Een doos vol foto’s

De koningin wilde Hitler te vriend houden. De premier kon niet geloven dat het volk van Goethe ons land zou aanvallen. En het hoofd van de inlichtingendienst was meer geïnteresseerd in de cavalerie dan in verdachte activiteiten. Februari 1940: contraspionage op z'n Hollands.
IN FEBRUARI 1940 verschijnt kort voor sluiting van de controle om negen uur ‘s avonds aan de grenspost Wyler bij Nijmegen een personenauto, op weg naar Duitsland. In de bagageruimte van de wagen (donker van kleur, waarschijnlijk een Mercedes) ligt een leren koffer. Deze blijkt onder meer een collectie foto’s te bevatten, gestouwd in een schoenendoos. De meeste afdrukken zijn op briefkaartformaat. Ook bevindt zich in de koffer een enveloppe waarin een aantal haarscherpe afdrukken in grotere formaten te vinden is. Alle foto’s zijn genomen vanuit de lucht. Ze tonen fortificaties, andere militaire installaties, dijken, sluizen, inundaties en vliegvelden.

Hier is iets niet in de haak. De dienstdoende beambte tracht zich telefonisch in verbinding te stellen met een superieur. Maar terwijl hij wordt afgeleid door de nukken van het toestel, ziet de automobilist kans zijn (Nederlands) paspoort van het bureau in het kantoortje te grissen en ervandoor te gaan. Hij rent naar zijn auto en verdwijnt hevig slippend in de duisternis, richting Duitsland. Bestuurder noch auto zijn teruggezien. Het nummer is door de blunderende beambte niet opgenomen. De foto’s bleven achter.
De schoenendoos en de enveloppe met hun inhoud kwamen terecht bij GS III, de Nederlandse militaire inlichtingendienst. Onder de medewerkers heerste ontevredenheid. Hun activiteiten werden afgeremd en niet alleen door chronisch geldgebrek. De verantwoordelijke ministers waren voortdurend bang om zich aan koud water te branden. Wat de relaties met de Duitsers betreft, gold dat al voor eerste minister Colijn (ARP). Nadat deze in de zomer van 1939 was opgevolgd door jhr. mr. D.J. de Geer (CHU), werd GS III nog meer aan banden gelegd. De Geer geloofde absoluut niet in een Duitse aanval op Nederland, zelfs niet na enige waarschuwingen vanuit Berlijn van de Nederlandse militaire attaché. ‘Zoiets doet het volk van Goethe en Schiller niet’, was een van zijn favoriete argumenten. Verscheidene actieve opperofficieren waren dat overigens met hem eens.
DAARBIJ KWAM dat de leiding van de militaire inlichtingendienst berustte bij luitenant-generaal H.A.C. Fabius. Deze was de opvolger van generaal J.W. van Oorschot, die met vervroegd pensioen was gestuurd nadat in november 1939 twee Britse inlichtingenofficieren, in gezelschap van een Nederlandse collega, bij Venlo door Duitsers over de grens waren gesleurd. De regering vond dat Van Oorschot zijn bevoegdheden te buiten was gegaan door met deze Britten samen te werken. Hij had het ongenoegen van de Duitsers opgewekt. Wilhelmina vond dat, en toen vond De Geer dat uiteraard ook.
De benoeming van Fabius bleek geen goede greep. Hij was in 1936 gepensioneerd en had zich sindsdien alleen nog beziggehouden met het organiseren van de luchtbescherming in de gemeente Baarn. Een ex-medewerker van GS III vele jaren nadien: 'Fabius had de Nederlandse militaire inlichtingendienst in de Eerste Wereldoorlog bijna vanuit het niets uit de grond gestampt. Het betrof toen een clubje van zo'n tien medewerkers. Gezien de beperkte mogelijkheden kweet Fabius zich uitstekend van zijn taak. Bovendien maakte hij een goede indruk op Wilhelmina, niet in de laatste plaats ook als organisator van het huldeblijk bij haar zilveren regeringsjubileum in 1923.
Nauwelijks was het duidelijk dat Van Oorschot tot zondebok van het Venlo-incident zou worden uitgeroepen of Wilhelmina stond erop dat Fabius de leiding van GS III weer in handen zou krijgen, al was de omvang van deze dienst inmiddels niet meer te vergelijken met die van de beginjaren. Dat Fabius de zestig was gepasseerd, mocht blijkbaar geen beletsel zijn. Maar al gauw was duidelijk dat hij niet meer van deze tijd was. Dat bleek niet alleen uit zijn verwoede acties voor het behoud van de cavalerie in de krijgsmacht. Hij werkte nog met eden en beloften, erewoorden, gedragscodes en verdragsregels, en toetste de methoden van zijn medewerkers nauwkeurig aan de meest uiteenlopende voorschriften, tot en met de Conventie van Genève. Dat was niet de manier om Hitler en zijn bende effectief te bestrijden.’
