De opera «Tristan und Isolde»

Een dooie pier

De opera «Tristan und Isolde» gaat over de onontkoombaarheid van de dood. Maar niet bij Alfred Kirchner. In zijn interpretatie leeft Isolde vrolijk verder.

Had regisseur Alfred Kirchner een jolige bui? Wilde hij eens origineel zijn? Of was het juist een vlaag van verstandsverbijstering? En waarom heeft niemand hem dan tijdig gewaarschuwd?

Aan de toch al wat ongelukkige geschiedenis van Tristan und Isolde-producties in Nederland — de juten zakken van Jürgen Gosch liggen velen nog vers in het geheugen — kan weer een nieuwe mislukkeling toegevoegd worden. Kirchner slaagt erin de legendarische liefdesdood van Tristan en Isolde om zeep te helpen door Isolde doodgemoedereerd verder te laten leven. In plaats van zich met haar grote liefde te verenigen in een eeuwige omhelzing loopt Kirchners Isolde naar het venster en staart weemoedig in de verte, terwijl haar geliefde als een dooie pier op de grond ligt.

Dit open einde druist in tegen alles waar Tristan und Isolde voor staat. Want gaat deze opera, alle mogelijke interpretaties ten spijt, uiteindelijk niet over de onontkoombaarheid van de dood? Zoals de tuinman de benen neemt naar Ispahan, zo vluchten Tristan en Isolde in een alles verzengende liefde. Maar ook, of misschien wel juist deze liefde leidt bijna rechtstreeks naar de dood.

Betekent dat dat de operaliteratuur heilig is? Dat een regisseur er geen eigen interpretatie op na mag houden als hij daar goede redenen voor heeft? Natuurlijk wel. Maar juist bij Kirchner ontbreken die redenen. Nergens in het voorafgaande wordt geanticipeerd op dit afwijkende slot. Geen moment heb je het gevoel dat hij deze opera vanuit een andere invalshoek nieuw leven probeert in te blazen. Het is dan ook alsof hij een konijn uit een hoge hoed tovert als hij het publiek in de Amsterdamse Stopera in de allerlaatste minuten van dit vier uur durende spektakel een springlevende Isolde voorschotelt.

Het is een ontgoochelend moment na een toch al matige enscenering. Met name de decors zijn buitengewoon smakeloos. Alsof ontwerpster Annette Murschetz ten einde raad was, heeft ze gekozen voor een van de meest uitgekauwde oplossingen: geometrische vlakken die, met name in de eerste akte, voortdurend schuiven en kantelen. De grote liefdesscène in de tweede akte vindt plaats op een plak gras van vijf vierkante meter waarnaast, o hoe symbolisch, een dode boom ligt. Als dan ook nog de sterren aan de hemel aanfloepen, is het sprookje compleet.

Het is de partituur die zegeviert in deze productie. Ondanks het feit dat aan de muzikale uitvoering ook de nodige haken en ogen kleven. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest met Simon Rattle op de bok speelt mooi. Maar niet meer dan dat. Vooral de strijkers missen de brille en het elektrificerende dat in de partituur besloten ligt.

De cast is spectaculair te noemen. Gabriele Schnaut heeft een dijk van een stem die ze met gemak tot orkaansterkte kan laten aanzwellen. Toch wordt haar stem in de loop van haar, overigens loodzware partij steeds ongenuanceerder. Als ze op volle sterkte zingt, verliest ze veel kleur en diepte, en resteert een vlak en keihard geluid.

Haar tegenspeler John Treleaven maakte op de avond van de première precies de omgekeerde ontwikkeling door. Naarmate de avond vorderde, won hij aan warmte en glans. Met uitstekende bijrollen van Petra Lang (Brangäne), Robert Lloyd (Marke) en Alan Held (Kurnewal) is het onmiskenbaar een bijzondere bezetting.

Toch voel je na afloop van zo’n Wagner-event vooral bewondering voor de componist. De muziek is zo dwingend dat er eigenlijk geen boventiteling aan te pas hoeft te komen. Elke handeling, elke gedachte en elke emotie ligt in de muziek besloten zonder dat die op een truttige manier illustratief wordt. Een regisseur kan niet veel meer doen dan de partituur domweg volgen — iets wat Kirchner overigens goed begrepen heeft. In dat opzicht slaagt Wagner waar Tristan en Isolde falen: zijn partituren zijn wel degelijk een overwinning op de dood.