliserende term is, en in die zin is hij te waarderen, meer dan ik heb gedaan. Het staat ook buiten kijf dat er een hoge werkdruk is, dat bestrijd ik nergens. Maar ‘werkdruk’ is een symptoom, een effect van, in termen van De Haan en Robeyns, een neoliberale concurrentie binnen de universiteit. De Haan en Robeyns maken dus namens WOinActie expliciet dat het een strategische keuze is geweest om te beginnen met symptoombestrijding. Als ze vervolgens de parallel met het bedrijfsleven trekken, waar arbeiders eerder succesvol zijn geweest om betere arbeidsvoorwaarden te krijgen, dan loopt er iets in die analogie scheef. Arbeiders hebben niet meer geld voor hun werkgevers gevraagd in de verwachting dat het daarna wel goed zou komen met de rest van hun eisen; ze hebben door middel van stakingen meer geld voor zichzelf en betere werkomstandigheden geëist.

Belangrijker nog in een parallel met de arbeidersbeweging lijkt me dat daarin niet de diagnose ‘werkdruk’ centraal stond, maar een specifieke verhouding tussen arbeid en kapitaal. Als het vertrekken vanuit een politiek-economische analyse van de universiteit als gratuit purisme gezien wordt en een lange traditie van het kalibreren van strijd over arbeid als irrelevant weggezet wordt, so be it. Maar lessen over arbeidersstrijd zijn dan wel ronduit misplaatst. Het gevolg is dat niet de logica van (meer)waardeproductie centraal komt te staan, maar het symptoom ‘werkdruk’.

Die gebrekkige analyse stuurt op zijn beurt de oplossingsrichting een doodlopende steeg in, namelijk richting een fixatie op ‘Den Haag’ als enige bron van die werkdruk. Maar het is simpelweg niet waar dat de neoliberale vormgeving van academische competitie binnen de – natuurlijk – problematische voorwaarden die de politiek stelt te wijten zijn aan ‘Den Haag’. Het is niet waar dat de eisen publicatiepunten te halen door ambtenaren of politici gesteld zijn. En het is niet waar dat het ambtenaren of politici zijn geweest die bepaald hebben dat de exclusieve route naar een academische carrière via onderzoekscv’s loopt. Het is ook niet ‘Den Haag’ geweest dat verantwoordelijk is voor de verdubbeling van het aantal internationale studenten in de afgelopen tien jaar (tot ruim 28 procent in de master en ruim 21 procent in de bachelor). Dat zijn allemaal dingen die academici zelf gedaan hebben, en de ontkenning daarvan is een manier om bij een verkeerde diagnose een verkeerde oplossingsrichting te zoeken.

Het is dus te gemakkelijk de neoliberalisering van de universiteit op het conto van Den Haag te schuiven. Als De Haan en Robeyns schrijven dat ‘de prestaties van niveau blijven’, vraag ik me af hoe ze dat eigenlijk weten? Hoe kan zo’n commensurerende uitspraak gedaan worden zonder de bestaande afrekencriteria te gebruiken? Zo wordt zichtbaar dat alle neoliberalisering van buiten (‘Den Haag’) alleen werkelijk effect kan hebben omdat de universiteit vanbinnenuit geneoliberaliseerd is. De vraag waar we allemaal voor staan is: wat zou waarde zijn die niet in geld, fte’s of punten omgerekend kan worden?

De Haan en Robeyns stellen dat mijn stuk ‘een cadeautje’ aan ambtenaren en politici is (die kennelijk allemaal hetzelfde willen?). Maar is het idee dat ambtenaren en politici verantwoordelijk zijn voor alles wat er mis gaat op de universiteit – want dat is de consequentie van de aangedragen punten, en dus ook van de WOinActie-eisen – niet zelf een cadeautje aan ‘Den Haag’? Is het niet de beste manier om jezelf aldaar te diskwalificeren, om te voldoen aan de karikatuur van de geld en autonomie vragende academicus? Is het ongekwalificeerde en eenzijdige verwijt dat ambenaren en politici schuldig zijn aan die neoliberale orde niet het beste ‘cadeautje’ dat diegenen in Den Haag die universitaire verandering willen negeren zich kunnen wensen? Ik had beter duidelijk moeten maken dat mijn frustratie voortkomt uit mijn ervaring in Den Haag, waar verschillende opvattingen over de universiteit bestaan, maar waar een gedeeld stereotype beeld van de academicus heerst. Een beeld dat, jammer genoeg, naadloos aansluit bij de eisen van WOinActie.