DE SCHOENENDOOS en de bruine envelop belandden op het bureau van Fabius. Hij bekeek de foto’s een voor een. Ze waren van geringe hoogte genomen, kennelijk vanuit een sportvliegtuigje. Fabius gaf toe dat hier sprake was van spionage. Ook bleek nu dat er bij GS III klachten lagen over sportvliegtuigjes die verdacht rondvlogen boven Nederlandse militaire objecten. Met die klachten was niets gedaan. Fabius vond dat het zo maar moest blijven. Na enige telefoongesprekken te hebben gevoerd, bepaalde hij dat er geen nader onderzoek behoefde te worden ingesteld, 'gezien het delicate karakter van de Nederlands-Duitse betrekkingen’. Hitler was een bevriend staatshoofd en je moest de Duitsers niet irriteren.
Na de oorlog werd Fabius als getuige-deskundige gehoord door de parlementaire-enquêtecommissie. De schoenendooszaak kwam niet ter sprake. 'Wel weet ik dat de Duitsers overal spioneerden en foto’s maakten’, vertelde Fabius onder ede. Dit was het ogenblik om hem te vragen hoe hij dat zo goed wist. Maar de commissie liet Fabius voortgaan: 'Elke Duitser was verplicht voor de Reichsgemeinschaft aan het vaderland te berichten wat hij gezien had. Bij de Grebbelinie hebben zij twee weken tevoren het gehele terrein verkend. Daarom heb ik juist als een dolleman rondgelopen om gedaan te krijgen dat de staat van beleg werd afgekondigd. Maar dat wilde de regering, onder andere de minister van Justitie (Gerbrandy - jgk) niet.’
Maar toen was het al mei 1940.
Achter de rug van Fabius om besloten enige medewerkers van GS III (C.M. Olifiers en T.S. Rooseboom) om deze zaak wel te laten onderzoeken. Zij wilden weten wie er kans had gezien (en misschien nog zag) om uitstekende luchtfoto’s te maken van praktisch alle forten, batterijen, stellingen, lunetten en kazematten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de vesting Amsterdam. Daar was reden voor, want de Nederlandse generale staf had besloten bij een Duitse inval een groot deel van het land prijs te geven, maar de vesting Holland nu juist door middel van deze linies te verdedigen. Daarbij zouden de nauwkeurig gefotografeerde vliegvelden een belangrijke rol spelen.
De GS III-dissidenten besloten overste Linden in te schakelen. W.J.M. Linden was oud Knil-officier, reserve-overste bij de Jagers en oud-medewerker van GS III. Sinds kort was hij radiocontroleur. In zijn woning in Den Haag luisterde hij uren per week geconcentreerd naar de uitzendingen van een der beide Hilversumse zenders met de uitgetypte tekst in de hand. Hij had de bevoegdheid om bij de geringste afwijking tussen het gesproken en het gedrukte woord of bij andere onregelmatigheden een knop in te drukken. Dan verdween de zender uit de lucht. Zoals altijd leidde deze censuur tot zelfcensuur, in dit geval bij de zendgemachtigden. De (extra) controle door Linden en zijn collega’s werd verricht sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog en kon worden beschouwd als een militaire aanvulling op de Radio-Omroep Contrôle Commissie (ROCC), die dateerde van 1930.
LINDEN WIST OOK geen raad met de foto’s. Hij wendde zich tot Pieter Brijnen, met wie hij eerder had samengewerkt en wiens vindingrijkheid hij waardeerde. Brijnen was enige jaren belast geweest met het toezicht op Wilhelm II, de ex-keizer van Duitsland die in november 1918 naar Nederland was gevlucht en volgens de wens van Wilhelmina politiek asiel had gekregen in Doorn. Zogenaamd als correspondent van De Telegraaf op de Utrechtse heuvelrug hield Brijnen een oog op de sociale contacten van Wilhelm. Hij bracht regelmatig rapport uit bij minister Colijn thuis. Enige jaren vóór de oorlog werd Brijnen plotseling bedankt voor zijn moeite. Blijkbaar werd de ex-keizer niet meer gevaarlijk gevonden. Of het werd niet langer op prijs gesteld dat er regelmatig gerapporteerd werd dat kroonprinses Juliana of prins Bernhard huize Doorn had bezocht.
