Een dorp als gedicht; Watou 2005

Een dorp als gedicht

Watou 2005 / Poëziezomer

De Poëziezomer van Watou is niet meer aan zijn proefstuk toe, en vindt dit jaar plaats voor de 25ste keer. Des te verbazingwekkender is het dat de openluchttentoonstelling in het hoogzwangere West-Vlaamse landschap telkenmale blijft verrassen. De lat wordt ieder jaar hoger gelegd. Vandaar dat de Poëzie zomer inmiddels in kunstkringen een status geniet die weinig onderdoet voor die van het SMAK van bezieler Jan Hoet of zelfs de Biënnale van Venetië.

Nous le passage is de titel die dichter en organisator Gwy Mandelinck aan de jubileumversie van zijn festival heeft meegegeven. Woorden die ontleend zijn aan de bij fijnproevers be kende dichter Henri Meschonnic. Wij als passage. «We zijn vluchtig, alles gaat voorbij. Uiteindelijk is het dat wat we hier al 25 jaar leren», verklaart Mandelinck in een gesprek dat ik met hem heb op het terras van de hommelhoeve op het dorpsplein, dat tijdens ieder festival wordt omgedoopt tot het Hugo Claus-plein. «In onze tijd vallen steeds meer grenzen weg. Steeds meer onderscheiden worden transparant of lossen op. We leven in een tussentijd. Er is een enorme interne en externe mobiliteit ontstaan, alles verschuift. We leven heel erg op de tast. Iedereen moet zijn weg zoeken. Ook de dichters. Bevrijding is niet altijd iets comfortabels. Watou heeft me doen inzien dat je het raam tussen jezelf en de wereld moet ingooien en je kwetsen aan de scherven. En dan met creativiteit de wonden ontsmetten.»

In Watou worden grenzen verkend en overgestoken. Zowel naar binnen als naar buiten toe, tussen de diverse kunstgenres en disciplines. Maar ook de grenzen tussen autonome kunst en actuele werkelijkheid, gesproken en geschreven woord, leven en dood. Voor het eerste (de verinnerlijking) zorgt vooral de poëzie, voor het tweede (het verkennen van de grenzen met de actuele buitenwereld) de veelal uit privé-verzamelingen bijeen gebrach te kunst wer ken die in de velden en hoeves van Watou een uniek podium hebben gekregen.

De vorm waarin de gedichten gepresenteerd worden, is beslist een hoogtepunt in de 25-jarige geschiedenis van het evenement. Waar de gedichten in voorbije jaren nogal eens moeilijk te lezen of zelfs te traceren waren, lichten de teksten nu als van nature op uit het landschap. Ze doemen op uit de grond, letterlijk, via glazen legstenen die met elektrisch licht de woorden laten verschijnen en na verloop van enige tijd (als het licht uitgaat) ook weer uit laten doven. De zinnen deemsteren weg in het donker (de stilte die zichtbaar is ge maakt!), om even later als uit het niets weer te verschijnen. Architect Koen van Singel, die deze oplossing bedacht, liet zich ook verder inspireren door het thema grens, en maakte luchtblauwe slagbomen die in het landschap opgehaald en neergelaten kunnen worden. Als de slagboom open staat, komt van zes meter hoog uit een luidspreker de stem van een dichter naar beneden. De slagboom nodigt de bezoeker uit dichterbij te komen en al luisterend de grens over te steken; van toevallige passant wordt de bezoeker deelnemer.

Hoe subliem de gedichten ook ge presenteerd zijn, ze lezen als contemplatieve voetnoten bij (meester)werken die stuk voor stuk werelden op zichzelf zijn. Neem de in elkaar verknoopte leidingen van twee wastafels in het Douviehuis (een werk van Elmgreen & Dragset), die als de kille fixatie van een huwelijksleven de bezoeker met verstomming slaan. Of het neergestorte vliegtuig van oud schroot in de achterste schuur (The Blind Leading the Blind, van Peter Buggenhout), de ongrijpbare Fruit Bottles annex lichtperen van Tony Cragg, die regelrecht van de bomen uit Alice in Wonderland lijken te zijn gevallen. Of neem de duizend wortels van glas van Maria Roosen die – zoals ooit de theezakjes van Jan Fabre – in de nok van een stal zijn opgehangen en schitteren in de zonnestralen. Zelfs het ge dicht van de geniale Hugo Claus (Bidden om een kwieke dood) doet nogal fu tiel en stuntelig aan vergeleken bij de foto’s van Nan Goldin over een stervende aidspatiënt die een afscheidskus krijgt van zijn vriend.