Enige jaren geleden was er veel aandacht voor de beweging die Science in Transition heet, en waar ik nauw bij betrokken was. Science in Transition bracht een werkelijk ander idee van de universiteit naar voren, inclusief een visie op de manier waarop de universiteit zich tot haar publieken zou moeten verhouden, en inclusief de manieren waarop financiering gelegitimeerd zou kunnen worden. Ik herinner me dat er in KNAW-kringen met argusogen naar gekeken werd. Ingrid Robeyns was uitgesproken negatief en benadrukte de ‘aantasting van de universitaire autonomie’ en, toen ook al, de werkdruk. In de reductie tot ‘werkdruk’ zie ik vooral een achteruitgang van een gesprek dat onder meer door Science in Transition werkelijk op gang kwam, soms met reële veranderingen op de werkvloer zoals in het UMC, waar een van de trekkers van Science in Transition decaan is.

De Haan en Robeyns noemen mijn stuk nu gemakzuchtig. Maar is zulke achteruitgang in het openbaar maken van eisen niet gemakzuchtig? Is het niet gemakzuchtig om te zeggen, om ‘strategische’ redenen, dat je het alleen over het geld gaat hebben en dat het eerst en vooral om ‘werkdruk’ gaat, terwijl velen al veel meer punten aan de orde gesteld hebben, en wel in een samenhangend kader met een idee over financiering en de legitimatie daarvan? Ook in de bezetting van het Maagdenhuis en zeker door Occupy LSE in 2015 werden eisen naar voren gebracht die niet te reduceren waren tot ‘meer geld’ en die niet ‘werkdruk’ als diagnose hadden. De afgelopen tien jaar zijn er in heel de wereld zulke universitaire protesten geweest, en zelden begonnen die bij de diagnose ‘werkdruk’ en bleven ze, voor wat betreft hun openbaarheid, bij budgeteisen. Als nu gezegd wordt dat ‘strategische’ keuzes gemaakt zijn, zou het goed zijn ook iets over de ‘strategie’ daarbij te zien, ten einde de indruk van een regressie in universitair protest weg te nemen. De felheid waarmee kritiek op deze ‘strategie’ als ‘purisme’ wordt afgedaan doet het ergste vermoeden, namelijk dat men werkelijk denkt dat ‘werkdruk’ een adequate diagnose van de politieke economie van de universiteit is.

Zulke kritiek wordt terzijde gelegd en vertaalt zich, naar nu is gebleken, in zeer veel ad hominem kritiek. Ik wijt ook dat deels aan mijzelf. De stijl van mijn brief paste niet bij het moment. En het spijt mij als ik heb bijgedragen aan een ervaring van machteloosheid – ook een sentiment waaruit mijn brief geboren is. Ik denk dat het op dit moment voor iedereen belangrijk en leerzaam is te zien hoeveel venijn er opgeroepen wordt door de afwijzing van een vigerende, liberale conceptie van een autonome universiteit. Josef Früchtl heeft gelijk: het is raar dat in mijn brief het woord ‘liefde’ stond. Wat betekent het dat dat raar is? Er stond ook ‘vrienden’, en misschien is vriendschap iets wat moeilijk mogelijk is in de huidige universiteit. De ad hominems op sociale media en in de stukken van Früchtl en De Haan en Robeyns zijn een indicatie daarvoor.