Brijnen woonde in Maarn in een huis met een ruime zolder. Hier kroop hij rond, terwijl hij de foto’s die hij kon traceren op een denkbeeldige kaart van westelijk Nederland legde. Het resultaat was verbluffend: degene die deze luchtopnamen had gemaakt, moest gezien de toen beperkte actieradius van kleine machines wel vertrokken zijn van Schiphol. Ten overvloede wendde Brijnen zich nog tot ir. J.W. Schermerhorn (na de oorlog eerste minister), die hij kende van de VPRO en de organisatie Eenheid door Democratie, waarvan Schermerhorn sinds mei 1938 voorzitter was. Hij was de belangrijkste Nederlandse expert op het gebied van luchtkartering. Schermerhorn herkende nog enige locaties en merkte op dat er zeer recente opnamen bij waren. Ook bevestigde hij dat de foto’s vanuit een sportvliegtuigje waren genomen.
Dat dat vliegtuigje van Schiphol was opgestegen was een belangrijk gegeven, want er waren in die tijd op het Nederlands grondgebied ten minste twintig velden en veldjes waarvan zo'n machine gebruik kon maken. Vanaf sommige velden opereerde een actieve Aeroclub. Er was nog iets: de periode waarin de foto’s waren gemaakt, strekte zich uit over ettelijke maanden. Er waren opnamen met kale bomen, maar ook foto’s met een dicht gebladerte. En op enige afdrukken was een sneeuwlaag zichtbaar. Om tot deze collectie te komen, was de piloot vele uren in de lucht geweest.
Brijnen liet de ledenlijst van de Amsterdamsche Aeroclub opvragen. Het meest prominente lid was geen Amsterdammer maar een Tsjech: de schoenenfabrikant dr. Jan A. Bata, die vaak in Nederland verbleef en zo rijk was dat hij niet keek op een vliegtuigje meer of minder. Bijna alle andere leden vertegenwoordigden het meest welgestelde segment van de Nederlandse beurs- en zakenwereld. Op het eerste gezicht was er niemand bij van wie kon worden aangenomen dat hij voor nazi-Duitsland op fotosafari zou gaan boven de Nederlandse defensiewerken, al waren enige leden van Duitse afkomst. Vader en zoon Ernst Johannes en Ernst Louis Ostermann waren puissant rijk door de verkoop van wasmiddelen (Persil). Een ander genaturaliseerd lid was de zeer rijke bankier en China-kenner Hugo Kaufmann. Maar hij was een jood…
Brijnen zocht contact met Willem van Veenendaal, een KLM-piloot die wel eens iets deed voor Brijnen in de sfeer van persoonsinformatie. Van Veenendaal kon de meerderheid van de bijna honderd clubleden verdelen in praktiserende en niet-praktiserende. Maar sommige leden leenden hun toestellen wel eens uit aan derden, al was dat niet volgens de regels. Dat bemoeilijkte het onderzoek.
BRIJNEN SCHAKELDE enige medewerkers in: A.A. Bosschardt, Elke Schrijver en Rietje Demming, allen zeer ervaren. In de ledenlijst van de Aeroclub moesten kaf en koren worden gescheiden. Uiteindelijk bleven er vijf 'verdachten’ over. Zij noch hun familie hebben vermoedelijk ooit geweten dat er een verdenking van militaire spionage voor de Duitsers boven hun hoofd heeft gehangen. Bij elk bestonden redenen om hun doen en laten nader te bestuderen.
Zo parkeerde de rijk geworden textielexporteur (vroeger douaneambtenaar) Jan Tempelman uit Enschede zijn machine in de regel bij de Twentsche Aeroclub, maar ook wel eens op Schiphol, en zijn zeer langzame en stabiele Puss Moth-toestelletje was uiterst geschikt voor luchtfotografie. De wat excentrieke natuurkundige J.W. Lambach hield er in Voorburg een eigen vliegtuigfabriekje op na, waar camera’s voor luchtfotografie werden ingebouwd. Hij bezat speciale bekwaamheden in de luchtacrobatiek en dat had in die tijd nog veel te maken met luchtfotografie. De oprichter van de Amsterdamsche Aeroclub Ary de Vlaming, een effectenhandelaar, was opgeleid in Duitsland, had gewerkt in Duitsland en reisde er ook na Hitlers machtsovername nog vaak heen. Hij bezat een zwarte Mercedes. Casper Viehoff, een oudere beroepsofficier, was de ziel van een netwerk van luchtvaartenthousiasten in Nederland en Duitsland. Hij publiceerde regelmatig over luchtvaartaangelegenheden in De Groene Amsterdammer.