In Nous le passage is veel ruimte ingelast voor een aantal sublieme video-installaties. Bij binnenkomst in het Douviehuis is er bijvoorbeeld de Back to the Jungle-video van Pierre Bismuth, die in een gerieflijke kinderkamer vanaf de grond kan worden bekeken. Alle karakters uit de Walt Disney-film Jungle Book spreken hierin een andere taal waardoor een fascinerende Babylonische verwarring ontstaat. Met puilende en soms tranende ogen heb ik meermalen gekeken naar de video van de Spaanse kunstenaar Carles Congost (Un Mystique Deter minado), waarin de grenzen tussen opera, chanson en videoclip aan gru ze lementen worden geslagen. De slot scène, waarin een oudere Zarastro (een icoon van de jaren-zestiggeneratie) een jongeman die worstelt met zijn seksualiteit be moedigend toezingt, kan beslist wedijveren met de mooiste momenten uit Mozarts opera Die Zauberflöte. Verbluffend is ook de video die Laura Waddington heeft opgenomen in het vluchtelingencentrum in Calais, Sangatte. De video grijpt je, door de poëtische manier van filmen en door het geserreerde en soms raadselachtige commentaar, naar de strot. Vergeleken hierbij vervluchtigt zelfs de onverteerbare poëzie van Piet Gerbrandy («Spil hitte, giet baarlijke wel in hartgrondige put») en Ilja Leonard Pfeijffer tot de grappige verzenkeutelarij van twee classicistische narren.

Is er dan helemaal geen poëzie die beklijft, in deze 25ste Poëziezomer? Jawel, gelukkig toch. Met name de Franse gedichten blijven haken aan je ogen en je oren. Wat een genot om René Char te mogen begroeten in dit zonnige landschap, of om die wonderlijke Henri Meschonnic te kunnen ontdekken en de woorden van dichter-ziener Henri Michaux te horen weerklinken op het kerkhof – tussen het bordje «gelieve hier geen huishoudelijk vuilnis te storten» en het helderwitte kruis gewijd aan «Theophiel Vermiere, oorlogsverminkte, oud 25 jaar». Een gunstige uitzondering vormt ook het gedicht De grote trek van Hagar Peeters, dat vanaf een rechtopstaande grenspaal in het Grensland nederdaalt over de toehoorder. De grenspaal torent fier ten hemel, in een veldje naast de ezel Ambroos waarover Claus ooit een gedicht schreef dat nog op de schuur is te bewonderen. In de verte doemt de Mont Noir op, waar Marguerite Yourcenar de laatste decennia van haar leven sleet. Daartussen klinkt de wat melancholieke stem van een lucide Hollandse muze:

Ik zag de overburen op een ochtend

hun koffers zeelucht pakken.

Mijn karavaan speelvriendjes was de staart

van hun vlieger die wuivend uit het autoraampje

onder een balkon bleef steken

voor hij de hoek om boog.

Ze togen naar de Zandkastelen Stad

onder de rook van Amsterdam, zeiden de achterblijvers

zonder de rook van Amsterdam, zeiden ze

want naar zeewind frisse lucht ging hun vlucht

van meeuwen die vaders kapitein maakt.

Niet de mijne. (…)

Wie twijfelt of poëzie en beeldende kunst in staat zijn tot het aangaan van een «intiem huwelijk» kan zijn twijfel aan het slot van de expositie laten smoren door de grote betonnen, broeierige schuur in de Douviehoeve binnen te gaan. In de zwart gemaakte ruimte staat de eveneens zwarte Merry-go-round van Hans Op de Beeck, waar de bezoeker over een knesperend pad van grind omheen kan slenteren. Uit de draai molen, die als door een rouwtooi is afgedekt, klinken de meest onrustbarende en ondefinieerbare geluiden als in een David Lynch-film. Er klinken droeve kinderliedekens, gefluister van stemmen, draaiorgel muziek, en de woorden van een gedicht van Paul Demets die opwellen als uit de put van Vrouw Holle:

Hier rust de ruimte. Draaiend knijp jij jouw ogen

fijn, jouw eerder ik krimpt klein. Een hand omhoog,

grijpend. Vingers stijven de zomer. Wasgoed spant

wit op. Jouw schoenen zetten de straat een hak.

Alles zo licht dat het de schaduw in de weg gaat

staan. Verduister mij dan. Haal dat dooiergeel

van de daken, verdrink het lood in de poel.

Het raam staat aan, de lucht is dik en ongenood.

(…)

Daar, in die broeierige schuur, kan ik niet anders dan toegeven dat Gwy Mandelinck na 25 jaar geslaagd is in zijn mystieke missie: van zijn dorp een groot gedicht maken. De grenzen zijn vervaagd, vervluchtigd, het woord is gebinte geworden, Watou een zinderend beeld in de ruimte. Wie hier passeert, wordt door het dorp opgenomen in het schemerduister van la vierge folle en l’epoux infernal: Nous le passage.

Tot en met zondag 11 september
www.poeziezomerswatou.be