Volgens hen ben ik een machteloze eenling, die de schijnperformance van een ‘brullende leeuw’ of een ‘tandeloze tijger’ geeft (in ieder geval een katachtig wild dier), en een machtig sujet, dat het materiaal levert waarmee ‘Den Haag’ de eisen van WOinActie naast zich neer kan leggen. Ik ben én purist, gratuit radicaal, én iemand die zegt wat iedereen al die tijd ook al zei. Uit die contradicties blijkt dat het hier even ging om het beknotten van iemand die zich met te veel ego presenteerde. En terecht. Maar het verandert nog niets. Mij machteloos noemen affirmeert de macht die de bestaande universiteit configureert. Mij machtig noemen is een manier om kritiek op die universiteit af te wenden, en om bij (terecht) genegeerde eisen alvast een makkelijke zondebok te hebben. In beide gevallen leidt het tot bestendiging van de universiteit zoals die is.

Als De Haan en Robeyns stellen dat mijn stuk een cadeautje is aan Haagse ambtenaren en politici, denken ze dan werkelijk dat mijn stuk de argumenten bevat die het in Den Haag doorgaans goed doen? Is dat niet een manier om mij als te gevaarlijk weg te zetten? Als iemand die zijn collega’s, met een ‘dolk’ nota bene, in de rug steekt. Een van de punten die ik maakte, en die ik op een betere manier had moeten maken, is dat WOinActie met de openbaar gemaakte eisen niet namens ‘de universiteit’ spreekt, omdat er veel mensen zijn die zien dat ‘de universiteit’ om te beginnen niet gericht is op hun inclusie. Voor zover ik geprivilegieerd ben, is dat eerst en vooral het privilege dat openbaar te zeggen.

Ik kreeg ook het verwijt dat ik een ‘veilige’ positie inneem. Maar is dat niet een manier om net te doen alsof actievoerders ‘risico’ nemen? Ik ben zelf de afgelopen jaren in discussies geweest met onder meer minister, rectoren, KNAW-president, NWO-kader, VSNU-voorzitters, VNO-NCW en Unilever-mensen en ben steeds de confrontatie aangegaan, zonder reserves. Dat is niet ‘gevaarlijk’, maar is het per se ‘veiliger’ dan buiten college geven? Velen op sociale media stelden op soortgelijke manier dat ik weinig op het spel zette met mijn brief. Dat is waar, en ik geloof dat ik ook al ondubbelzinnig onderkende dat ik participeer in een problematisch systeem. En nee, ik zet mijn baan niet op het spel. De belangrijkste reden daarvoor is dat het mijn enige bron van inkomsten is, en ik heb een huis en kinderen. Wat hadden mensen verwacht, dat ik een heilige ben? Je vraagt je af wie de purist is.

Ik verwijt mezelf dat we niets verder gekomen zijn als je mij dan als niet-heilige ontmaskerd hebt, en als de initiële zelfvoldaanheid van een gevatte tweet voorbij is. Ik heb daarnaast relaties met collega’s en studenten die me veel waard zijn en die relaties zijn het, die de liefde voor universiteit gaande houden. Want ik heb, dat schreef ik al in de brief, hart voor de universiteit, specifiek een combinatie van liefde en haat die denk ik wijdverbreid is.

In de reacties op mijn stuk, veel ervan ad hominem, wordt althans wel duidelijk dat ik ingetapt heb in een circulatie van haat en nijd. De meeste komen neer op wat ik ook al onderkende: ik participeer in de universiteit, sta er niet buiten of boven. De onderkenning daarvan in mijn brief kun je retoriek noemen, maar is het niet eerst en vooral gewoon waar?

Maar de agressie die loskomt als je keurige academici dwarszit in hun streven naar meer geld zegt ook iets over de universiteit. Ergens had ik het kunnen weten, want ik schreef over een institutie waar haat en nijd onderdeel zijn van de dagelijkse organisatie van het werk, waarbij zo vaak ‘feedback’ en ‘peer review’ met een overschot aan venijn geserveerd wordt. Hoe vaak is er niet net dat extra beetje spot, die onnodig harde afwijzing, die gesocialiseerde gemeenheid die met een academische hiërarchie komt en die vriendschap als gemeenschapsmodel zo bemoeilijkt?