Drs. Willem H. Haighton vormde een geval apart. Zijn oudere broer, Alfred A. Haighton, was de uitvinder van het loterijsysteem 'Lotisico’ (men kon zich bij hem verzekeren tegen nieten in de staatsloterij). In sommige opzichten was hij een modern man. Zo werd hij staatsburger van Monaco om de Nederlandse belastingen te ontwijken. Relevanter was dat de oudere Haighton een verwoede fascist was en het beruchte weekblad De Bezem uitgaf. De vraag was nu in hoeverre de nogal fatterige jongere Haighton op zijn broer leek. Dat bleek redelijk veel, al konden de broers elkaar luchten noch zien. Willem Haighton was president en gedelegeerd commissaris van Lotisico en auteur van rechts-nationalistische artikelen in het Tijdschrift voor Staatkunde, Economie en Cultuur. Hij was ook een verwoed sportvlieger, die zowel op Valkenburg als op Schiphol een machine had staan.
Nadat tegen geen van deze luchtvaartpioniers, al of niet met nazi-sympathieën, ook maar een schijn van bewijs was gevonden, viel de verdenking op een clublid van een andere garnituur: een garagehouder uit Amsterdam-Zuid. Toen Bosschardt bij hem iets aan een auto wilde laten repareren, bleek de garage op een doordeweekse middag, even voor half drie, gesloten. Een handelsinformatiebureau rapporteerde dat er in dit bedrijfje al maanden weinig omging. De eigenaar woonde bescheiden op de etage boven de zaak, zonder afzonderlijke toegangsdeur, wat het observeren bemoeilijkte. Ondanks deze kommervolle omstandigheden bezat hij in een hangar op Schiphol twee vliegtuigen, waarmee hij vaak in de lucht was. De loods was altijd zorgvuldig op slot, maar in kleine kring was bekend dat de eigenaar-gebruiker er een donkere kamer voor het ontwikkelen en afdrukken van foto’s had. En hoewel zijn naam daar niet op wees, bleek hij een in 1936 genaturaliseerde Duitser te zijn. Vroeger, in de Heimat, onderhield hij sociale contacten met luchtmaarschalk Hermann Göring persoonlijk…
Brijnen vertelde na de oorlog dat hij vooral graag had willen weten waarom er afdrukken en geen negatieven naar Duitsland werden gebracht, maar hij heeft dit nooit kunnen vernemen, al stuurde hij een medewerker met deze saillante gegevens naar de Amsterdamse Hoofdofficier van Justitie mr. dr. J.H. van Thiel. Verwacht mocht worden dat deze snel tot actie zou overgaan. Niets bleek minder waar. Er was alleen een vaag gerucht dat Van Thiel contact had opgenomen met Gerbrandy.
Voor de enquêtecommissie verklaarde Van Thiel in 1948 als deskundige dat hij en zijn collega’s destijds 'dag in dag uit aan het werk waren om de boel aan te vegen’. Naar aanleiding van deze uitspraak vertelde een betrouwbare getuige dat Van Thiel tijdens een visuitstapje in april 1940 de zaak had besproken met de Amsterdamse hoofdcommissaris van politie H.J. Versteeg. 'Die drong er zo krachtig op aan er geen werk van te maken, dat het bootje bijna omsloeg.’
Omdat dus niet onomstotelijk vaststaat dat de bovengenoemde garagehouder schuldig was aan een ernstige vorm van spionage, blijft zijn naam hier ongenoemd.
EN OVERIGENS was deze zaak een uitstekend voorbeeld van de achteloze wijze waarop in die tijd nog spionage werd bedreven èn van de achteloze wijze waarop daartegen door de Nederlandse autoriteiten werd opgetreden, zowel door de militaire als door de civiele. Misschien was de vijfde-colonnehysterie van de meidagen van 1940 (de befaamde verpleegsters en pastoors die aan parachutes uit de lucht kwamen vallen en daarna verder werden geholpen door Musserts zwarte bende) hier een reactie op, want er moeten meer Nederlanders dan een beperkt aantal ingewijden zijn geweest die van het halfslachtige optreden van de Nederlandse autoriteiten iets gemerkt of ondervonden hebben. De vrees voor een vijfde colonne beheerste de verdedigers van Nederland in de meidagen van 1940, treffend beschreven in het levenswerk van dr. L. de Jong, die op dit onderwerp promoveerde. Over deze kant van de zaak zweeg hij echter.