Een draai aan de wereld

KRIJN PETER HESSELINK
ALS GEEN ANDER
Nieuw Amsterdam, 68 blz., € 14,90

Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik Krijn Peter Hesselink nog nooit heb zien optreden. Normaal houdt me dat niet zo bezig als ik een bundel lees, maar nu was ik benieuwd. Twee jaar geleden werd Hesselink Nederlands kampioen poetry slam: in een competitie met andere dichters had hij de beste, meest overtuigende voordracht – of zoals dat tegenwoordig vaak genoemd wordt: performance.
Mede vanwege het competitieve element – de dichter moet een jury en het publiek van zijn kunnen overtuigen – is veel poetry slam laten we zeggen ‘publieksvriendelijk’: bij een goeie avond poetry slam horen opzwepende ritmes, lekker in het gehoor liggende zinnen, hier en daar een grap. Bedachtzame poëzie, een op de kop gezette grammatica en al te ingewikkelde beelden doen het minder in deze scene.
Op de achterflap van Als geen ander is te lezen dat Krijn Peter Hesselink als dichter debuteerde op het podium en pas daarna op papier. Toch kon ik me bij het lezen van dit debuut geen goede voorstelling van de slamdichter maken. Laat ik dat proberen uit te leggen.
De bundel opent met een prozavers, dat meer een gedachte-experiment is dan een gedicht: in Urk is vol, nu Nederland nog wordt gespeeld met het idee om alle Nederlanders op het eiland Urk te stationeren. Je zou de tekst een antwoord op de te veel gehoorde ‘vol is vol’-kreet kunnen noemen, een geestig antwoord dat eveneens een oplossing biedt voor andere veel gehoorde problemen waar ons kleine landje al dan niet denkbeeldig mee te kampen heeft. Wie een dergelijk ‘gedicht’ als opmaat plaatst, vraagt om op een bepaalde manier gelezen te worden: is Hesselink een politiek dichter of een vrolijke denker? Dat laatste toch vooral. Als geen ander bevat opgewekte gedichten, Krijn Peter Hesselink gaat met licht verende tred door het leven, kijkt om zich heen, maakt iets mee, of niets, want dat hoeft helemaal niet voor een dichter: ‘Dichten is kijken naar/ wat niet ter zake doet en daar/ een zaak van maken’. Dat doet hij mooi in het openingsgedicht van de eerste reeks van de bundel, Zorgplicht. Weer zo’n politiek getint woord, Hesselink geeft het hier een verrassende invulling:

Ach zon zo schuchter
als je binnen komt schuifelen
als je wegkruipt op een krukje
zo gammel een mens
zou zijn schaduw er nog niet
aan toevertrouwen

laat het stof toch het stof
dat dwarrelt zich wel na
richt je op en werp een blik
op onze schaduwen
jij hebt ze vastgenageld
jij moet voor ze zorgen

Hoewel er op de vorm waarin het gedicht is gegoten wel iets aan te merken valt, de regelafbrekingen lijken bijvoorbeeld wat willekeurig, kan het beeld uit de eerste strofe zo als uitdrukking het woordenboek in. Dat staat en is subtiel. En juist door die breekbaarheid zag ik dit gedicht in een slamcompetitie geen hoge ogen gooien – maar daarin kan ik me natuurlijk vergissen.
Een beetje scheef tegen de dingen aan kijken, een woord of uitdrukking een andere invulling geven, dat is wat Hesselink doet. De wereld een draai geven, zodat de boel even kantelt, ook dat zien we vaker in deze gedichten. Wat harmonieus lijkt of onveranderbaar, gaat schuiven, zoals de wereld in Stadscompositie, waar het lieflijke tafereel van een voor haar zoontje zingende moeder ‘in het honderd’ loopt: ‘kraaiend van plezier rekt het jongetje zijn nek en/ dirigeert de bus de gracht in, laat/ een gat in het kroos slaan, onthult hoe de stad/ op zijn kop uit het lood hangt’.
Maar hoe groot de ramp ook, in Hesselinks wereld blijft die licht als een veertje (misschien komt dat ook door de verkleinwoorden die hij regelmatig gebruikt), of zo licht als het vliegtuigje dat een vrouw van haar geliefde vouwt in een van de gedichten. Er is liefde en liefde die eindigt, er zijn reservevijanden, er is verwarring; er zijn vele gaatjes en gaten om zaadjes in te planten, voor God, gatenkaas in het hoofd; maar zelfs als desintegratie of identiteitsverlies dreigt doordat passanten ledematen meerukken, lezen we nog een regel die klingelt als een klokje: ‘Mijn tanden stuiteren/ rinkelend de trap af’. Die bijna-gewichtloosheid die zijn woorden kunnen hebben, die mij wel bevalt, maakt dat ik maar niet voor me zie hoe deze poëzie in een slam (in het Zuid-Afrikaans treffend ‘bekgeveg’ geheten) een andere dichter knock-out kan slaan. Maar de feiten spreken mij tegen.
Krijn Peter Hesselink is een oorspronkelijke geest, dat laat dit debuut zien. Maar in al zijn lichtheid is het soms te fladderig wat hij doet. Zijn gedichten steunen soms te veel op een idee, zijn te weinig uitgewerkt. Missen vorm en daardoor scherpte. Alsof hij opstijgt, klapwiekt met zijn vleugels, maar niet met volle slagen een vlucht maakt. Naar de eeuwigheid, over een zichzelf opladende mobiele telefoon, heeft voor papier te weinig soortelijk gewicht. Gat in mijn herinnering is een wat studentikoze anekdote die het uiterlijk heeft van een gedicht, maar dat eigenlijk niet is. En al allitereert het nog zo mooi, drie keer ‘ook’ in een korte strofe is ten minste één keer te veel.
Veel dichters die naam maakten op het podium hebben hun weg naar het boek gevonden. In 2007 won oud-podiumgediende Bernard Wesseling de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. Gezien de populariteit van de poetry slam, of voordrachtwedstrijd, onder jongeren is het misschien geen gek idee dat er op school weer wekelijks (of anders maandelijks) een versje uit het hoofd opgezegd gaat worden. Oude en nieuwe gedichten. Mag van mij best iets van Krijn Peter Hesselink tussen zitten.