Zo schreef een hoogleraar Neerlandistiek een blogpost naar aanleiding van mijn brief waarin hij mij vergeleek met een Nazi-apologeet. Een ‘lezing’ van mijn brief die op Twitter werd verspreid door Ingrid Robeyns. Ik ben geen hoogleraar Ethiek, maar het is mijn indruk dat zulke vergelijkingen niet proportioneel zijn. Ook niet, omdat ze kennelijk veronderstellen dat hoger onderwijsbeleid uit ‘Den Haag’ analoog aan een Nazibewind is. Buiten de universiteit zijn zulke vergelijkingen moeilijk te begrijpen, of zijn ze moeilijk anders te begrijpen dan als het pathos van geprivilegieerden, en als het geweld van rangen die zich sluiten.

Ik schreef te zeer uit boosheid, en dat had niet gemoeten. We zullen allemaal moeten proberen de haat en nijd te beteugelen. Als we willen dat ‘vriendschap’ niet a priori als retorische term opgevat wordt, moeten we in de universiteit zelf aan de slag. Niet met symptoombestrijding maar, om enkele voorbeelden te noemen, met het met onmiddellijke ingang schrappen van publicatiepunten en -eisen, het serieus nemen van onderwijsportfolio’s in personeelsbeleid, en het instellen van quota om diversiteit serieus te nemen. Dat zijn allemaal (werkdrukverlagende!) dingen die we zelf kunnen doen. Vandaag nog.

En dan zullen we moeten omgaan met het feit dat we misschien toch ook nog fundamenteel anders denken over de universiteit. Waar De Haan, Robeyns en Früchtl beginnen vanuit het idee dat de universiteit an sich een nobel instituut is, en alle eisen beginnen bij de acceptatie van de bestaande allocatie van studenten, kan ik daar niet zonder meer in meegaan. Ik kan de plek van de universiteit niet los zien van een aantal catastrofale processen die zich in de wereld afspelen, en dus enerzijds van de publieke taken van de universiteit, en anderzijds van de problematisch grote hoeveelheden bedrijfskundigen, economen, en veiligheidsexperts (om enkele voorbeelden te noemen) die de universiteit de wereld instuurt. De Haan en Robeyns zeggen dat ik het over ‘nutteloze vakken’ heb. Maar dat doe ik nergens in mijn brief. Ik bedoel: destructieve vakken. Met een na de financiële crisis grotendeels ongewijzigd economiecurriculum vind ik dat geen verrassende uitspraak. Dus we hebben een heel fundamenteel verschillend startpunt.

Als ik het over collaboratieve compositie heb, heb ik het niet over actievoeren, zoals De Haan en Robeyns interpreteren, maar over een andere manier waarop kennis tot stand komt, deels door een decompositie van wat nu ‘universiteit’ heet. Dat is misschien niet heel ‘praktisch’ of ‘strategisch’, en misschien is het gratuit je een wereld voor te stellen waarin de universiteit er fundamenteel anders uitziet. Maar die verwijten zijn makkelijk om te draaien (het is gratuit om geld te vragen, en weinig strategisch om geld een neoliberale universiteit in te pompen), dus we komen daar niet verder mee. Ik betreur dat mijn brief zulke verwijten bevat en er verder aanleiding toe heeft gegeven. Tegelijk is deze uitwisseling te zien in de sfeer van vriendschap: als poging, hoe gebrekkig ook, samen te leren. Dat leren zo moeilijk gaat op de universiteit, dat is de paradox waar we elkaar misschien kunnen vinden. En misschien komen we dan toe aan de vraag van Fred Moten: waarom voelt dit niet goed?


Willem Schinkel is hoogleraar sociologische theorie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam



Ook Rutger Bregman van De Correspondent reageert op Willem Schinkel in een podcast (vanaf ongeveer minuut zes). ‘Uiteindelijk is de slotsom altijd: “Ja, we gaan even niks doen.” (…) Het is altijd weer een excuus om zelf aan de zijlijn te blijven staan, en het is zelden dat er dan nog iets constructiefs uit naar voren komt.’